Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Vervolg op het vorige bericht:
Hoe kan een lezer zich een oordeel vormen over een feit op basis van de informatie in zijn vertrouwde krant? Na De Standaard lees je De Morgen van dezelfde dag en wat zijn de verschillen?
Ten eerste wordt de dokter in DS bij naam genoemd, in DM slechts aangeduid bij haar initialen. In DS staat alleen dat besloten werd de patiënt ‘niet nodeloos aan de beademingsmachine te leggen’. DM spreekt van ‘twee injecties met een slaapmiddel en een spierverslappend middel’.
DM deelt mee dat ‘drie gerechtsdeskundigen in hun verslag oordeelden dat ze onzorgvuldig gehandeld had’ en dat na tegenexpertise diezelfde deskundigen tot het tegengestelde besluit kwamen. Hoe deskundig zijn deze deskundigen dan: je zal het maar meemaken dat jij over een minder gedreven advokaat beschikt die er niet aan denkt een tegenexpertise aan te vragen, en hoe kan een zogenaamde deskundige in een en dezelfde zaak zo verschillend oordelen? Het gaat tenslotte niet om een ordinair verkeersongeval.
In feite vormen deze twee berichten een ideaal studieobject voor studenten in de journalistiek en voor iedereen die zich met tekstanalyse bezig houdt – om nog te zwijgen over de morele en juridische aspecten van heel dit dossier.
In elk geval: hoe vaak worden de lezers van slechts één krant – ook in onze democratie - niet gemanipuleerd, nu eens de ene kant opgestuurd, dan weer een andere, zonder dat zij er zich bewust van zijn?Dokter is geen moordenares. ( zie De Standaard van 21 maart)
In Boom is een longspecialiste vrijgesproken die werd beschuldigd van moord op een terminale patiënt. In werkelijkheid had zij de kunstmatige beademing stop gezet. Om die reden zat zij 10 weken in de gevangenis. Alsof er een kans bestond dat zij het land zou willen ontvluchten of in herhaling zou vallen – wat te voorkomen zou zijn met een tijdelijke schorsing in afwachting van de uitspraak.
En dan maar klagen dat onze gevangenissen overbevolkt zijn.
Ten tweede, en dit is het meest delicate punt: alweer blijkt het te gaan om iemand die werd ‘verklikt’ door een collega. De vraag is wat deze collega heeft bewogen: gaat het om een daad van burgerzin of om iemand die zich geroepen voelde op te treden als lid van een zedenpolitie?
(Om nog te zwijgen over meer laagbijdegrondse motieven als afgunst)
Dit is het dilemma: enerzijds heeft een maatschappij nood aan burgers die hun verantwoordelijkheid opnemen, en anderzijds kunnen we alleen maar huiveren voor een mentaliteit die herinnert aan de Oost-Duitse Stasi of aan ons eigen oorlogsverleden.
ook de moraal is een kwestie van tijd – G. G. Márquez
de Homeros van Macondo
bezingt zijn droeve hoeren
zijn stem gaat over in een geur
een geur uit trieste huizen
van specie die brokkelt uit zilte lagen
het brosse van steengruis
verstorven papier
thuis was een winter
met plavuizen uit de oven
en geraniums in de zomer
die met hun poezelig muffe
een bromvlieg konden verdoven
een kamer bij de Blaarmeersen
waar de regen gutste door een koker
die als een haakse renbaan
onder je boeken liep, ze sierde
met schimmel op snee
een rijhuis aan de Leie
waar het stucwerk van de balken zakte
omdat de bewoner was gaan schaatsen
in een Elfstedentocht
’s avonds zag je de torens
in een oker condoom
en over het dode water lag de glans
van wie is bezocht en voldaan
het somberste van alle
stond bij een oorlogsbrug
aan de zoom van een dorp
met een Bourgondisch kwartier
het Huis van je Geesten
die je naam riepen op zolder
en toen je ging groeten
keek je in de groene ogen
van een opgejaagd dier
trieste huizen en zo graag
heb je daar bij wijle gewoond
woonde je daar nog vandaag
ze hadden iets van droeve hoeren
die een kwelling ruilden voor een plaag
hey Jude


uit Van Toen en Thuis
‘Hey Jude’ in jeugdclub Den Trap
slow down, show boat, zeven minuten: take a sad
song and make it better – schemerduister,
zeven minuten
lichten aan halverwege, beveelt de proost
met opgespeld en opspelend kruis - lichamen los,
lijven gaan door: een tong is een hagedis
