Journalisten maken soms correcte analyses maar die op zichzelf toepassen is weer een andere zaak. Bijvoorbeeld, het wij-zijdenken wordt terecht de belangrijkste hinderpaal genoemd om tot een vreedzame coëxistentie te komen, doch wat zagen en hoorden we gisteren alweer in het vrt-journaal? Over het Midden-Oosten werd gezegd dat Israël een 80 miljoen dollar of euro heeft vrijgemaakt voor de Palestijnen, alleen in het journaal van 19 uur werd hieraan toegevoegd dat het eigenlijk om Palestijns belastingengeld gaat dat door Israël wederrechtelijk werd geblokkeerd. Uit de USA kwam een minutenlange reportage over de ‘flat daddies’, soldaten van bordkarton die door hun familieleden worden uitgesneden om hun afwezigheid draaglijker te maken. Telkens ging het om bezorgde ouders die verklaarden aanvankelijk achter de oorlog gestaan te hebben en nu pas zijn beginnen twijfelen. En steeds weer wordt dat cliché herhaald: ‘he is doing his duty’. Wat we vrijwel nooit te zien krijgen zijn beelden en getuigenissen van Irakese of Libanese gezinnen, of Afghaanse: de slachtoffers blijven voor ons in hoofdzaak cijfers, eventueel bloederige ledematen zonder identiteit en van de rouwenden of treurenden zien we af en toe een hysterische massa, zelden een mens met een eigen gezicht, een eigen naam en geschiedenis. Onze nieuwsfabrikanten zorgen ervoor dat wij inderdaad tot de Westerse hemisfeer behoren en als wij onszelf met het Westerse kamp identificeren, hoe kunnen we dan verwachten dat de heethoofden aan de overkant dat niet doen? In het bijzonder: waarom zou een mudjahedin het onderscheid maken tussen Europese tegenstanders of critici van de oorlogen in hun deel van de wereld en de sympathisanten of collaborateurs? Krijgen zij via onze eigen media een ander beeld van onze opinies en betrokkenheid dan via hun Arabische zenders, gradueel allicht wel, maar fundamenteel? Wie in het Westen woont, wordt, of hij/zij dat nu wil of niet, door onze media tot een namaak-Amerikaan gemodelleerd, via filmkeuze, overgenomen spelletjes, berichtgeving, kortom: onze cultuur wordt door onze tv-zenders in het bijzonder (maar niet uitsluitend) ingelijfd bij de Amerikaanse, wij zijn onderdeel van Mac World en niet omgekeerd
Journalisten maken soms correcte analyses maar die op zichzelf toepassen is weer een andere zaak. Bijvoorbeeld, het wij-zijdenken wordt terecht de belangrijkste hinderpaal genoemd om tot een vreedzame coëxistentie te komen, doch wat zagen en hoorden we gisteren alweer in het vrt-journaal? Over het Midden-Oosten werd gezegd dat Israël een 80 miljoen dollar of euro heeft vrijgemaakt voor de Palestijnen, alleen in het journaal van 19 uur werd hieraan toegevoegd dat het eigenlijk om Palestijns belastingengeld gaat dat door Israël wederrechtelijk werd geblokkeerd. Uit de USA kwam een minutenlange reportage over de ‘flat daddies’, soldaten van bordkarton die door hun familieleden worden uitgesneden om hun afwezigheid draaglijker te maken. Telkens ging het om bezorgde ouders die verklaarden aanvankelijk achter de oorlog gestaan te hebben en nu pas zijn beginnen twijfelen. En steeds weer wordt dat cliché herhaald: ‘he is doing his duty’. Wat we vrijwel nooit te zien krijgen zijn beelden en getuigenissen van Irakese of Libanese gezinnen, of Afghaanse: de slachtoffers blijven voor ons in hoofdzaak cijfers, eventueel bloederige ledematen zonder identiteit en van de rouwenden of treurenden zien we af en toe een hysterische massa, zelden een mens met een eigen gezicht, een eigen naam en geschiedenis. Onze nieuwsfabrikanten zorgen ervoor dat wij inderdaad tot de Westerse hemisfeer behoren en als wij onszelf met het Westerse kamp identificeren, hoe kunnen we dan verwachten dat de heethoofden aan de overkant dat niet doen? In het bijzonder: waarom zou een mudjahedin het onderscheid maken tussen Europese tegenstanders of critici van de oorlogen in hun deel van de wereld en de sympathisanten of collaborateurs? Krijgen zij via onze eigen media een ander beeld van onze opinies en betrokkenheid dan via hun Arabische zenders, gradueel allicht wel, maar fundamenteel? Wie in het Westen woont, wordt, of hij/zij dat nu wil of niet, door onze media tot een namaak-Amerikaan gemodelleerd, via filmkeuze, overgenomen spelletjes, berichtgeving, kortom: onze cultuur wordt door onze tv-zenders in het bijzonder (maar niet uitsluitend) ingelijfd bij de Amerikaanse, wij zijn onderdeel van Mac World en niet omgekeerd
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
lenigheid
Deze lenige jongedame onder het weidelandschap is een oefening in het bijsnijden, van foto's dan wel.
asielenpoten?
