Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Els de Temmerman
de zee


mater et magistra
de zee is gelukkig. ze valt aan land
en loopt in eigen schoot terug. ongebroken.
zij werft niet en geen weigering kan haar verstoren.
de zee is gezond. zij weet van bewegen
het lenig en menigvuldig vertoon,
het enkelvoudig bestaan en evenwicht.
de zee is heel soepel. de maan heft haar
en legt haar op een muziek van meeuwen en mist.
de vezels, verzinsels der volledigheid
zijn haar louter water en zout.
ik ben licht, zegt ze, het luchtigste zand
kan mij dragen. zij draagt het zaad van alle
zwarigheid in d’r losse meisjesharen.
kom, zingt ze, zwel en ik zal je verzwelgen.
kom, zingt ze en wiegt, en wacht.
potig discours
Kunnen de verkiezingsuitslagen in Frankrijk een les zijn voor de campagne van de Belgische partijen en in het bijzonder de Vlaamse?
Volgens een commentaar in De Standaard wel: die krant schrijft de nederlaag van Le Pen toe aan 'het potig discours' van Sarkozy - lees de straffe uitspraken van Sarkozy over de banlieus: 'ik ga u van dat gespuis verlossen'.
Wie het nieuws uit Frankrijk heeft gevolgd zal inzien dat de meerderheid van de Fransen vooral geen herhaling wou van 2002: Le Pen in de tweede ronde en schaamte alom.
De potige taal van Sarkozy betekent voor Vlaanderen natuurlijk 'het verhaal van rechten en plichten' dat CD&V wil brengen, meer bepaald hun aanval op justitie in het algemeen en ons gevangeniswezen in het bijzonder.
Mochten de campagneleiders van CD&V enige eerlijkheid aan de dag leggen dan zouden zij toegeven dat de problemen in dat domein het gevolg zijn van tientallen jaren verwaarlozing, ook door hun eigen partij.
Daaruit volgt dat Renaat Landuyt voor één keer gelijk heeft: dit probleem moet over de partijgrenzen heen worden opgelost, het is te ernstig om er een partijpolitiek spelletje van te maken.
Ten tweede is de nadruk die door CD&V propagandisten - denk aan Tony van Parys - wordt gelegd op de onveiligheidsgevoelens bij de bevolking een zeer gevaarlijk manoeuvre: hoe meer je praat over onveiligheidsgevoelens, hoe meer deze gevoelens toenemen. In het Engels noemt men dit: 'a selffulfilling prophecy'. En dan hebben Dewinter en co wellicht gelijk: 'de mensen verkiezen het origineel boven de namaak'.
Angstige mensen luisteren niet meer naar een genuanceerd betoog, zij willen harde maatregelen.
Inspelen op angsten is het basiskenmerk van alle demagogen en misdadige regimes. Een waardige politieke campagne geeft het publiek vertrouwen, zegt in alle rust waar de problemen zijn en hoe men tot een oplossing kan komen. En voegt er in alle bescheidenheid aan toe dat men als politicus niet alle problemen kan oplossen. Er zijn machten die sterker zijn op economisch vlak - denk aan de 'herstructureringen' wat een eufemisme is voor massaal ontslag - en op sociaal vlak: ieder van ons is als opvoeder en burger medeverantwoordelijk, de staat kan niet op elke straathoek een gewapende agent plaatsen. Het volk beliegen kan ook betekenen jezelf sterker voordoen dan je bent, en omgekeerd beliegt en bedriegt het volk zichzelf door de eigen verantwoordelijkheid te ontkennen.
vijf jaar

vijf jaar Groene Gordel FrontTot mijn schande moet ik bekennen dat ik gisteren pas voor de eerste keer door het Brugse Lappersfortbos heb gelopen en dan nog omdat het mijn beurt was om er gedichten voor te lezen. De foto's van Sabine Luypaert volgen.
Je wordt er getroffen door de rust, de lachende gezichten van kinderen, de majesteit van een forse beuk. En je vraagt je af waarom het Brugse stadsbestuur hier wandelpaden heeft ingehuldigd, voorzien van de bekende bordjes met informatie over fauna en flora, als ze toch het bos minstens gedeeltelijk willen omleggen ten voordele van de firma Bombardier en een bijkomende ontsluitingsweg. Bombardier kwam vorige week nog in het nieuws vanwege een staking: de 550 werknemers vrezen dat hun bazen of aandeelhouders het bedrijf willen overbrengen naar Oost-Europa. Kan het kappen van een bos de werkgelegenheid garanderen? Moet er telkens weer die tegenstelling gemaakt worden: ofwel natuur ofwel economie en tewerkstelling?