in een druipsteengrot, proeft een regenboog
van algen, mineralen en zout
handen bezig als water in mergel, lenige
salamanders onder elastisch kroos -
licht uit, vloer buigt door, veert op:
een boot op kalme zee en toch de dreiging
van zinken, verdrinken
‘drink to me only with thine eyes,’
slist een dichter - ogen
gesloten, vingers met vliezen;
jenever én maatje, zo benevelt een tong
de onkuise zedenmeester aan het paneel
van licht en geluid beluistert
zijn kwebbelend liefje: ‘ mijne pee
op reis, heb het gat vrij’
don’t you know it takes a fool
schuifel op vier vierkante schoenmaat
in het schemerdonker dat rookt en stoomt,
tweemaal drie en een halve - minuten:
hagedissen die wegschieten
aarzelen onderweg - wie ademt nog
de eigen adem, wie wiegt al woordeloos:
naana nanaa
ogen wennen aan het licht - de deerne
daalt alvast de trap af zoals een hofdame
geheime treden, ziet hoe lakeien wijken
met schuim om de mond
haar koning drinkt en draait
het verzoekje van de koelste schone:
The Eve of Destruction
big brother en de doping


de verloren vader
-surgens non venit ad patrem –
stel je een heuvel voor
een wachttoren van een vader
nergens de schaduw van een zoon
die strompelt uit het tegenlicht
neervalt in het zand
geen kalf wordt geslacht
geen wijnvat geledigd
alleen de vader voelt
hoe nacht na nacht
een jakhals de pezen
van zijn beenderen vreet
een schorpioen gif spuit
in zijn trage aders
beeld je zijn rode ogen in
’s morgens, wanneer hij
wankelt langs de tafel
de bekers verschuift
de lege schalen
en buiten, hoog op zijn heuvel
ontwortelt hij de bomen
aan de overkant, ze strompelen
uit het tegenlicht, hun armen
slaan als vleugels open, hun ruisen
voert hem nader: de verre
klanken van zijn naam
weg met de nieuwe verzuiling of met de oude?
Mieke Vogels (zie De Morgen van zaterdag) hekelt de clausule die CD&V liet toevoegen aan het decreet op de ‘evenredige arbeidsparticipatie’. Alleen valt te vrezen dat ze vecht tegen de bierkaai.
Reeds 20-25 jaar geleden onderschreef de christelijke vakbond de ‘specificiteitsverklaring’ van de Guimardstraat waarin stond dat een personeelslid loyaal moest meewerken aan het eigen pedagogisch project en ook in zijn privéleven de christelijke waarden moest naleven. Later werd dit onder druk van diezelfde vakbond afgezwakt tot: ‘voor zover het privéleven invloed heeft op het functioneren binnen de instelling’.
Ook van de leerlingen en hun ouders wordt een vergelijkbaar engagement gevraagd: zij moeten het schoolreglement ondertekenen en goedkeuren waarin dat christelijke opvoedingsproject expliciet staat vermeld.
Nochtans heeft een enquête op initiatief van de Guimardstraat zelf uitgewezen dat slechts 15% van de ouders kiest voor het katholiek onderwijs omdat het katholiek is, 85% doet dat om redenen zoals de hogere onderwijskwaliteit, de discipline, de bereikbaarheid etc
Iedereen weet dat het in hoofdzaak om een façade gaat: achter de gevel van het christelijk engagement leven de meest uiteenlopende levensbeschouwingen en overtuigingen.
Marc Eyskens sprak reeds vaak over ‘de schone deugd van de katholieke hypocrisie’.
Het heikele punt is echter dat je maar zal te maken krijgen met een inrichtende macht en directie die dit voorschrift hanteren als een drukkingmiddel.
Op onze school was het voor gescheiden collega’s onder een bepaalde directeur verboden om met een nieuwe partner naar het personeelsfeest te komen – merk het parallellisme met de recente ‘bulle’ van de Duitse paus.
Jonge leerkrachten werden onderworpen aan een kruisverhoor over hun privéleven en hun al dan niet ongehuwd samenwonen. Gescheiden leerkrachten kregen op vergaderingen allerlei intimiderende opmerkingen te horen.
Een kinesist vertelt dat hij tijdens een sollicitatiegesprek in een christelijke gezondheidsinstelling door moederoverste werd uitgehoord over zijn kerkbezoek, maar geen enkele vraag kreeg over zijn kwalificaties. Een therapeute kreeg na de geboorte van haar kind de dreigende vraag voorgeschoteld waarom dat kind na ruim een maand nog niet gedoopt was.
