over dialect en AN
‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,’ schreef Jan Slauerhof. Op analoge wijze kunnen heel wat Vlamingen zich uitsluitend in hun streektaal thuis voelen. Maar als ze deze instinctieve voorkeur proberen te argumenteren, vallen ze door de mand. In De Standaard van vandaag beweert de ene lezer dat het AN ‘een omhoog gevallen dialect (is) dat per oekaze werd gedecreteerd’, een andere noemt het AN ‘een bloedarmoedige, steriele taal’. Het ontgaat de laatste wellicht dat de overgrote meerderheid van onze moderne literatuur in het AN is geschreven en in vele gevallen niet getuigt van bloedarmoede of steriliteit. En een beetje kennis van de geschiedenis van onze taal leert dat de standaardtaal een conglomeraat is dat geleidelijk groeide met een duidelijke inbreng vanuit het zuiden: denk aan Marnix van Sint-Aldegonde, de gevluchte burgemeester van Antwerpen, die meehielp aan de Statenbijbel, een werk dat voor de
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
‘Leerlingen zijn geen rebellen’.
Onder deze kop plaatst De Standaard een interview met een germanist van het Gentse Sint-Barbaracollege. De brave man verklaart: ‘leerlingen zijn braver geworden. Ze hebben nu minder om zich tegen af te zetten dan vroeger.’
Een van de elementaire regels van de historische kritiek is dat één getuigenis geen bewijskracht heeft. De lezer wordt verondersteld te weten dat het Gentse jezuïetencollege sedert jaar en dag qua intellectueel niveau een elitaire school is waar je inderdaad weinig probleemkinderen zal aantreffen. En persoonlijk kun je hieraan toevoegen dat jouw eigen aso-leerlingen, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, toffe jongens en leuke meisjes waren. Maar wat vang je dan aan met de jammerklachten van je collega’s uit onze tso-afdeling l.o. en sport? Die gewagen al ruim 5 jaar van toegenomen brutaliteit, zelfs fysieke agressie, extreme leermoeheid, racisme etc Van oudere mensen hoor je dat ze bepaalde schoolpoorten niet voorbij durven op het einde van de schooldag.
Wie vertelt nu de waarheid? Eens te meer heb je de indruk dat onze media de publieke opinie proberen te manipuleren onder meer door omissie: men poneert een stelling en alle feiten die deze stelling zouden kunnen tegenspreken, laat men gewoon weg. Mocht het waar zijn dat de leerlingen van vandaag geen ‘rebellen’ meer zijn, hoe verklaart men dan allerlei alarmsignalen over drugsgebruik, vandalisme en andere vormen van ongewenst gedrag?
De jeugd is evenmin als de rest van de bevolking een monolitisch blok: om een enigszins genuanceerd beeld te krijgen, heb je een grondig sociologisch onderzoek nodig – een paar getuigenissen zullen niet volstaan.
En alweer lees je de moderne onzin: ‘vroeger kon je een tekst gewoon brengen. Nu moet je op zoek gaan naar aanknopingspunten in het leven van de jongeren.’
Reeds aan de normaalschool in de jaren zestig is jou geleerd de les te beginnen met iets wat de aandacht kan ‘vangen’: een vertelling, een voorgelezen verhaaltje, een foto, een vraag over hun eigen ervaring en leefwereld etc Maar in bijvoorbeeld de derde graad van het secundair onderwijs mag je er toch van uitgaan dat zo’n inleidende verleidingstruukjes tot een minimum beperkt kunnen worden. Of zullen we voor de rest van ons leven een boek pas ter hand nemen wanneer het over onszelf gaat?Is het geen essentieel kenmerk van de intellectuele nieuwsgierigheid dat men geboeid is door het andere, door fenomenen die we nog niet kennen? Je hoeft toch geen boeddhist in de familie te hebben om je voor het boeddhisme te interesseren? Of keer de redenering om: wanneer een leerkracht vaststelt dat geen enkele van de leerlingen een spontane belangstelling heeft voor een bepaald leerstofonderdeel, moet dit hoofdstuk dan weg vallen? Maak eens een opsomming van de taken die we dagelijks verrichten, niet omdat ze ons zo boeien, maar omdat ze nu eenmaal gedaan moeten worden: niet iedere man of vrouw staat te walsen met een stofzuiger.