- refusons la Refuge -
ze komen
gesmokkeld door bendes
verbrokkelde korrels
van een bedorven zaad
opgezwollen spoelen ze aan
worden geborgen, of op de valreep
overboord gesprongen en opnieuw
verzonden naar hun overkant
ze komen het land in onderkoeld
uit het ankerhuis van schepen
die de vruchten aanvoeren van hun bodem
worden opgesloten in een vesting
wat onze wet dan noemt een beveiligd huis
een centrum, een Refuge
ze blijven komen
stikkend in een laadbak of buiten adem
wachtend op de verklikker, op de handhavers
van onze beschaafde orde – want onze zeden
heeft het stempel lief
in het exacte vak, de etiquette aan tafel
voor de honden en hun bazen
wij hebben de zegels lief over de lading
en zij komen als ongenode gasten
op onze feestmalen en verstoord
bevelen we de wachters aan onze poort:
gooi wat brokken naar de honden, want
we hebben de vrede lief in onze ingewanden
ze komen bedorven door een blik uit de verte
op onze spijskaart, als een echo
van onze boerende kelen spreken zij ons aan
dringen doorheen de verschansing
van onze chemische vrede: zij zijn
de chimaeren wanneer wij gelukzalig
dromen van hun stranden
of we nu slapen of wakende dwalen door onze
bewapende woning: ze blijven komen
een stuk of wat
gedichten 1973-2005
Staf de Wilde
- ‘is dit genoeg een stuk of wat gedichten voor de rechtvaardiging
van een bestaan’. Jacques Bloem -
uit Tsja (1973)
je handen
je handen vertellen sprookjes
aan mijn huid
van hoge winden
van diepe vissen
ik heb je handen niet gehoord
je handen niet gezien
geroken, doorsidderd
ik heb je lief
ik heb je handen lief
je handen vertellen sprookjes
aan mijn huid
feeën aan mijn wangen
dwergen in mijn zijden
zo heeft elke tuin zijn lusten
elke vinger zijn verrukking
verrukkelijk zijn je handen
over mijn huid, de poriën zijn
luisterend en fluisteren
ik heb je handen lief
ik heb je lief
hou mij in je handen
evasio
een raaf zetelt aan de Schelde
vervaarlijk gekrijs
ben je bang liefste
zoek dan de schelp van
een schouder aan de Schelde
genoegzaam rent een gnuiven
over je rug, een vluchtende Bunt
vervaarlijk langs de Schelde
een bek krijst, de schicht in een oog
gelijk het bot van een arm grijpt
naar de avond
over de Schelde hollen de lijken
benemen de adem
van de dijk
wanneer het grint kriept
krijst de raaf en vlucht
aan de Schelde zetelt de vlucht
danse macabre
je grote ogen liefje
zullen grote gaten zijn
wanneer je huid lang al is vergeten
en in je haren larven dromen
van vermetel mooie vlinders
je zachte dijen liefje
zullen poreuze knoken zijn
wanneer mollen rennen door je ribben
en in je bekken de ratten paren
ik zal je schedelnaad weer lijmen
je onderkaak aanroepen
als een goede huisfee
wanneer je huid lang al is vergeten
en over je verkrampte hand
de slakken kruipen
sluipmoord 1
ik ging in je meren baden
je kikkers kwaakten me aan
ik gaf ze een hand
een tikje op de stuit
dankbaar hebben ze mij
gedeeld van hun watervlooien
en kwaakten me aan
ik waadde uit je meren
droogde me met de haren van
de maan - kwaakten je kikkers
me na, je kikkers kwaakten me na
op hun rug lag groen vuur
het verdampte je ogen in
het water, in de nevel hoorde ik
je kikkers zachtjes
als vissen gillen
toen al baadde ik
in het spinrag van nevel
en op mijn vijvers dreven
de schubben van een doodzieke vis
epitaaf voor de familie God
rust zacht
lieve doden
gij
die de bomen hebt gegeven
en het luchtbederf
die het manna liet regenen
soms ook wel stront
gij hebt u kras gehouden
door de eeuwen
ik vergeet u niet
gij
die woord waart
en woorden hebt verwekt
uit zwavel en salpeter
die man werd uit een maagd
ik zal u niet vergeten
gij
die in me woont id est
in een onbewoonbaar verklaarde tempel
die door me wiekt met radde beelden
en mijn klokken klepelt
geplukt verteerd zijn uw pluimen
en uw streken
gij minder vos dan wezel
ik vergeet u niet
rust zacht
lieve doden
gij zult in mij verblijven zoals malse
mollen in een proper lijk
twee november
wanneer ik moet gaan
wens ik te vertrekken als de zon
in vele kleuren
misschien zullen enkele dennen
ruisen en wil een lijster schuifelen
het zou enig zijn
zelfs Beethoven is niet zo
ten grave gedragen
wanneer ik moet gaan
wens ik allen ver van mij
zeker gij mijn tere mijn teder
geliefde, sta ergens op een dijk
en kijk in het westen hoe mijn ogen
bloeddoorlopen worden dichtgedrukt
door de duimen van de nacht
het zou enig zijn
wanneer ik moet gaan
mijn liefste
geef u over aan de nacht
uw klaar lichaam een landerig
vers in het licht van de Schelde
het zou enig zijn
wanneer de maan mijn blauwe
lippen kust en van nevel een traan
valt op mijn voorhoofd
zal het enig zijn
