Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht


de verloren vader
-surgens non venit ad patrem –
stel je een heuvel voor
een wachttoren van een vader
nergens de schaduw van een zoon
die strompelt uit het tegenlicht
neervalt in het zand
geen kalf wordt geslacht
geen wijnvat geledigd
alleen de vader voelt
hoe nacht na nacht
een jakhals de pezen
van zijn beenderen vreet
een schorpioen gif spuit
in zijn trage aders
beeld je zijn rode ogen in
’s morgens, wanneer hij
wankelt langs de tafel
de bekers verschuift
de lege schalen
en buiten, hoog op zijn heuvel
ontwortelt hij de bomen
aan de overkant, ze strompelen
uit het tegenlicht, hun armen
slaan als vleugels open, hun ruisen
voert hem nader: de verre
klanken van zijn naam
weg met de nieuwe verzuiling of met de oude?
Mieke Vogels (zie De Morgen van zaterdag) hekelt de clausule die CD&V liet toevoegen aan het decreet op de ‘evenredige arbeidsparticipatie’. Alleen valt te vrezen dat ze vecht tegen de bierkaai.
Reeds 20-25 jaar geleden onderschreef de christelijke vakbond de ‘specificiteitsverklaring’ van de Guimardstraat waarin stond dat een personeelslid loyaal moest meewerken aan het eigen pedagogisch project en ook in zijn privéleven de christelijke waarden moest naleven. Later werd dit onder druk van diezelfde vakbond afgezwakt tot: ‘voor zover het privéleven invloed heeft op het functioneren binnen de instelling’.
Ook van de leerlingen en hun ouders wordt een vergelijkbaar engagement gevraagd: zij moeten het schoolreglement ondertekenen en goedkeuren waarin dat christelijke opvoedingsproject expliciet staat vermeld.
Nochtans heeft een enquête op initiatief van de Guimardstraat zelf uitgewezen dat slechts 15% van de ouders kiest voor het katholiek onderwijs omdat het katholiek is, 85% doet dat om redenen zoals de hogere onderwijskwaliteit, de discipline, de bereikbaarheid etc
Iedereen weet dat het in hoofdzaak om een façade gaat: achter de gevel van het christelijk engagement leven de meest uiteenlopende levensbeschouwingen en overtuigingen.
Marc Eyskens sprak reeds vaak over ‘de schone deugd van de katholieke hypocrisie’.
Het heikele punt is echter dat je maar zal te maken krijgen met een inrichtende macht en directie die dit voorschrift hanteren als een drukkingmiddel.
Op onze school was het voor gescheiden collega’s onder een bepaalde directeur verboden om met een nieuwe partner naar het personeelsfeest te komen – merk het parallellisme met de recente ‘bulle’ van de Duitse paus.
Jonge leerkrachten werden onderworpen aan een kruisverhoor over hun privéleven en hun al dan niet ongehuwd samenwonen. Gescheiden leerkrachten kregen op vergaderingen allerlei intimiderende opmerkingen te horen.
Een kinesist vertelt dat hij tijdens een sollicitatiegesprek in een christelijke gezondheidsinstelling door moederoverste werd uitgehoord over zijn kerkbezoek, maar geen enkele vraag kreeg over zijn kwalificaties. Een therapeute kreeg na de geboorte van haar kind de dreigende vraag voorgeschoteld waarom dat kind na ruim een maand nog niet gedoopt was.
Het hopeloze van de hele zaak is juist die gespletenheid of hypocrisie: vrijwel iedereen speelt het spelletje mee, houdt de façade overeind en zondigt in het donker. Nogmaals: dit gebeurt niet in alle scholen noch in alle gezondheidsinstellingen, maar het feit dat het statutair mogelijk is, blijkt voor een aantal lokale potentaten voldoende om er met machtswellust gebruik van te maken. En dat is de kern van de zaak: het gaat om macht , dat is de enige reden waarom het CD&V op deze clausule heeft aangedrongen.
uit Overschotjes
stay with me – Lemon
kon je wel dichter komen
ten slotte was er nog weinig
verbeelding nodig
om te zien wat mocht zijn
je zal mogelijk blijven
zoals een reis
waarover men zoveel heeft gelezen
dat men ze niet meer onderneemt
meer nabij kon je niet naderen
men moet uiteindelijk spaarzaam zijn
met omzien en verlaten
het is de verwachting
die van ons vogels maakt
de warmtestroming
die ons moeiteloos draagt
en een landschap toont
dat geen vorst zal overschouwen
kom niet nader
ik wil je verwachten
en niet je berouwen
blijf zo’n dal
verborgen onder verblekende nachten
word geen ander die ik verlaten zal