Karel van de Woestijne schreef: 'Vlaanderen o welig huis, waar we zijn als genoden aan rijke tafelen...'
Wat ben je met overvloedige feestmalen wanneer je aan tafel zit met een gasmasker voor je mond?
Brugge is een centrum van toerisme, kleinhandel en onderwijs: vaak zie je de auto's en autobussen er bumper aan bumper aanschuiven. Kan zo'n agglomeratie het zich veroorloven om zo onverschillig om te springen met de laatste restjes groene zone?
Brugge kunnen we beschouwen als een model voor onze economie, al is de belangrijkste bedrijvigheid daar het toerisme: nog altijd geloven onze politieke leiders en investeerders dat er geen grenzen zijn aan de groei.
Brugge ontvangt jaarlijks ongeveer een miljoen toeristen, maar blijkbaar is dit nog niet genoeg - of de Bruggelingen zelf nu weggedrukt worden, vaak letterlijk, door de toeloop of niet. Reeds in 1967 of 68 (?) publiceerde de zogenaamde Club van Rome haar rapport: 'Grenzen aan de groei'. Het waren geen tuinkabouters of geitenwollensokken anarchisten, maar gespecialiseerde professoren. Maar om het denken, de attitudes en het dagelijkse gedrag te veranderen zijn er rampen nodig: je zou bijna gaan bidden tot de duivel.
jongensboek
jongensboek
de dag richt zich op als een boom
je kon een kijkhut bouwen
over de vlakte turen, stofwolken
lezen als een volleerde indiaan
misschien stormen de woorden aan
een kudde waar je een winter van kan leven
misschien de donderroede van een trapper
die je bladeren schudt en je voorgoed
verzoent met het zwijgen
je adem beslaat de glazen bladen
van een boek van vroeger:
versta de wolken, hun wollig schrift
dat uitwaaiert boven de daken
deze dag staat opgericht
als een vinger op de mond
van een dode moeder die geluidloos
strijkend om het strijdperk
van je helden stond
wen je ogen aan dit ochtendlicht
aan de kaft van schaduw
waar het haar naam
heeft in gegrift
naief?
Deze jongen is een van de goedgelovigen geweest die de oproep van Yves Leterme in De Standaard om ideeën op te sturen over de samenlevingsproblemen heeft beantwoord. In de illusie dat de minister-president het oprecht meende.
Bij het aantreden van zijn Vlaamse regering vroeg Leterme dat al zijn ministers 'de rit tot het einde zouden uitdoen'. De voorbije maanden houdt hij Vlaanderen en de rest van België in spanning: doet hij het of doet hij het niet.
Daar komt nu bovenop dat hij en de andere bonzen van zijn partij hebben beslist om minister van welzijn, Inge Vervotte, uit te spelen als joker bij de federale verkiezingen in de provincie Antwerpen. Het smoesje wordt door Bart Brinckman in De Standaard terecht een ouderwetse jezuïetenstreek genoemd: Vervotte zou moeten wegen op de komende communautaire onderhandelingen terwijl iedereen weet dat deze gewezen syndicaliste zich nooit eerder met communautaire stammentwisten heeft bezig gehouden.
Met minister Vervotte heb ik een aantal keren kunnen corresponderen wat mijn indruk bevestigde dat zij ernstig met haar vak bezig was. Nu laat zij haar departement in de steek om zich te laten misbruiken als pion op het partijpolitieke schaakbord. Tegen de tijd dat haar opvolger of opvolgster zich heeft ingewerkt zijn de wachtlijsten nog wat langer geworden en zit de termijn van de huidige Vlaamse regering er ongeveer op.
Isdit een voorbeeld van 'goed bestuur voor de mensen'?
Sommige politici slagen met grootste onderscheiding in het ondermijnen van hun eigen geloofwaardigheid.