zo wens ik te sterven
praat tegen de eeuwige vaak
praat met mij
mijn liefste
wanneer ik zal begraven zijn
praat met mij
wanneer ik op de rand van je bed
zal zitten en naar je lach
praat met mij
telkens je mijn wolkige wangen streelt
en de holten van mijn ogen spreken
praat met mij en vraag mij
al die rare dingen
die men enkel aan schimmen
vragen durft en kan
ik zal wanneer ik ben begraven
komen, en met jou praten
mijn bloot gebeente zal niet weerom
met zijn bek vol tanden staan
man/vrouw van het jaar
Wie heeft zo’n geheugen dat hij/zij kan zeggen: dit was de man/vrouw van het jaar?
demonen
demonen
noem ze maar, spreek ze aan
noem je demonen bij hun naam:
het eerste glas, de laatste nimf
de blauwe en de zwarte engel die
gestadig wisselen van plaats
vergeet de goden niet die slapen
in je schaduw, de hogere die hun
onderkomen vonden in de gaten
van de hemel, de jonge die dansen
om de kring van je leeslamp,
de slapeloze die sluipen door de
regen, hoor ze duizelen tegen je raam
noem ze bij hun verboden naam
laat ze sluimeren in je zetel, schrijven
met je kroontjespen, zwierige tekens
die rijmen op nacht en nevel, resoneren
in de droom van een dier dat snikt
noem ze, hou ze lenig als een naam
eer ze langzaam met water en
blaadjes, met geborrel alsof
een dwaalgast al is aangekomen
en gorgelt vóór het spreken
noem hem, heet haar welkom
laat hen wonen in een naam
morgen en mist


morgen en mist
nevel, nog week en wazig, een woord
zonder kracht en toch: hij kleeft
als een schimmel aan je ogen, zijn
kille poten zoeken in je vlees
je verstuift wat bladeren, zand hangt
aan je zolen als een herinnering
er is het zwijgen, een bange vogel
een ritseling die wil samen zijn
de bomen dragen hun koude zweet
lijken zwarter dan hun voorbije
schaduw, een tak breekt als een
bot, een keten in een kerker
denk er de honger bij, het deksel
dat niet meer wordt opgelicht,
de stappen steeds holler daarboven
nevel en de wereld verwijdert zich
je loopt alleen met een schijn
van leegte, weet dat nu bloedwarme
wezens beluisteren hoe de bladeren
schuiven aan je voet, het zand dat
grijpt nog als een dode hand
to a White Ladies’ man…
- … known as Marcus Cumberlege –
I went through your fine manifesto
and we were walking on the
pavements of Bruges, those blurred
eyes of mine ‘like a long legged fly
upon the water’ dancing about
a long legged dame , you smiling
almost like Amida, one who
has seen it before and knows
how smiles return with their tide
things had to be done, the small
ones, people were to be answered
neighbours and strangers and
who could tell the difference
we crossed our bridge of silence
when swans of memory came
swimming by and beyond the shore
of language lived some unknown
beauty waiting to awake
your manifesto says: don’t take
the serious too seriously, listen
how the pavement shouts hello
to faces that are about to fly
voldaan
voldaan
voldoening als het is volbracht
het schokken van haar lichaam
zoals een gehangene naschokt
stil hangt nog alleen bewogen
door een felle luchtverplaatsing
de geluiden uit neus en mond
méér wil je niet horen dan deze
goedkeuring van je bestaan
vaardig ben je geweest met
onbeholpen delen: hoe bot
zijn vingers als men naar
het schone grijpt, het weefsel
van glans dat een huid bekleedt
en er niet is dan in de blik
voldaan schuift adem in
adem alsof de teksten
van twee striphelden
worden ingeruild en luister
maar wat zij verzwijgt nu
met jouw stem, de klankloze
haar lichaam ligt weer als
een veld en de zaaier loopt
met zijn ogen over de voren
ziet de halmen al, hoort de
leeuwerik boven het ruisen
holebi's en Bodifée
Saeftinghe
Saeftinghe
de klok in de toren nog
schuin in haar schommeling
het slib over het dorp
je waadt door de kreken
zoekt naar asters op de
schorren, verliest een schoen
wanneer opeens de vloed
door de slikken spoelt
je hoort de toren onder
de zuigende muil, de klok
die schommelen zal droom
na droom en jij op zoek
alsof een gezicht verdween
uit een spiegel, je ziet het
blanke been, de kaken
gesperd: hoe lagen ze
toen de golven kwamen
de klok in de toren
klepte als een vogel
in een slagnet, welk geluid
maakt een dorp onder
je slorpende stap
welk geluid uit een huis
onder asfalt, van een speelplein
onder een snelweg, naar welke
stem keer je terug en elke stap
een echo, elke lettergreep
wat een gelui
wat voor geluid
Singhet ende weset vro
‘De harmoniums dreunden onder het biologielokaal,’ schrijf je in een reactie op een artikel in De Standaard. Daarin wordt een muziekspektakel besproken gebaseerd op een boekje dat jij ergens bewaart naast je oude blokfluit.