wake
ze slaapt als een dode
met geluid – hij wil nu
rozenblaadjes op het laken,
wierook in de kamer
een lichaam is klaar
om op te stijgen
uit een lichaam
hij wil het gadeslaan
spreken in vele tongen
tenten bouwen
op deze berg
ze slaapt en hij zal waken
tot ze verbaasd weer
nederdaalt, een inwijkeling
in haar eigen lichaam
dat ze verkent als een
toekomstig huis, de ramen
zetten een keel op
van wierook en rozen
en zijn hand beweegt al
in een heilig schrift
over taalbeheersing
Op de literaire website ‘Het Prieeltje’ wordt ene Johannes Sanctorum aangeprezen als de nieuwe Johan Anthierens. Als aperitief kan je een essay lezen over de gebrekkige taalbeheersing in Vlaanderen die alleen maar kan verbeteren indien Vlaanderen een zelfstandige cultuurnatie wordt. Volgens Sanctorum kan geen enkele opiniemaker behoorlijk Nederlands praten evenmin als een van onze politici. Iedereen weet dat de mondelinge beheersing van het Nederlands het zwakst is in West-Vlaanderen: moet deze provincie een autonome regio worden om daar verbetering in te brengen? Taalbeheersing vraagt om een engagement: men moet het in de eerste plaats willen. De West-Vlamingen die deze stap hebben gezet, bewijzen dat zij net zo vlot en onberispelijk Nederlands kunnen praten als om het even wie.
Zijn wij Vlamingen dan allemaal Calimero’s dat wij onze eigen tekortkomingen gaan afschuiven op de francofone Belgen?
Sanctorum ziet het licht schijnen in Nederland. Het is inderdaad zo dat in Nederland al decennialang een debatcultuur bestaat: discussieprogramma’s van een volledig uur over één onderwerp zijn op de Nederlandse tv-zenders geen uitzondering. Maar of deze traditie bij alle Nederlanders geleid heeft tot een correct taalgebruik en een foutloze uitspraak is een andere zaak. En deze overweging zegt nog niets over de maatschappelijke relevantie van de debatcultuur: de politieke arena in Nederland is zo mogelijk nog harder als bij ons, een Rita Verdonk mag misschien taalvaardig zijn, haar beleid is bij momenten fascistisch.
Uiteindelijk is taal niet meer dan een middel: ‘the meaning is the use,’ schreef Wittgenstein.
Taalvirtuositeit kan fascineren en heeft een schoonheid op zich, maar als dit talent alleen maar dient om andere mensen de duvel aan te doen dan is dit vermogen te vergelijken met hoog gesofistikeerde wapens. Clusterbommen zijn een bewijs van technisch en wetenschappelijk vernuft maar in moreel opzicht pervers en misdadig. Kortom, de taal is niet ‘gansch het volk’.
Laat deze nuancering geen excuus zijn om je taal te verwaarlozen: hoe nauwkeuriger je formulering, hoe groter de kans dat je correct wordt begrepen. Toch deze vergelijking: een virtuoze voetballer lokt publiek naar de stadions, maar met elf virtuozen in de ploeg win je geen enkele wedstrijd.
Er bestaat ook nog altijd zoiets als doelgerichtheid: hóe je het zegt is essentieel in de literatuur, in de gewone communicatie is wát je zegt heel wat belangrijker.
closing time
uit Een stuk of wat
closing time
een avond om samen
bij haardvuur zeg je
een kunstmaan in de rooie vijver
van ons glas
een avond van wolven
in de struiken om de huizen
en hagel hagel in onze huid
een avond dat ik alleen
een jager zeg maar
op geritsel van mantel en regen
en lichtjes lichtjes
in ogen en stenen
een avond dat ik ga
In ‘Over leven’ (of ‘overleven’?) ging het gisterenavond over de vraag of een overstromingsramp zoals in 1953 nog altijd mogelijk is. Experten verklaarden dat de huidige toestand zelfs nog onveiliger moet worden ingeschat als toen. Zij gaan zo ver de Deltawerken en ons eigen Sigmaplan tot dwaasheden te bestempelen: de verhoogde dijken zouden juist de natuurlijke ophoging van het land achter de dijken onmogelijk maken en de bufferzone voor de noodwering helpen wegspoelen. Mocht dit waar zijn, wat hebben de opeenvolgende regeringen en hun specialisten ons al die jaren dan wijs gemaakt? En meer algemeen: wat weten wij eigenlijk met zekerheid, wat is er juist aan de informatie die ons permanent wordt voorgespiegeld als zijnde onbetwistbaar?
De moeder van
In Humo van vorige week werd de Canvasuitzending ‘de moeder van Yves Leterme’ afgekraakt als nietszeggend tenzij een bevestiging van het saaie imago van deze man. Mij leek het een mooi beeld van emotioneel evenwicht waarvan het fundament een stabiel gezin is geweest met een fascinerende grootvader en een moeder die als zelfstandige constant aanwezig en tegelijk afwezig bleef. Deze dubbelzinnigheid legde een sluier van tristesse over het getuigenis: de moeder stond in haar winkel, ze was er en ze was er niet.