Mirabrug


uit Van Toen en Thuis
Mira(ge)brug
je weet nog hoe ze was:
roest karkas, rottende knoken
een uitgestoken hand
maar de arm gebroken
geknakt , een zeverende pee
scheefgezakt, klak op half twee
vergeten hoe de vogels zongen
en de gaten in het vlechtwerk
zijn de vlekken op zijn longen
maar ze ligt er weer
gelijk een vrouw van weelde
die haar warmte optilt
en zingt: kom, wanneer je maar wil,
kom, ik vervoer je, breng je over
boven het zilver van de rivier
buren zijn opnieuw buren, lopen in en
uit, wielen draaien een zilveren molen
een bel rinkelt als een meisjeslach
metaal tintelt gelijk jong bloed
de Durme kronkelt van plezier
in benen die weer over lopen
de brug zingt van vervoering: kom,
ik voer je naar een gedroomde overkant
rite II


rite de passage II
nog zie je na jaren
de dierlijke plooi
op de hoogste trede
naar een tobogan
woorden later buiten
het voorjaarsduister
zal ze zal je alsof alle
vogels van de nacht
de hostie breken
van de maan
zoals een ver weg huilen
is ze, geritsel van regen
in een wuivend bladerdak
dierlijk, zegt men, maar
geen rite ruist zo heilig
aanwezig de geest die
in neusgaten van dode
aarde blaast, en zie:
de siddering, leem
dat ademt
nog beef je, beleef je
dit ontstaan, en wie
wekt op tot leven: man,
meisje, nu ze de hostie
delen van de maan
ecce homo


ecce homo
- bij een vernissage van Joris van Opstal –
kunst is verzwijgen, zeggen:
zie de mens in het maaksel
lees zijn geschiedenis
in dit nauwelijks spreken
het wijst met geheime
en tastbare handen
waar hij vandaan komt
langs wat voor weg
het herbergt relieken
in een schrijn, soms niet
om aan te zien tenzij
met bloedende ogen:
zie het bot van een bloeiende
vrouw, de kramp in vingers
tot op het bot ontbloot
lees en herschrijf deze geschiedenis
in haar schuwe taal van bijna
zwijgen: neem in je mond het zand
van de akker des doods, het zaad
in deze bittere aarde – er is geen
kunst dan wat moeizaam
opstaat uit dit miasma
van ontbinding
zie jezelf in het maaksel,
de vinding, vreemde die je bent,
de gezichten die je hebt getoond
in een vergeten droom
rouw om de geschiedenis
van de mens, de jouwe,
raad de verborgene
op de bodem van de slaap
kunst is slaapwandelen
in de jubel van raadsel en rouw,
doen wat een ander slechts droomt,
nog een ander in jou
ode aan Blanpain
ode aan Roger Blanpain
kom, neem de hoorn maar op,
geef je vader aan: hij zit
te roken op de sofa en
lazarus dat ook, ja
geef je moeder aan, waar
hangt die weer uit, bij welke
vreemde maakt ze haar
vreemd geluid
geef jezelf maar aan, je hebt
het weer gedaan, je was
nog eens onkuis in gemoed
duivelse beelden op je buis
je weet toch waar het heen
moet: de Heer wacht op
de zuiveren van hart
de zuiveren van long en laken
geef je vader aan, hij bedong
alweer een prijs die niet
op zijn facturen staat
geef je zuster aan, die
wiebelkont op straat met
een piercing in haar poes
geef je broer maar aan, die
snoeshaan fokt zijn brommer op
kom op, zeg het in de hoorn:
het is hier zonde alle dagen
de muziek zo luid dat niemand
nog de worm hoort knagen
kom, zuiver je ziel en lichaam
geef ze aan, geef je aan
rookverbod thuis
Blanpain denkt zelfs aan een kliklijn voor kinderen om hun rokende ouders aan te geven.
Ik beklaag nu al de kinderen die vanwege gezondheidsfundamentalisten als Blanpain nooit zulke ervaringen van gezelligheid zullen meemaken.