Zowel op de vrt als in deze ‘kwaliteitskrant’ wordt het gedramatiseerde recital aangekondigd als een ode aan de samenzang, vrolijk en onbekommerd.
Voor jou staat deze verzameling Vlaamse liedjes symbool voor zeven jaren Bisschoppelijke Normaalschool in Sint-Niklaas. Dat was in de ‘golden sixties’, de era van verruiming van de geesten toen in Parijs op de muren werd gespoten: ‘de verbeelding aan de macht’ en ‘verboden te verbieden’.
De Normaalschool was precies het tegendeel, zij leverde een degelijke intellectuele vorming en tegelijk een dressuur in de ultramontaanse bekrompenheid. De samensteller van het liedboekje, Ignace de Sutter, was er een merkwaardig buitenbeentje. Hij kwebbelde en kwijlde, de leerlingen op de eerste rij kwamen nooit droog achter hun oren de klas uit, droog in hun gezicht evenmin. Het ging over zijn vrienden van boven de Moerdijk, Jan Wit, een dominee en dichter van kerkliederen met wie de Sutter dacht een oecumenische voorhoede te vormen. Vriendschap met een ‘ketter’ beschouwde hij als een roekeloos avontuur en over zijn ontmoetingen met Jan Wit en Guillaume van der Graft en anderen vertelde hij alsof het ging om een vervolgverhaal van Winnetou en Old Shatterhand. Op het einde van het jaar hadden we amper vier kantjes vol gekrabbeld in ons kleine notitieboekje, meestal zaten we welwillend te luisteren en lachten, schaterden soms. Dan haalde hij een immense witte zakdoek uit zijn wijde mouw en veegde zijn afhangende onderlip af met een gebaar alsof hij heel de wereld wou zegenen. Hij leerde ons samen zingen en blokfluit spelen. We mochten zelfs een hitparade samenstellen: ‘Zingt Jubilate voor de Heer, vogels en vissen, licht en water’ plaatsten wij op nummer één.
Eén keer legde hij een langspeler op: een enkele beweging uit Mozarts Kleine Nachtmuziek, en één keer dook de superintelligente priesterleraar godsdienst op om een recital tenorblokfluiten ten beste te geven met de Sutter als begeleider op de piano: Corelli, de zonen van Bach. Jij keek rond en zag de open mond van je vrienden, je zag de glans van de honger die eindelijk iets kreeg voorgeschoteld waar we zolang op hadden gewacht.
Zingen deden we in de maandelijkse mis en de internen iedere morgen in de viering van zeven uur. Eén keer was jij daar misdienaar en één keer gebeds- en zangleider. Je ziet nog altijd de blonde atletische voetballer van Nevele die aan de overkant van het altaar met de belletjes zwaait en je weet niet of dat een teken is om te knielen of om op te staan, je ziet het gezicht van de celebrant, onze zeer eerwaarde heer directeur, aan wie je vraagt – wijzend op de kannetjes met wijn en water -: ‘ik zal deze ook maar meenemen, zeker?’ De priester staat met de armen wijd geheven en wil aan het Sanctus of een ander lofgebed beginnen, hij kijkt alsof er plots een naakte heidense priesteres voor hem staat. Je ziet de kapel van op de kansel, de subregent Napoleon met zijn rode biet van een kop: zelfs die geheime agent van recht en orde kan zijn proesten niet voor zich houden wanneer jij alweer een liedje opgeeft dat reeds gezongen is.