uit Van Toen en Thuis
het zigeunerkamp
wie waren ze, de bewoners
van die landtong, den Dullaard, met zijn bos
en struikgewas, die de pijlpunt van zijn tong
uitstak en de spot dreef met het dorp
je kwam er langs telkens als je de brug
over moest naar je vrome school, vroeg
je af vanwaar ze kwamen de microben
op die tong
er stond een woonwagen, twee misschien, meer
was daar onmogelijk – je zag de kinderen
in het zand met het blote bewijs
van motten, hun huid van honing en olijven
te weinig weet je, en ze houden je bezig,
de jonge meisjes zonder ondergoed, de jongens
met dolken in hun zwarte ogen – de bomen,
het kreupelhout stonden als messenwerpers
in hun rug – wie zou het wagen om van het dorp
over te steken naar de spie van hun kolonie?
kwamen ze naar beneden van de
Calvariebergstraat als scharensliep en
handenlezers? hoe diep je ook
in de zandhoop van je geheugen wroet:
je ziet slechts vaag de brede vrouwen
in veel te wijde bonte kleren, klauterende
kinderen in een mottenhemd
soms waren de Pfaffs erbij de voorouders
van één van onze goden, ze deden aankopen
in de Mandenmakersstraat - blijvend
houden zij jou bezig want zelf ben je
een zigeuner onderweg met een bos
van stemmen in je rug en je weet niet
of ze naderen met een mes of met een kuch
zwerfhond


zwerfhond
bedenk nu de goden
van het mededogen
wees leerling en tovenaar
wijs de meesters aan
die jou onderwijzen
vertraag nu, luidt hun
eerste les, ga langzamer
om met mensen en dagen
schort je oordeel op
tot het een heimwee wordt
een geur uit een raam
die herinnert aan een moeder
tover met je woorden
de milde goden, hun trage
blik, de klei aan hun vingers:
hoe langzaam zij omgaan
met wingerds en bomen, namen
proeven als een oude wijn
boetseer nu mee, een meester
in het mededogen maakt hoeken
rond, randen stomp en glanzend
kom mee dan als een gastheer
de droom tegemoet, de zwerfhond
op je stoep: hij ligt er sinds jaren
en hoor hem eens hijgen, voel je
de god in zijn staren?
uit Van Toen en Thuis
een hamertje
het was maar een hamertje
met kersenhouten steel
en op een nacht in de stad
was je weer vergeten de deur
van je wagen af te sluiten
en heel de alaambak verdween
samen met het hamertje
van zwart staal en kersenhout
het hoorde in het rekje dat vader
had getimmerd bij zijn werkbank:
boven de schroefklem en de littekens
van hakken en klieven en de lievere
sporen van schaven en polijsten –
de kleine dromen die een werkmens
soms toonbaar maakt
het was maar een hamertje
dat hoorde bij een stal
bij de smalte van een venster
en een baksteen die ontbrak:
een oog in de muur dat jou
voortdurend beloerde
want ook jij wou wat maken:
een wagen die nooit rolde,
een voetbaltafel met baren
die stroef draaiden
verdraai maar de feiten
doch nooit de waarheid:
het was maar een hamertje
van donker paarsrood kersenhout
en wat je ook droomde daar
en toen in die stal, je wist al
van tevoren: zonder vader
gaat het fout
lessen uit de geschiedenis
guy tegenbos in de standaard
kennis in het onderwijs
tell me


uit Van Toen en Thuis
tell me – The Rolling Stones
- voor Lieve, de waterlelie -
we zaten in een wagen
met je broer, mijn gabber
en je vroeg: waarom
waarom jouw pirouettes
als ik de spil niet ben
jouw polonaise rondom
en niet aan mijn lijf
je woorden zijn warme lucht
en ik stijg als een vlieger
van zijdepapier, dan kijk je
weg en ik tuimel in je zwijgen
waarom, vroeg je, in het donker
van die wagen en ik waagde
het niet: jouw gezicht
een ovaal van ivoor en rozen
een borstje tegen mijn arm
een sponsje dat de lei wou
vegen van al mijn zonden
we reden naar een bowling
en wie won die avond:
we waren een onklopbaar
paar en verslagen zat ik
naast je in de vallei
van de Durme, een nevel
om ons heen, weerom
een zwijgen, je lichaam
dat vroeg: waarom?
uit Van Toen en Thuis
de vrouwen van de straat
de straat was arm maar proper
de vrouwen werkten niet
ze waren bezig
nog vóór het licht werd
- na de zomer - om de kachel
op te poken, het pompwater te koken
voor de koffie
daarna werd een man gewekt
en gingen zij weer slapen
daarna een zoon en later nóg een kind
zij bleven op bij het derde kraaien
want de dagen wachtten niet,
de scharrelkippen met hun zoele klachten,
de wasdraad na het kloppen en het roeren
met een bleke bezemsteel: het schuim
en blauwsel in een zinken tobbe
dan een strijkbout die in de oven stond
van de Leuvense stoof
want ze waren proper
je kon eten van hun vloer
van de plavuizen buiten
na het schuren van de koer op vrijdag
terwijl ze dachten aan een plankje,
een boeman van papier
in de winkel van het straatje,
een donker rijhuis waar je niet eens
je kont kon draaien
bleef er over van de markt
op zaterdag? dat moest wel,
alleen bij ziekte
ging je over de schreef -
het negertje knikte
en ze zongen soms
bij het keren van het koertje, het zemen
van de ramen wanneer Bob Benny galmde
tussen het ruisen
van het bakelieten bakje
ze lachten soms
om de piepstem van Will Ferdy,
ze lachten en hun ogen traanden –
ze dipten hun vingers in een porseleinen
of tinnen vaatje, herschikten het gewijde takje
en sloegen een kruis
en ’s zomers zaten ze in de vroege avond
samen voor de kapel op de hoek
waar kaarsjes brandden, een beeldje glom
van een moeder, een huisvrouw, een Eva
die ze nooit zouden evenaren
in vlijt
in deemoed
in kuisheid van gemoed
in heiligheid
want zij werkten niet
ze waren bezig, vulden hun tijd
de islam in De Standaard