Het hopeloze van de hele zaak is juist die gespletenheid of hypocrisie: vrijwel iedereen speelt het spelletje mee, houdt de façade overeind en zondigt in het donker. Nogmaals: dit gebeurt niet in alle scholen noch in alle gezondheidsinstellingen, maar het feit dat het statutair mogelijk is, blijkt voor een aantal lokale potentaten voldoende om er met machtswellust gebruik van te maken. En dat is de kern van de zaak: het gaat om macht , dat is de enige reden waarom het CD&V op deze clausule heeft aangedrongen.
uit Overschotjes
stay with me – Lemon
kon je wel dichter komen
ten slotte was er nog weinig
verbeelding nodig
om te zien wat mocht zijn
je zal mogelijk blijven
zoals een reis
waarover men zoveel heeft gelezen
dat men ze niet meer onderneemt
meer nabij kon je niet naderen
men moet uiteindelijk spaarzaam zijn
met omzien en verlaten
het is de verwachting
die van ons vogels maakt
de warmtestroming
die ons moeiteloos draagt
en een landschap toont
dat geen vorst zal overschouwen
kom niet nader
ik wil je verwachten
en niet je berouwen
blijf zo’n dal
verborgen onder verblekende nachten
word geen ander die ik verlaten zal


uit Van Toen en Thuis
het zigeunerkamp
wie waren ze, de bewoners
van die landtong, den Dullaard, met zijn bos
en struikgewas, die de pijlpunt van zijn tong
uitstak en de spot dreef met het dorp
je kwam er langs telkens als je de brug
over moest naar je vrome school, vroeg
je af vanwaar ze kwamen de microben
op die tong
er stond een woonwagen, twee misschien, meer
was daar onmogelijk – je zag de kinderen
in het zand met het blote bewijs
van motten, hun huid van honing en olijven
te weinig weet je, en ze houden je bezig,
de jonge meisjes zonder ondergoed, de jongens
met dolken in hun zwarte ogen – de bomen,
het kreupelhout stonden als messenwerpers
in hun rug – wie zou het wagen om van het dorp
over te steken naar de spie van hun kolonie?
kwamen ze naar beneden van de
Calvariebergstraat als scharensliep en
handenlezers? hoe diep je ook
in de zandhoop van je geheugen wroet:
je ziet slechts vaag de brede vrouwen
in veel te wijde bonte kleren, klauterende
kinderen in een mottenhemd
soms waren de Pfaffs erbij de voorouders
van één van onze goden, ze deden aankopen
in de Mandenmakersstraat - blijvend
houden zij jou bezig want zelf ben je
een zigeuner onderweg met een bos
van stemmen in je rug en je weet niet
of ze naderen met een mes of met een kuch
zwerfhond


zwerfhond
bedenk nu de goden
van het mededogen
wees leerling en tovenaar
wijs de meesters aan
die jou onderwijzen
vertraag nu, luidt hun
eerste les, ga langzamer
om met mensen en dagen
schort je oordeel op
tot het een heimwee wordt
een geur uit een raam
die herinnert aan een moeder
tover met je woorden
de milde goden, hun trage
blik, de klei aan hun vingers:
hoe langzaam zij omgaan
met wingerds en bomen, namen
proeven als een oude wijn
boetseer nu mee, een meester
in het mededogen maakt hoeken
rond, randen stomp en glanzend
kom mee dan als een gastheer
de droom tegemoet, de zwerfhond
op je stoep: hij ligt er sinds jaren
en hoor hem eens hijgen, voel je
de god in zijn staren?