De tristesse komt voort uit het onvermijdelijke ‘menselijk tekort’: zelfs in het meest harmonieuze gezin zal er wel altijd wat ontbreken omdat de honger naar aandacht bij het kind nu eenmaal onverzadigbaar is.
Nog sterker was de aflevering van gisteren over de moeder van Anissa Temsamani. We kregen een beeld van een vrouw die door haar migratie inderdaad ontworteld werd: zij kwam terecht in een vreemde en nogal vijandige wereld. Er was een baas die niet alleen haar, maar al zijn werkneemsters vernederde etc En er was gelukkig een lieve oudere buurvrouw die zich ontfermde over de kinderen in die mate dat zij als een grootmoeder werd ervaren.
In het hart van dit ‘document humaine’ zit de tegenstrijdigheid van de moederliefde: tegelijk verstikkend en ondersteunend. De verwarring van deze Marokkaanse moeder leert ons iets over de almacht van de angst. We zagen een genereuze vrouw die alleen maar wil geven en verteerd wordt door schrikbeelden over wat haar kinderen zoal zou kunnen overkomen.
Wanneer wordt geborgenheid een wurggreep? Kan angst een raadgever zijn bij de opvoeding?Kan je houden van iemand die het tegenovergestelde doet van wat jij zou willen?
Al deze vragen gelden in elk gezin – in het geval van Temsamani kwamen ze des te scherper aan bod omdat twee werelden elkaar moeten overlappen: een traditionele en een moderne, een Marokkaanse en een Vlaamse. Soms moeten de zaken zo scherp worden voorgesteld om iets bij te leren over jezelf. Pedagogische verwarring is niet bepaald het monopolie van migranten, tenzij wij allemaal migranten zijn: migrerend van het ene tijdperk naar een volgend terwijl we ons vertwijfeld afvragen hoeveel we verliezen en hoeveel we misschien winnen, met de klemtoon op misschien.In het maandblad Tribune van het ACOD, de socialistische vakbond voor het onderwijs en andere overheidsdiensten, staat een ingewikkelde bijdrage over de plannen om leerkrachten ‘gedifferentieerd’ te verlonen, volgens hun schoolopdracht of competenties. Waarom moet men een systeem veranderen dat al bij al redelijk functioneert? De loonsverhogingen volgens anciënniteit hebben het rechtvaardige in zich dat iedereen wel ouder wordt en bijgevolg meer zal verdienen. Het enige bezwaar is de relatief lage verloning van de jonge leerkrachten. Maar een loonstelsel ontwerpen dat verloont volgens prestatie, roept vragen op zoals: welke prestaties zal men gaan meten en zijn deze prestaties wel te meten? Bijvoorbeeld is het denkbaar die wie lesgeeft aan een moeilijke klas meer zou krijgen, maar wat is een moeilijke klas: kan je dat van tevoren vastleggen? Het nadeel van een verschillend loon is de naijver, de afgunst. Nu al wordt er met argusogen nagekeken wie van de collega’s het voordeligste uurrooster heeft gekregen, als daar dan nog voor de ene een hoger en voor de andere een lager loon bij komt, dan valt te vrezen dat er van de collegialiteit – die nu al niet zo fantastisch is - weinig overblijft. Willen de vernieuwers nu werkelijk van heel het leven een competitie maken, moeten wij in iedere situatie onze medemens zien als een rivaal, een concurrent?
shelter from the storm


uit Een stuk of wat
shelter from the storm
nu ik nog met jou dit huis bewoon
in mijn noodverband van zwijgen
nu in jou de etter nog dóórstroomt
die met piepschuim doornen
deze kop ooit kroont
nu jouw geduld de vlooien leest
van mijn verveling
nu jij het ritueel van warme wijn inluidt
dat de adders slapen doet
onder de hete steen van mijn huid
nu jouw vingers jouw vingers
mij vinden in mijn verloren zijn
nu nog kort nog
waak over mij
waak over mij
met je zondonzen buikrand
waak over mij
weldra zal ik uitbreken
wegvloeien
weeïg vliezig in het zand
game over.
In De Morgen van zaterdag noemt Noël Slangen, de spin doctor van de VLD, de pogingen om gewelddadige computergames te verbieden een uiting van ‘massahysterie’. Hij verwijst naar de tijd toen de kinderen met cowboys en indiaantjes speelden. We zouden er de westerns en oorlogsfilms uit de jaren vijftig en zestig kunnen aan toevoegen.