op weg naar Murcia
een vertelling over Spanje
en het streepje keert weer:
een garendraad asfalt
aan de naald van Murcia
de vlakte rondom, geen boom,
geen grens – voor ons:
de heuvelkam, een palissade
om de Costa, al wat paars
en oudroze wordt ’s avonds,
smaragd en karmozijn
jij, in je blote jurk
van tanend lila, op je schoot
dat gammel apparaat met
de mondharmonica uit
Once Upon a Time
vertel het niet voort
hoe de weg zich oprolde
als een draad om een klos
de dronken zigeuner
bij de tapas, de kamer boven
waar we vreesden voor zijn mes
en jouw lichaam op het laken
geen boom, geen grens
alleen een mondmuziekje
alsof het schreeuwt om een vader
Dyaab Abou Jahjah
ribes


ribes en watermunt
zegen de tuinen
waar ribes bloeit
Japanse kerselaar
je bent weer een kind, een hond
op twee poten, duw je neus
in een tros, je hoofd in je nek,
tol om je as, draai met de aarde
kom naar je land, volg
de verborgen rivier
onder halmen van zegge:
zeg zijn versjes op, doubletten
in paars - bitterzoet, watermunt
zegen de aarde nu je nog
ogen hebt, een spons van een neus:
wees gulzig, geduldig
blijf staan tussen schietwilg en lis, laat
de uren aan de uren, vertoef en zegen
de zintuigen van het dier, roem
zijn orgaan dat namen bedacht:
bitterzoet, watermunt, sluimer van een
verborgen rivier, zegge en ginds
in de zomen van het dorp: ribes
alsof een ongenaakbare dame de fiolen
open liet van haar paradijselijk parfum
aan zichzelf te danken?
Met veel van wat Fleur Jurgens, auteur van Het Marokkanendrama, in De Morgen van maandag verklaart kan ik akkoord gaan.
Minder met haar boude bewering: ‘Er is nog nooit een causaal verband aangetoond tussen opgroeien in een kansarm gezin en terechtkomen in de criminaliteit.’ Al sedert de deterministen eind 19e eeuw – denk aan de Italiaan Lombroso – bestaan er voldoende sociologische studies die het omgekeerde vaststellen.
Het spreekt dat de deterministische visie achterhaald is: kansarmoede hoeft niet noodzakelijkerwijze tot mislukking in de maatschappij te leiden en er zijn nogal wat verwende rijkeluiskinderen die ontsporen, maar de problemen afdoen als een zaak van mentaliteit of cultuurverschillen gaat zeer kort door de bocht: trouwens die verschillen doen zich niet voor op een eiland maar wel in interactie met de sociaal-economische feiten.
Recent onderzoek wees uit dat 46 % van de ‘nieuwe Belgen’ (om dit eufemisme eens te gebruiken) beneden de Europese armoedegrens leeft: voor de kinderen uit deze gezinnen is ons consumptieparadijs één grote etalage met onbereikbare luxe. In de psychologie noemt men dit: een Tantaluskwelling – denk aan de hangjongeren in de Brusselse winkelcentra.
Mag ik als zoon van een fabrieksarbeider uit eigen ervaring spreken? Om te beginnen is er het elementaire niveau van huisvesting en accommodatie: om te slagen in studies heb je een eigen ruimte nodig, met rust en verwarming. Binnen het huisgezin heb je behoefte aan stimulantia: boeken, naslagwerken, internet. In het algemeen zijn er al de beperkingen door het inkomen. En buiten is er de invloed van de ‘peer group’: probeer het maar eens vol te houden als er onder je leeftijdsgenoten weinig voorbeelden te vinden zijn van schoolsucces maar omgekeerd wel van een ‘geslaagde’ criminele carrière.
Fleur Jurgens heeft gelijk als ze de ouders op hun verantwoordelijkheid wil wijzen, maar dreigen met sancties heeft pas zin wanneer je als overheid en maatschappij in eer en geweten kunt zeggen dat je er alles aan gedaan hebt om deze mensen kansen te geven.
En daar schort het bij landgenoten van vreemde origine in ernstige mate aan: inburgeren zou een begeleiding moeten omvatten, in het bijzonder van de moeders die in een voor hen volslagen vreemd milieu terecht komen. En je moet toch stekeblind zijn om niet in te zien dat langdurig werkloze vaders in een machocultuur hun natuurlijk gezag verliezen.
Jonge Marokkaanse en autochtone macho’s moeten op hun eigen verantwoordelijkheid worden gewezen en zonodig ernstig gesanctioneerd. Maar de overheid kan zich niet gedragen als een dolgedraaide scheidsrechter die met gele en rode kaarten staat te zwaaien, en zelf de basisregels van het spel – werkgelegenheid, begeleiding en non-discriminatie - aan zijn laars lapt.