Dat was de Normaalschool: een dril vergelijkbaar met een kazerne waar ‘elitetroepen’ worden opgeleid, de negatie van openheid, ruimte voor creativiteit en eigen persoonlijkheid. In de grote hal onderaan de trap hing een gigantische collage: ‘de Normaalschool zendt zijn zonen uit’. Het was een wereldkaart met de namen van afgestudeerden die door een papieren navelstreng werden verbonden met een land ‘in de missies’. De oudste broer van je vriend Raoul stond daar eerst ook bij, later niet meer toen deze priesterarbeider al te duidelijk de linkse kant opging en koos voor zijn eigen versie van de bevrijdingstheologie door met een Boliviaanse te trouwen.
Na je tweede kandidatuur Germaanse ging je op een vrijdagnamiddag je jongste broer ophalen die daar toen in het eerste en voor hem laatste jaar zat. Je moest je aanmelden bij het secretariaat waar de bonenstaak van een subregent, Van Impe , lid van de katholieke filmliga die zo graag uitpakte met al de blote borsten die hij weer eens had moeten bekijken, bijna achterover viel toen hij je studieresultaten hoorde: ‘zie je wel, we hadden er nog meer moeten achter zitten.’
Je dacht aan al de keren dat hij in de studiezaal achter je kwam staan en het onkruid in je nek probeerde te wieden omdat je weer niet stil kon blijven, aan al de speelplaats- en refter-
reglementen die je had moeten overschrijven, aan die ene keer dat je had geweigerd en voor straf op woensdagnamiddag moest achterblijven en mee op wandel met de internen alsof dat een straf betekende: je zag de volkstuintjes en dreven rondom Sint-Niklaas die je anders wellicht nooit had gezien.
‘Het is vandaag niet gemakkelijk om leraar Nederlands te zijn,’ ging Van Impe verder, ‘behalve als je Paul de Wispelaere heet, natuurlijk, en er iedere keer sperma uit je pen komt…’
Het beeld springt over naar een van je lievelingsleraars, de priestergodsdienstleraar van Hecke, die in het derde jaar tijdens de ‘goede week’ een petieterig boekje mee bracht waarin volgens hem de wetenschappelijke beschrijving stond van het lijden van ons heer. Hij las voor hoe de doornenkroon met een stok in Jezus’ voorhoofd werd geslagen en plots keek hij ons een voor een aan: ‘en zeggen dat wij voor een paar seconden van genot opnieuw met die stok op die doornen slaan en onze lieve heer zo’n pijn doen…’
Je ziet nog altijd al die zwijgende gezichten van veertienjarige jongens, sommige blozend, andere met een sfinxachtige glimlach, allemaal grondig vertrouwd met de stok. Op wie zijn deze woorden afgeketst zoals alle morele oordelen afketsten op gepantserde geesten, bij wie hebben ze een kras op de ziel nagelaten die nooit genas?
Wat de Normaalschool teweeg kon brengen heb je vorig jaar vastgesteld toen je na ongeveer 35 jaar je vroegere mentor nog eens opzocht in Antwerpen, de voorbeeldige onderwijzer in het blo: ooit was deze drie jaar oudere man jouw goeroe en nu hoorde je een benepen buur van ‘nieuwe Belgen’ die geen kranten meer las, geen boeken en op je kritische opmerkingen reageerde met: ‘gij kunt dus geen gezag aanvaarden…’
Daar ging het om in de jaren zestig in onze school die rondom een vierkantige speelplaats stond als een hoge gevangenis: volgzaam, braaf en gehoorzaam zijn. Van de wereld niet meer weten dan nodig om op zondag de gelovigen te leiden bij hun samenzang. In het laatste jaar vroeg onze leraar Nederlands een paar namen te noemen van ministers: welgeteld één van ons kon twee namen opsommen, de anderen zaten onder hun bank van schaamte.
Zo kom je terug bij Ignace de Sutter, bij een scène die je verwonderde én schokte. Uit de kweekschool van Torhout was een Vlaamsgezinde interne overgekomen die op een dag de muziekklas binnen kwam met een geelzwarte leeuwensticker op zijn boekentas: ‘ik ben Vlaming en daar ben ik fier op’ – iets van die strekking. De Sutter had het eerst niet in de gaten en stond zijn gewone nummertje te kwijlen, opeens hield hij op, stormde langs jou heen naar de Torhoutse inwijkeling en schopte zijn boekentas in de richting van de deur, bleef briesen, speeksel spuwen en schoppen tot de jongen met al zijn hebben en houden buiten was. Hoe kon dit nu: een priester en componist wiens mooiste lied op de IJzerbedevaart en tijdens het Zangfeest in het Antwerpse sportpaleis werd uitgegalmd door duizenden flaminganten?