uit Van Toen en Thuis
ga maar, laat maar
het schone ga je voorbij: de roze
waterlelies die drijven op omheinde
vijvers, het paarse van kattenstaart
en monnikskap, een reeds gele
treurwilg in de vroege zomer
alsof zijn eiland van amper
een zakdoek een nachtlampje
is van art nouveau
ga voorbij, vermijd de dazen,
de damp van methaan alsof
de duivel hier al zijn winden
laat, zijn vele magen ledigt
volg de vlucht van een libel
in het laatste schijnsel
beluister het misdienaarsklokje
van de waterhoen en ga
voorbij, laat dit landschap zijn
vrede van gonzende horzels, wolk
van muggen boven de sloot
met het schone ga je om zoals
de schuwe dieren van het veld,
’s avonds wanneer de stilte
neerdaalt, het leven aanvangt
van de grote ogen, het versnelde
hart, het schichtige, snuiven en trillen
van haartjes aan oor en snuit
sluit je verbazing af, schuif dit boek
terzijde: spaar de verhalen van licht
en ritseling, de geheimen van haag
en weide, de zegels van ruis en nevel
hun lening aan de bomen, ontvang ze
met de rente van de droom
Rik Daems minister?
een Slangenkuil in De Morgen
knoop in de nevel


een knoop in de nevel
ze bewegen in nevel
plots tastbaar en harig
als noten: de hoofden verschuiven
hun sluier en spreken
we zijn bezig bij het raam
kuieren door de tuin, de bloemen
herhalen onze oudste naam
die alleen hun zaden kunnen weten
we bewegen in nevel
rangschikken onze dromen
in patronen van eeuwen
melkwit stroomt langzaam
voorbij een roos van opaal
de meeste tonen zijn bleek
zandtonen, kuilen waarin
gerechten stomen en hun
geuren dansen als geesten
één knoop in de nevel
een navel van slangen
die zich omhelzen
een voorspellend teken
uit de boomsluiers tuimelen
de sponzige vruchten van de droom
ze lijken wel hoofden en luister
wat zo’n hoofd soms vertelt
istanbul