uit Van Toen en Thuis
een hamertje
het was maar een hamertje
met kersenhouten steel
en op een nacht in de stad
was je weer vergeten de deur
van je wagen af te sluiten
en heel de alaambak verdween
samen met het hamertje
van zwart staal en kersenhout
het hoorde in het rekje dat vader
had getimmerd bij zijn werkbank:
boven de schroefklem en de littekens
van hakken en klieven en de lievere
sporen van schaven en polijsten –
de kleine dromen die een werkmens
soms toonbaar maakt
het was maar een hamertje
dat hoorde bij een stal
bij de smalte van een venster
en een baksteen die ontbrak:
een oog in de muur dat jou
voortdurend beloerde
want ook jij wou wat maken:
een wagen die nooit rolde,
een voetbaltafel met baren
die stroef draaiden
verdraai maar de feiten
doch nooit de waarheid:
het was maar een hamertje
van donker paarsrood kersenhout
en wat je ook droomde daar
en toen in die stal, je wist al
van tevoren: zonder vader
gaat het fout
lessen uit de geschiedenis
guy tegenbos in de standaard
kennis in het onderwijs
tell me


uit Van Toen en Thuis
tell me – The Rolling Stones
- voor Lieve, de waterlelie -
we zaten in een wagen
met je broer, mijn gabber
en je vroeg: waarom
waarom jouw pirouettes
als ik de spil niet ben
jouw polonaise rondom
en niet aan mijn lijf
je woorden zijn warme lucht
en ik stijg als een vlieger
van zijdepapier, dan kijk je
weg en ik tuimel in je zwijgen
waarom, vroeg je, in het donker
van die wagen en ik waagde
het niet: jouw gezicht
een ovaal van ivoor en rozen
een borstje tegen mijn arm
een sponsje dat de lei wou
vegen van al mijn zonden
we reden naar een bowling
en wie won die avond:
we waren een onklopbaar
paar en verslagen zat ik
naast je in de vallei
van de Durme, een nevel
om ons heen, weerom
een zwijgen, je lichaam
dat vroeg: waarom?
uit Van Toen en Thuis
de vrouwen van de straat
de straat was arm maar proper
de vrouwen werkten niet
ze waren bezig
nog vóór het licht werd
- na de zomer - om de kachel
op te poken, het pompwater te koken
voor de koffie
daarna werd een man gewekt
en gingen zij weer slapen
daarna een zoon en later nóg een kind
zij bleven op bij het derde kraaien
want de dagen wachtten niet,
de scharrelkippen met hun zoele klachten,
de wasdraad na het kloppen en het roeren
met een bleke bezemsteel: het schuim
en blauwsel in een zinken tobbe
dan een strijkbout die in de oven stond
van de Leuvense stoof
want ze waren proper
je kon eten van hun vloer
van de plavuizen buiten
na het schuren van de koer op vrijdag
terwijl ze dachten aan een plankje,
een boeman van papier
in de winkel van het straatje,
een donker rijhuis waar je niet eens
je kont kon draaien
bleef er over van de markt
op zaterdag? dat moest wel,
alleen bij ziekte
ging je over de schreef -
het negertje knikte
en ze zongen soms
bij het keren van het koertje, het zemen
van de ramen wanneer Bob Benny galmde
tussen het ruisen
van het bakelieten bakje
ze lachten soms
om de piepstem van Will Ferdy,
ze lachten en hun ogen traanden –
ze dipten hun vingers in een porseleinen
of tinnen vaatje, herschikten het gewijde takje
en sloegen een kruis
en ’s zomers zaten ze in de vroege avond
samen voor de kapel op de hoek
waar kaarsjes brandden, een beeldje glom
van een moeder, een huisvrouw, een Eva
die ze nooit zouden evenaren
in vlijt
in deemoed
in kuisheid van gemoed
in heiligheid
want zij werkten niet
ze waren bezig, vulden hun tijd
de islam in De Standaard


uit Van Toen en Thuis
ga maar, laat maar
het schone ga je voorbij: de roze
waterlelies die drijven op omheinde
vijvers, het paarse van kattenstaart
en monnikskap, een reeds gele
treurwilg in de vroege zomer
alsof zijn eiland van amper
een zakdoek een nachtlampje
is van art nouveau
ga voorbij, vermijd de dazen,
de damp van methaan alsof
de duivel hier al zijn winden
laat, zijn vele magen ledigt
volg de vlucht van een libel
in het laatste schijnsel
beluister het misdienaarsklokje
van de waterhoen en ga
voorbij, laat dit landschap zijn
vrede van gonzende horzels, wolk
van muggen boven de sloot
met het schone ga je om zoals
de schuwe dieren van het veld,
’s avonds wanneer de stilte
neerdaalt, het leven aanvangt
van de grote ogen, het versnelde
hart, het schichtige, snuiven en trillen
van haartjes aan oor en snuit
sluit je verbazing af, schuif dit boek
terzijde: spaar de verhalen van licht
en ritseling, de geheimen van haag
en weide, de zegels van ruis en nevel
hun lening aan de bomen, ontvang ze
met de rente van de droom