Je hoort in je hoofd de volmaakte eerste strofe van zijn vriend Anton van Wilderode, alom bekend als voortreffelijk en hooggestemd dichter, minder geweten is dat deze ‘schone ziel’ jarenlang de broederband met het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime bepleitte: ‘lied van mijn land ik zal u altijd horen uit alle dalen der herinnering…’
Het voorval gebeurde in exact hetzelfde jaar dat Vlaamse studenten betoogden voor ‘Leuven Vlaams’? Je kijkt opnieuw op tegen die benige zenuwpees van een Van Impe, we bevinden ons op de speelplaats naast de rij paardenkastanjes. Een aantal leerlingen zijn door de achterpoort verdwenen, er is een demonstratie in de stad. ‘Hou dat crapuul tegen,’ schreeuwde onze opzichter, maar wie moest het doen als hij het zelf niet deed? Jij bleef waar je was, betogen lag nog niet in je aard, dat zou je later wel inhalen, zoals je zoveel zou moeten inhalen. Gelukkig voor hen waren de ontsnapten zo talrijk dat een sanctie niet uitvoerbaar bleek. Van je goeroe, die toen reeds les gaf in de aanpalende modelschool, hoorde jij dat in hun lerarenkamer een intense discussie woedde tussen voor- en tegenstanders van de Belgische bisschoppen die zich tegen de splitsing van de Leuvens universiteit hadden verzet. In een herderlijk schrijven dat in heel Vlaanderen van op de preekstoel werd voorgelezen als een ordonnantie. Onder de collega’s van je goeroe voerde een zekere Bombeke het hoogste woord: hij werd vijftien jaren later een van de kopstukken van de lokale Vlaams Blokafdeling.
Die modelschool werd geleid door een pioenrode dwerg, hij schold je uit omdat je tijdens het gebed vóór je proefles godsdienst stond te bidden met de benen enigszins gespreid: ‘moeten de kinderen (uitsluitend jongens) daaraan een voorbeeld nemen?’ Op het einde van de week stond jij je goeroe op te wachten, hij bleef onvindbaar. Je ging kijken op de kleinere speelplaats van de immerblozende kobold. Zijn nieuwste leerkracht was de plavuizen aan het vegen zoals rekruten bij het leger de wc-potten moeten ontsmetten. In die tijd was hij nog zo zelfbewust dat hij na één jaar ander werk zocht en vond. Onderdanigheid, het woord
onder-wijzer had daar volgens de doctrine en methodiek van de kweekschool alles mee te maken: we werden verondersteld een wegwijzer te worden onder de grotere vinger van Rome.
Maar je moet ze zoveel nageven: de lessen scherpten je geest aan op een vertraagde, wat sluimerende manier zoals ertsen verdichten in de geheime lagen van de aarde. Ironisch genoeg was het juist dankzij de briljante cursus van de doctor in de exegese van wie je in de laatste twee jaren godsdienst en psychologie en sociologie kreeg, dat je geleidelijk aan weg groeide van de kerk en haar bedienaren, en later van het geloof. De enige lessen waarin het tot een voorzichtige gedachtewisseling kon komen, werden gegeven door priesters: pedagogie, methodiek en godsdienst. Jij voerde steeds het woord en vaak zag je het celibataire hoofd goedgunstig knikken omdat je een klasgenoot had afgetroefd met orthodoxe spitsvondigheden.
Kortom, je ervaringen met deze burcht van katholieke kleinburgerlijkheid leveren een dubbel inzicht op: de creatieve en kritische geest gaat uiteindelijk toch zijn eigen gang, maar de sfeer van morele en existentiële verstikking, de overbelasting van het geweten, raak je nooit kwijt.
Zeker wat de seksuele moraal betreft, mag men gewagen van mentale verminking in de zielen die er ontvankelijk voor waren – een verminking die op het psychologische niveau heeft gedaan wat in andere culturen wordt uitgevoerd met glasscherven en keukenmessen.
De meeste individuele leerkrachten kan je vergeven, de school als bolwerk van frustratie nooit.
En aan de Sutter kan je onmogelijk terugdenken zonder al de kansen te overwegen die dat kleine kwijlende mannetje met zijn uitpuilende buik heeft gemist: een leraar die niet doet waarvoor hij betaald krijgt, moet je veroordelen voor ‘schuldig verzuim’.
kies maar uit
kies een drager voor je woorden:
het zand, de lucht, het glas, de huid
een vers dat weigert een vers te zijn
een rijm dat kringelt en al dansend
verdwijnt: tekenen als een gaas
voor ogen dat ze mooier maakt
hun blik niet hindert – een cijfer-
gedicht dat gewaagt van gruwel
de feiten aangeeft zoals een zucht
uit een naburige kamer het bezoek
van de opkoper van knoken en adem
woorden in het zand, een raadsel
als oordeel, lettergrepen in hun
luchtballet: een lezer vergaapt
zich aan het efemere van hun dans
soms het diafane, verklaringen
van glas dat breekt wanneer het
gaasdoek scheurt: wie alles
uitspreekt zal de oren verdoven
zoals de aanblik verblindt, alleen
het verhulde kan de aanbidding
verdragen, de gunst van nabijheid
blijft de huid waarop de jaren
schrijven, het laatste wat zelfs
een oog verzwijgt: een woord
heb je nodig met de aarzeling
van braille, het tederste, zoals
een overlevende namen meedraagt
uit de kamer van de zucht
Naar een nakende Palestijnse burgeroorlog?