prentkaarten uit Istanbul – Orhan Pamuk
beelden van een stad waar
een vrachtschip plompverloren
een woning binnenvaart:
één dode, de mooiste dochter
een olijfboom op een toren
en het bouwsel lijkt een stok
waaraan een hond een kluifje had
één van de duizend in de straten
verf bladdert en dwarrelt
een roetzwart haarroos
alsof de houten erkers zich
al eeuwen staan te krabben
nergens nog cipressen
waar de graven wegzakten,
botten versplinterden: muizen-
schedeltjes in een braakbal
stenen vreten stenen en huizen
zuigen huizen op en bij toeval
ontstaat een wonder: klimop
en rozen dringen door
in marmer en lood
de reiziger legt zijn waterverf, arceert
een schaduw: deze wereld duurt
een penseelstreek lang, maar
het penseel blijft zich herhalen
Het droeve lot van de Greta D’hondts.
In het commentaar van Bart Brinckman bij het aangekondigde afscheid van Greta D’hondt (zie De Standaard van zaterdag) staan twee beweringen die minstens aanvechtbaar zoniet erger zijn.
Halverwege zijn tekst betoogt Brinckman dat de toegenomen concurrentie tussen de media ‘de berichtgeving – ook op televisie – naar een hoger niveau (tilde)’.
Iedere kijker kan toch dagelijks vaststellen dat het journaal op Eén door de concurrentie met VTM steeds vaker beheerst wordt door sensatie, aangevuld met sentimentele anekdotes zonder enige informatieve relevantie. En wat is er nu te merken van ‘een hoger niveau’ aan de berichtgeving op VTM vergeleken bij de vroegere BRT?
De overmatige aandacht voor sensatie en sentimentaliteit is de weg kiezen van de minste weerstand. Om allerlei redenen – onze vermoeiende, stresserende levensstijl zal wellicht een van de belangrijkste zijn – houdt de massa weinig fut over om ’s avonds nog intellectuele inspanningen te leveren. Dit verklaart ook waarom De Standaard nooit de oplage van Het Nieuwsblad zal evenaren en De Morgen nooit die van Het Laatste Nieuws: inspelen op de intelligentie reduceert het potentiële publiek. We kunnen dit betreuren in een hoogtechnologische maatschappij maar het is een feit. (En tegelijk een uitdaging om er wat aan te doen, in het bijzonder door het leven wat minder stresserend te maken: als men tenminste van oordeel is dat een beter geïnformeerde, intellectueel beter ontwikkelde bevolking van belang is)
Ten tweede, Brinckman beëindigt zijn commentaar met het bekende dogma: ‘De media kunnen dat enkel vaststellen.’
We hebben deze stelling nog recent gelezen in een betoog van de chef-informatie van VTM: journalisten registreren, meer niet.
Dit is zelfbedrog en volksverlakkerij. De media máken ook het nieuws: zij selecteren, kennen aan het ene item meer aandacht toe (uitgedrukt in bladzijden of minuten) dan aan andere. Op die manier sturen zij de belangstelling van hun publiek. Waarom heeft het Vlaamse publiek nooit gereageerd op de massaslachtingen in Oost-Congo de voorbije tien jaren: omdat daarover nauwelijks berichten te vinden waren in de Vlaamse media.
Freya Vandenbossche is ontdekt vanwege haar sexy verschijning en pas áchteraf zijn de journalisten tot de vaststelling gekomen dat deze ‘babe’ ook hersenen heeft. Idem dito voor Inge Vervotte en Marino Keulen. De media gaan op zoek naar ‘looks and quotes’: niet omdat die relevant zijn maar omdat ze verkopen. Figuren zoals Greta D’hondt hebben noch het een noch het ander. Maar voor de werking van onze democratie zijn ze wellicht belangrijker dan een glamourboy of losbol zoals Vincent van Quickenborne. De zogenaamde ‘formats’ van de media – vooral van de televisiezenders- verengen de blik van de kijker en zij snijden de vleugels af van politici die meer tijd nodig hebben om hun standpunt uiteen te zetten. Als je telkens moet praten tegen de secondeteller in kom je moeilijk tot genuanceerde argumentatie.
De media zijn door de dictatuur van de ‘formats’ verantwoordelijk voor de opmars van slogans en simplismen. Zoals Luc Huyse terecht opmerkt in zijn opiniestuk ‘Verkiezingen in Niemandsland’ is een programma dat even de tijd neemt zoals ‘J’ai une question à vous poser’ (op TF1) bij ons niet mogelijk. Onze tv-zenders huiveren voor de zapcultuur: zij zijn bang dat de Vlaamse kijker zo mentaal gehandicapt is dat hij niet langer dan een half uur zijn aandacht bij hetzelfde onderwerp kan houden. En paradoxaal genoeg bevorderen ze daardoor het ‘volatiele’ kijk- en leesgedrag.
Politici zijn geen entertainers, politiek behoort een vak van ernst en toewijding te zijn: ook zogenaamde ‘dossiervreters’ verdienen respect en ruimte.


uit Van Toen en Thuis
(verwacht voor mei 2007)
als vader zong
als vader zong met zijn lage stem
gingen alle deuren open
moeder had geen schele hoofdpijn,
geen beklemming op haar borst
zij was weer eventjes jong
en zo te zien zelfs blij
met ‘Mama’ van Benjamino Gigli,
‘Op de Purperen Hei’
van Armand Preud’homme
en boven alles: ‘Liefde gaf u
Duizend Namen’ –
vader zong en moeder zei:
ga maar iets kopen
ja, er werd gezongen in die jaren
in het dorp in de Blauwe Zaal
uit het Land van de Glimlach
van Franz Léhar
en gefoefeld achter het zwoel decor
van Offenbach zijn troebele sprookjes
vader zong de zoete weemoed van Jo Ehrens,
een tableau van erika schoof de kamer in
want alle ramen stonden open:
‘doo geht nichts boven, so ist er maar ein’
alleen een half refrein, een begin
is je bijgebleven,
geen vervolg dan ‘que sera sera’
duisternis verzwolg
de lichtjes aan de Schelde,
de toren van Onze Lieve Vrouw
het was toen alsof we aan de voordeur
van de hemel belden en iemand zei:
‘kom binnen, het steekt hier niet zo nauw’