Wat is het verschil: in onze fantasie gingen de gevechten in die tijd om een strijd tussen goed en kwaad, hoe naïef en pertinent vals die voorstellingen ook waren.
De laatste decennia is het geweld in films en, recenter, in games gratuit. Het gebeurt omdat het leuk is iemand in elkaar te timmeren of overhoop te schieten.
Slangen schrijft deze nogal duistere zin: ‘Door de gewenning aan bepaalde beelden schuift de norm op zonder dat de gevoelsintensiteit toeneemt.’ Wat hij met het zinsdeel na ‘zonder’ bedoelt is mij niet duidelijk, het eerste deel van zijn zin echter wel.
Het kan best dat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat de voortdurende blootstelling aan gratuit geweld slechts in een beperkt aantal gevallen leidt tot imitatiegedrag of normvervaging. Maar pas dit in analogie toe op cannabis: dit wordt aan minderjarigen verboden onder meer omdat het in een beperkt aantal gevallen verslaving veroorzaakt.
Mocht men alleen die fenomenen verbieden die een epidemie kunnen teweeg brengen, dan moet men ongeveer alles toelaten. Naar mijn aanvoelen is één aanslag in een school al meer dan genoeg. Zou Slangen ook zo’n pleidooi houden mocht het gaan om expliciete porno: is deze tolerantie tegenover extreem en ongemotiveerd geweld de compensatie voor een falend libido of een uiting van bindingsangst en van een onvermogen tot empathie?
nog wat Konrád

nog wat aforismen van Konrád (uit Tuinfeest, uitgegeven bij van Gennep)11.
Een zwerver is ook een zwerver in zijn eigen bed.
12.
Hij is de sterkste, die ook alleen kan zijn, die in mindere mate afhankelijk is van de ander dan de ander van hem.
13.
Als ik wil weten wat voor mensen mijn tijdgenoten zijn, kan ik het beste naar mijzelf kijken.
14.
De macht van de kunst is gelegen in haar vermogen te verleiden.
15.
Literatuur is pas literatuur als de auteur de tekst ook niet helemaal begrijpt.


journey of a magus
- under your pose there is much more pose. larry lapinsky –
misschien omdat ik bidden wou
heb ik uit stollende golven van vrouw
om de holte van de goden uw beeld gemaakt
uw priester ben ik
uw tempel uw offerdier
aanhoor mij bewoon mij versnijd mij
tot mest voor het koren
waar gij des zomers door wandelen zult
misschien omdat ik bidden wou
afsmeken als een genade het spreken
dat opwekt uit het overvolle gebrek
ben ik in uw welvende land
de bevrager van ster en wichelaar
hervind mij hervind mij
ik ben de echo van het vallen uwer schaduw
ik weerspiegel uw adem in scherven van geur
wellicht omdat ik bidden wou
met een naam een god betrappen
die bouwt aan een openbaring
ben ik treurend om uw onbestaan
treurend u voorbijgegaan
Droompje.
Je partner was niet thuis en waar was die thuis dan wel: zonovergoten, ergens in de natuur, zeker niet hier. Plots staat een naakt meisje in de achterdeur. Je tilt haar op, ze is verrassend slank en licht, haar billen geven sponzig mee. Je merkt onder haar rechterborst een dot zwarte haren. Ze fluistert de naam van een haarziekte: je kan de dot met plukjes tegelijk uit rukken. Uit de haarwondjes komen ontelbare fijne witte maden gekropen, een witte krioelende vlek. Met je vlakke hand sla je ze weg zoals men een jas afstoft. Je schiet wakker met de levensechte herinnering aan haar billen en in je mond een smaak om van te kotsen.
Dewinter en co
In Morgen Beter van vrijdagavond heeft Bart Brinckman van De Standaard iets heel treffends gezegd: ‘mijnheer Dewinter, wij konden hier net zo goed niet zitten. U ratelt maar door en antwoordt niet op onze vragen.’
‘Wij’ dat waren vier kritische journalisten: Brinckman, Yves Desmet en het vaste duo Cools en Pauwels.