Volgens het artikel van Oscar Garschagen in DS van dinsdag 19 dec staan de Palestijnen nu voor de keuze: ‘ballots or bullets’.
De oorzaak van de dreiging is bekend: de boycot door Israël en de internationale gemeenschap van de Hamasregering. Hier is op zich een goeie reden voor: Hamas weigert het bestaan van Israël te erkennen.
Toch is deze sanctie om twee redenen willekeurig en hypocriet. Ten eerste werd en wordt Fatah door zowat elke commentator corrupt genoemd en de regering van deze partij werd wel gesteund. Ten tweede kan Israël zich ongeveer alles veroorloven zonder een voelbare sanctie. Bij de recente invasie in Libanon werden ongeveer 1200 burgers vermoord en gigantische vernielingen aangericht. Dit leverde alleen verbale verontwaardiging op vanwege de disproportionaliteit en de gevolgen worden onder meer door Europa opgeruimd – bijvoorbeeld de clusterbommen door Belgische specialisten – zonder dat daarvoor een factuur wordt doorgeschoven naar de dader.
vrt en vpro op een zondagavond in december
Op een (misschien niet zo) willekeurige zondagavond zond de VPRO in het programma Wintergasten een interview uit met Wadah Khanfar, de algemene directeur van Al-Jazeera; de vrt koos op Canvas in het praatprogramma Nooitgedacht voor een gesprek met Urbanus.
Kan het verschil in niveau symbolischer worden uitgedrukt? De ene zender stelt iemand voor die het wereldnieuws mee bepaalt, onze openbare omroep presenteert onze grootste dorpskomiek. En met alle waardering voor diens komisch talent (en dankbaarheid want de man heeft mij vaak onbekommerd doen schateren), maar als hij zich openbaart als filosoof dan horen we ‘een bange blanke man’ wiens levensvisie cirkelt rondom zijn ‘konijnenkotelaar’ en een jachtgeweer om eventuele inbrekers en kinderrovers af te schrikken. Het gaat dan niet om het cliché van ‘politiek correct’, maar om het niveau van argumentatie dat vrijwel nooit het anekdotische en subjectieve overstijgt. Het decor van Thurm &Taxis mag dan de illusie wekken van diepgang: dieper dan de illusie wordt niet gegraven. Op zich was dit een revelerend gesprek, het bewees dat BV’s niet noodzakelijk uitblinken door een hoog soortelijk gewicht. Maar heeft Vlaanderen echt niets beters te bieden in een programma dat werd aangekondigd als een poging tot reflectie en bezinning?
Moet de vrt zich tot de VPRO verhouden als de kerktoren tot een platform van universele communicatie?ivoorwoord bij Van Toen en Thuis
‘Solange etwas ist, ist es nicht das, was es gewesen sein wird. Wenn etwas vorbei ist, ist man nicht mehr der, dem es passierte’ (Martin Walser in Ein springender Brunnen)
‘Die Erinnerung liebt das Versteckspiel der Kinder. Sie verkriecht sich. Zum Schönreden neigt sie und schmückt gerne, oft ohne Not.’ (Günter Grass in Beim Häuten der Zwiebel)
‘Zal zij de oppervlakte van mijn bewustzijn bereiken, deze herinnering, dat ogenblik van vroeger, dat aangetrokken door een identiek moment, van zo ver weg is gekomen om alles in mij levend te maken, in beweging te brengen en weer naar boven (…)’ (Marcel Proust in
De Kant van Swann)
Dit boek is subjectieve geschiedenis. Het evoceert een dorp in de jaren ’50 en ’60 – zijn mensen, feiten en dingen , zijn natuur – zonder een historische waarheid te claimen in de wetenschappelijke betekenis van die term. Het gaat om de waarheid die we dromen, die zich opdringt aan de herinnering in een onbewaakt moment.
Wat is waar: het gestamel van de verliefde, de kreet van pijn, of de klinische analyse van de bloedspiegel en de toestand der organen? Literatuur voegt toe, wetenschap neemt weg. Wat ze delen is de gebeurtenis, de ervaring verschilt. De lenzen van een microscoop vormen één oog, de facetten van het insectenoog beantwoorden meer aan de waarneming van de schrijver. En de gesloten ogen van de sjamaan in zijn roes: ‘a poet’s eye in its fine frenzy rolling’ (Shakespeare)
Dit boek is uiteindelijk groepswerk geworden: minstens zes lectoren deden eraan mee, een lay-outman, een sponsor, een cultureel centrum, een woordacademie. De vijver rimpelt: vanwege een steen, een rat, een bootje of een naakte zwemmer in de nacht? Een luister- en fluisterboek met de stem van riet en uilen, een schater- en klaterboek met de plons van reiger en waterhoen.