soms de boten


uit Van Toen en Thuis
soms de boten over de Durme
soms de boten ’s avonds op de Durme
schoven hun trombones con sordino
ze hadden ten hoogste twee noten
op hun zang, genoeg om genadig in te slapen
liefst nog bij het pizzicato
van jonge regen op de schuine veranda
een wasbordgeluid - je dacht er de bass bij
van een skifflegroep
zoals onze Worried Potatoes Digging
Jazz Band met Tsjebo als zanger-animator
je zag dan steeds zijn oren als teljoren
en zijn brede negerlippen die schaterden:
hij bracht Jantje en de Pruimen
in de pifpoefpaftaal van John Wain
en hoe heette het groepje weer
van Pol van Geert en Engelbeen
met een drummer die zijn stokjes
had gebroken, een zoon van de Peperbus
ze traden op in de Petrus-en-Pauluskerk
na het concilie toen de oude gewaden
leken afgelegd, en de vermolmde onderpastoor
van de deken zijn mond moest houden
over de Durme gleden de boten
je hoorde ze trompen ’s nachts
en regen trippelde dripdrip
met drumsticks over de veranda
onverwachts kwamen de woorden
met hun triangel, hun borstels op een
trommelvel die soms je leven veranderden
als een gewicht van steen in water: ze stroomden
door de trage bochten van een gedicht
gringo
gringo in Nicaragua
Kijkend naar een quizprogramma ben je plots in Nicaragua, nabij de Mayastad Masaya: in een zandstraatje dat afdaalt naar een van de meren, komt een oude magere man naar je toe. Hij vraagt in het Spaans hoe laat het is. Je toont hem je polshorloge omdat je niet direct de juiste woorden vindt. Hij mompelt, neen hij schreeuwt bijna: 'Thank you, sir...'
Het laatste wat je daar op dat moment wil zijn is een Yankee, maar pas wanneer je weer in België bent, begrijp je het: die man had nooit het uur leren lezen, zoals er toen nog zoveel analfabeten rondliepen in Midden-Amerika.
En de schaamte roept nog meer beelden op van vier weken rondzwerven in een land dat jou overvalt met zijn fascinerende vreemdheid, mensen die willen praten maar jouw Spaans is zo onbeholpen dat het niet lukt. Op een feestdag in de hoofdstad Managua zwierf je rond in je short want je jeans was je kwijt geraakt. De leiders van je groep hadden nochtans verwittigd: laat geen broek aan een wasdraad hangen of 's anderendaags is die verdwenen; een broek betekent een maandloon voor die mensen.
Een short dragen mocht evenmin, in die machocultuur was je meteen een homo, een soortdragqueen als je blote knieën liet zien. Je liep een kerk binnen in een buitenwijk, tussen heuveltjes afval en onkruid. Volk stroomde van alle kanten toe, uitgedost als deelnemers aan een karnaval. In de kerk gaven moeders hun baby de borst, kleuters liepen joelend tussen de banken, achteraan zaten toneelspelers in bonte kostuums een scene uit het leven van de patroonheilige te repeteren - in de processie op een draagberrie: een levensgroot beeld in snoepkleuren omhangen met medaillons en bloemslingers: was het Sint Jozef, Paulus of Jacobus die als een veelvuldig gedecoreerde generaal aan wal kwam in Hawaï? -, een dronken vagebond sliep zijn roes uit, een priester liep rond met een brede glimlach: dit was Breughel in Nicaragua, een boerenkermis midden in een kerk.
Buiten kwam je terecht in het binnenste raster van het grote wafelijzer dat Managua is: vierkantjes in vierkantjes, de grote dikke lijnen asfalt met kuilen, de dunne bleke streepjes: stof, bultig zand dat bij elke stortregen een modderbeek werd, soms gutsend en gorgelend als een bergrivier. De favela bestond uit de bekende krotten: hokjes van golfplaat, planken van pakkisten, palen van een bouwwerf of uit een schutting gebroken. Een veertiger staart je aan, een van de vele werkloze vaders. Hij staat in zijn deur: een donkere opening tussen twee staken, als er al een deur is, dan doet ze denken aan een staldeur op een vervallen boerderij. Zijn ogen zijn zwarte spleten, zijn mond haaks als een kram.
Hij staart de gringo aan die zich volzuigt met beelden, die denkt dat hij zich bescheiden gedraagt maar voortdurend deze mensen beledigt met zijn voor hen onbetaalbare kleren, zijn fototoestel, zijn gulzige blik van verzamelaar.
