

Corvette C3 1968
De derde generatie Corvettes was begonnen met een totaal nieuwe vormgeving. Omdat die vormgeving geïnspireerd was op het uiterlijk van een haai werden deze jaren wel de "sharks" genoemd. De coupé kreeg voor het eerst verwijderbare dakpanelen (2) en was tevens voorzien van een achterruit die uitneembaar was. De koplampen klapten pneumatisch omhoog in plaats van het systeem in de 1963-1967 Corvettes waar ze d.m.v. een draai mechanisme tevoorschijn kwamen. De accu kreeg een plaatsje achter de stoelen i.p.v. in de motorruimte. Het chassis bleef hetzelfde en de velgbreedte ging naar 7 inch. Ondanks de kritiek op de kwaliteit werden er toch nog 28.566 sharks verkocht. 9.936 coupés en 18.630 cabrio's. Populairste kleur was British Green met op de tweede plaats LeMans Blue.
De derde generatie (C3) – Gedurfde vormen en de grootste V8 ooit
De twee in 1965 onthulde Mako Shark II-concept cars deden publiek en pers versteld staan met hun vele futuristische details als een 'vierkant' stuurwiel, uitklapbare achterspoiler en een uitschuifbare bumper voor extra bescherming. Hoewel deze revolutionaire ideeën niet in de productiemodellen terugkeerden, handhaafde ontwerper David Holls wel de gedurfde gewelfde contouren bij de eind 1967 geïntroduceerde derde generatie Corvette. Met een productieaantal van bijna 543.000 wist deze nieuwe Corvette het succes van zijn voorgangers verder uit te bouwen. In deze periode was de auto populairder dan ooit: met exact 53.807 geproduceerde eenheden is 1979 tot op heden het beste productiejaar uit de geschiedenis van de Corvette.
Met zijn voluptueus gevormde wielkasten had het profiel van de auto iets weg van de Coca-Cola fles van ontwerper Raymond Loewy. De modellen uit deze serie staan daarom ook wel bekend als de 'Coke-bottle shape' Corvettes. In 1969 verscheen het Stingray logo weer op de voorspatborden. In tegenstelling tot bij de C2-modellen werd dit nu echter als één woord geschreven.
Voor het eerst kunnen ook de inzittenden van de coupé de wind door haren voelen: de unieke T-vormige dakstructuur is voorzien van twee afneembare dakpanelen. In de modellen van de eerste vijf productiejaren was zelfs de verticale achterruit demonteerbaar. Na 1977 verdween dit stylingdetail en kreeg de Corvette bij een van de talrijke modelwijzigingen een schuin aflopende glaskoepel achter de B-stijl.
De toenemende aandacht voor veiligheid in het midden van de jaren zeventig leidde onder andere tot overhaaste aanpassingen van de bumpers. Het model van 1973 had bijvoorbeeld de vreemde combinatie van een in carrosseriekleur gespoten kunststof voorbumper en een klassieke verchroomde achterbumper. Een ander gevolg was het uit productie nemen van de targa-versie. De cabriolet verdween in 1976 uit het leveringsprogramma.
De strijd om de pk's bereikte begin jaren zeventig een absolute climax: de Corvette big-blocks uit de periode tussen 1970 en 1974 waren met een inhoud van 7,4 liter en een slagvolume van meer dan 930 cc per cilinder de krachtigste ooit. De big-block met 425 pk uit 1971 was ondanks een verlaagde compressieverhouding, op dat moment de krachtigste motor in een productiemodel uit de geschiedenis van de Corvette.
Tien jaar later bereikten de technici een belangrijke innovatieve doorbraak op het gebied van de wielophanging: in 1981 werd de dwarsgeplaatste stalen bladveer van de achteras vervangen door een exemplaar vervaardigd van composietmateriaal. De voordelen hiervan waren legio: een gewicht van slechts vier kilogram, ongevoeligheid voor roest en een vijf maal langere levensduur
In 1981 verhuisde de productie voor de tweede keer sinds december 1953, ditmaal van St. Louis, Missouri naar Bowling Green in Kentucky. Tot op de dag van vandaag worden de Corvettes hier gebouwd. In juni en juli 1981 werden in beide fabrieken auto's gebouwd. In deze overgangsperiode werden in St. Louis de in één kleur gespoten modellen gemaakt, terwijl de tweekleurige modellen uit Bowling Green kwamen.


















