Konrád
Berettyóújfalu-Boedapest
vind niet te gauw dat hij
monkelend aanvaardt: de jongens
en meisjes van zijn klas
opgestookt in Polen
je volgt de rondgang
van zijn woorden, de tuin
met grafsteentafel, de bergen
rondom, de stad die hij
kent als doolhof en huis
bij slivovitsj en tokayer
beschouwt hij het plein
de bloedplassen decennia
na de tanks, de duiven
vandaag gevoederd
door oude vrouwtjes
namen zijn lichamen
opgedreven naar een kade
verdwenen tussen het ijs
dat kruide in de Donau
vind niet zo gauw dat hij
argeloos de uien pelt, het rode
vlees aansnijdt en mijmert
als een pijprokende opa
loop even mee, over
de plaveien van Boedapest
leg je vinger in de wonden
van de gevels, kom terug
naar het dorp waar hij
op sjabbes de vaders zag
de zonen met krullen en keppel
door het steegje langs
zijn vaders ijzerwinkel
terwijl hij op mussen
schoot, verwonderd
dat je kan missen
aforismen van Konrád
1.
Mijn levensopvatting is besloten in mijn daden, staat geschreven op mijn gelaat.
2.
Het nageslacht heeft geen belangstelling voor de doden, hoogstens voor een paar anekdotes.
3.
Elk moment heeft een veel grotere waarde dan de sporen die het achterlaat.
4.
Ik ben verantwoordelijk, zowel voor mijn zwijgen als voor mijn spreken.
5.
Het is goed dat metafysische perspectieven aardse vindplaatsen hebben.
6.
Als we iemands leven betreden, zouden we dat even omzichtig moeten doen als we de slaapkamer van de kinderen verlaten.
7.
Ik radbraak een paar talen, alleen mijn Hongaars is behoorlijk.
8.
Je steekt je hoofd steeds weer uit een ander raam en elke keer met een ander masker voor.
9.
Als men zich niet ergert aan wat je schrijft, heeft je werk geen betekenis.
10.
Je bent niet wat je wilt zijn, maar wat je kunt opbrengen te zijn.
558.
Wie zich vergist van tegenstander, verliest al bij voorbaat.
559.
We zijn een volk van mopperkonten en als een chef ons vraagt hoe het gaat, zeggen we: prima, met mij gaat het opperbest. Het doet denken aan een jeugdherinnering van LP Boon. Die zat naast zijn grootvader op de stoep en de pastoor kwam langs. De grootvader nam zijn pet af en riep: ‘dag, mijnheer pastoor’.
En toen de zwartrok zich verwijderd had: ‘val dood, klootzak.’film op tv
Zap op een willekeurige avond van zender naar zender: hoeveel films kom je tegen die niet afkomstig zijn uit de USA? Hoe vaak heb je al geschreven dat Europa en andere werelddelen cultureel worden gekoloniseerd en dat de meeste media, de tv-zenders in het bijzonder, kruiperige collaborateurs zijn bij dit kolonisatieproces? Jaarlijks worden honderden boeiende films gedraaid in alle continenten, die onze bevolking de kans zouden kunnen bieden om met andere culturen kennis te maken. Doch neen, onze Vlaamse en Europese zenders kiezen voor de gemakkelijkste en misschien goedkoopste oplossing: zij blijven klant bij de filmstudio’s van Hollywood, bij de producenten van de wansmaak en van de oppervlakkige sensatie.
vrouwelijk


vrouwelijk
waarom kleur je woorden in
met tepel en bil, een vermoeden
van vrouw buiten de lijnen
van een gedicht
weet je, woorden zijn vrouwelijk
nooit mooier dan ave en magnificat
het bezoek van een engel en stilte
na zijn verdwijnen
snij wat rode lippen uit
die proeven van een aardbei
vergeet de keel die twijfelt
zich verslikt, het middenrif
dat dreigt te scheuren
woorden zijn zoals vrouwen
een reisfolder en wie slaapt
in naast het rammelen
van een lift, de stortvloed
en gorgelen in een buis
neem nooit meer aan
dan je toekomt, een lispelen
geur van fruitschil en oude
wijnen in hun kelder
flessen die ooit worden
open gedaan, nu nog niet
een vinger van licht gaat
over het stof, een naam
wordt gepreveld, men kijkt
elkander aan en glimlacht
alsof men al gedronken heeft
karma


karma
zo troosten de eeuwen door
wat rituelen: siddharta,
wie nooit op aarde woonde
die duizelt tuimelt uit de wolken
wie zegt het zalige daalt
als een gouden regen
vergeet uit zandige pijn
de geperste roos
de leer is in het leven
wij scharten in paring en dans
over de ruiten van de hemel
en geen oppassend baasje
geen engel die ons binnenlaat
sjamaan sjacheraar met woorden
de leer is het leven
de verlichting van het verzaken
kan enkel aan bezit
wie de laatste leegte wil omhelzen
moet vervuld zijn tot de rand