Leg het niet uit aan deze werkloze dat je uit België komt, uit Europa: je bent een gringo en alle gringo's zijn Yankees, binnendringers, saboteurs, dieven en moordenaars. Zijn mond is nog de enige guerrilla waartoe hij in staat is: hij verdrijft deze gringo met schaamte. Je kijkt om je heen naar de vuilnisbelten, de halfnaakte peuters, de schurftige honden: Yankee uit dat verre, onbekende België, met welk recht loop jij hier rond?
wijding


wijding aan de Schelde
er was een wijding mee
gemoeid, de boten verschoven
in kralen voorbij de baken van het veer
voorbij de witte zandplaat aan
de monding van de zijrivier
zoals een rozenkrans glijdt
door de vingers van een goedige
grootmoeder of zonovergoten
in de windluwte op Djerba:
een magere moslim
ingedommeld over een bidsnoer
zie je: de deken van zandkleur
en kaneel, geen mantel, alleen
een teint van verbrande aarde
er komt een wijding om je hoofd
wanneer je terugkeert lopend
door een duinenbos, de wereld
afreist, een verleden
dennen ruisen om de kaalte,
water met brede golfslag terwijl
de Schelde zwelt, levervlekken
van schaduw wanneer zij
afdaalt in kalmte
wijding was een mijmeren
over een vrouw aan boord,
een kinderwagen, de stroom
die lispelt, met smakkende
lippen komt likken aan basalt
dagenlang verwijlen aan
een oever, de zwier van populieren:
dag aan dag keert het weer
telkens uit een verdorde zeeden
een kegel woorden valt
de Zoo en zo

de Zoo en zoVandaag en de voorbije week kon je, kan je in De Morgen lezersbrieven en opiniestukken lezen die het opsluiten van dieren in een zoo aanklagen.
Dieren worden neurotisch in een kooi, hun natuurlijke instinct wordt gefrustreerd.
Dat zal wel waar zijn. Maar verbied dan ook de volières met bonte zangvogels, de aquariums met exotische vissen, de leiband voor honden, het castreren van krolse katers etc etc
Heeft een zoo enige zin of vervang je hem beter door de schitterende documentaires die op allerlei tv-zenders zijn te zien? Misschien wel, maar is het om het even of je een dier op een scherm ziet dan in levende lijve?
Mogen kinderen ook ondervinden dat dieren een geur hebben?
Ten gronde is er enkel een gradueel geen fundamenteel verschil met de menselijke situatie.
Ook bij mensen wordt het natuurlijk instinct voortdurend gefrustreerd: wij kunnen niet elke keer onze seksuele en agressieve impulsen afreageren, in feite zitten ook wij in een glazen kooi, al bevindt die kooi zich in ons hoofd.
Dieren alleen leren kennen via beeldschermen doet denken aan de science-fiction in het laatste boek van Michel Houellebecq, Platform, waar mensen door de tijd heen met elkaar communiceren via beeldbuizen - fysiek contact is er niet en precies daaruit wil het hoofdpersonage ontsnappen met de dramatische, nogal onwaarschijnlijke afloop als gevolg - het zwakste deel van dit boek.
Een lezer schrijft terecht dat de menselijke intelligentie impliceert dat de mens verantwoordelijkheid draagt voor het welzijn van de dieren. De vraag is echter hoever je daarin moet gaan: kan je heel emotioneel doen over apen in een zoo en daarna een hamburgertent binnenstappen en zonder enig gewetensprobleem een fijngemalen beest opeten?
Kun je betogen voor bedreigde diersoorten en medicamenten slikken die het resultaat zijn van proeven met dieren?
Is de kern van alle moreel gedrag niet het vermijden van opzettelijk en nodeloos lijden en , omgekeerd, het bevorderen van welzijn of levensgeluk. En dan is het nog maar de vraag of een dier in een zoo liever wordt opgepeuzeld door een sterker of sneller roofdier dan wel de onvrije veiligheid van de kooi prefereert. Wat verkiezen wij zelf: de onvrije zekerheid van een vaste relatie of de levenslange jachtvelden van de ongebonden intimiteit? Willen wij een job of een vaste job, een inkomen of een vast inkomen, een steeds weer anders huurhuis of een eigen stek?
Men zal opwerpen dat het verschil zit in de keuzevrijheid: opgesloten dieren hebben nooit de keuze gekregen, maar is het niet precies die keuzevrijheid die het menselijk leven zo lastig maakt? Hoeveel vrije mensen lopen er rond op deze planeet: de mens is in hoofdzaak, net als de neurotische poolbeer in de zoo, een rondjesdraaier, een gewoontebeest.