Bij een zoveelste oproep van Marc Hullebus …
…omtrent de controverse tussen ‘kennisgericht’ en ‘vaardigheidsonderwijs’: wat is hier nog meer aan toe te voegen? De essentie allicht, elke methode moet ergens toe leiden wat betekent dat je dat ergens omschrijft: zonder het formuleren van doelstellingen kan je een methodiek niet evalueren. Naar de mening van deze oud-leraar moet het onderwijs, in het bijzonder het lager en het middelbaar, gericht zijn op de totaliteit van de mens in de totaliteit van het leven.
Het gaat om Zelfrealisatie in de opvatting van Carl Gustav Jung: wat in de mens in potentie aanwezig is, moet door de opvoeding worden geoptimaliseerd – uiteraard gaat het dan niet om misdadige impulsen, maar om de vermogens en talenten die het waard zijn ontwikkeld te worden. Dit laatste verschuift de problematiek naar het niveau van de levensbeschouwing: er moet een ‘grootste gemene deler’ worden gevonden, een gemeenschappelijkheid in het mens- en maatschappijideaal waaraan alle opvoeders kunnen meewerken. Dit mensideaal is veelzijdig. Het omvat niet alleen de homo faber of economicus, ook de homo ludens en atleticus, de homo creator en viator, religiosus en politicus – dit laatste zowel in de strikte zin van bezig zijn met politiek als in de ruimere van maatschappelijke betrokkenheid. En bij al deze 'homo's' uiteraard ook en essentieel de homo sapiens sapiens voor wie het een bron van vreugde is om iets te kennen en te kunnen, en voor wie het een motivatie of minstens toch een aangename ervaring oplevert dat anderen over een onderwerp meer weten of een vaardigheid beter beheersen.
De term ‘competenties’ van de huidige minister van onderwijs is goed gevonden en best bruikbaar. Het onderwijs moet dus inzetten op de ontwikkeling van al deze potenties of competenties. Leerlingen moeten de kennis en de vaardigheden worden bijgebracht die zij nodig hebben om een job te kunnen vinden en correct uitvoeren, maar ook culturele en creatieve competenties, sociale en politieke, recreatieve en sportieve, religieuze of spirituele, filosofische. De opvoeding moet iets als een kompas zijn en een rugzak bij de zoektocht naar zingeving en verantwoording.
Onderwijs kan daarom nooit technisch en vrijblijvend zijn: altijd worden waarden en streefdoelen meegegeven. Een leerkracht en opvoeder is een gids die minstens moet kunnen zeggen welke wegen vruchteloos en gevaarlijk zijn en in welke richting er verder kan worden gezocht, wat het tegendeel inhoudt van indoctrinatie en hersenspoeling: een gids is niet de slavendrijver van een ’chain gang’. Hij is bereid te zeggen dat hij het ook even niet meer weet maar op goede gronden (en op welke gronden) vermoedt en vertrouwt dat de weg van beschaving en humanisering eerder de ene loop zal nemen dan de andere.
De leerlingen spellingregels bijbrengen zal in deze begeleiding allicht van pas komen, maar het is duidelijk dat in het geheel van de doelstelling de spelling maar peanuts is, gebeuzel waardoor de gedrevenheid – want oprecht onderwijs is een passie - wordt opgepeuzeld indien de visie niet ruimer reikt.
Er is een kerkliedje uit de jaren 60 - de ongelovigen nemen het voor lief of vervangen het door de internationale -: ‘wij zijn samen onderweg, allelujah, allelujah’. Fundamenteler en juister kan deze ouwe jongen het niet formuleren: elk paradigma in dit syntagma is correct en op zijn plaats. Wij samen, onderweg en een frase zoals ‘allelujah’ wat een juichkreet is: zonder optimisme of hoop-ondanks-alles kan men niet aan opvoeding doen. De ren van lemmingen naar de afgrond is letterlijk geen school-voorbeeld. Een opvoeder kan zoals eerder gezegd zijn twijfels uitspreken maar als hij niet gelooft in de noodzaak van zijn project is zijn plaats misschien onder de decadente kunstenaars maar niet in het onderwijs.
ode aan Béjart
hij zag Matisse, een Griekse vaas:
silhouetten van rook die kronkelt
gelijk een klimroos om een zuil
jong en gonzend als honingdolle
bijen, hun honger naar leven
was een wals van Brel, minuten
dan Ravel, een hand, een arm
die opklimt naar de hemel, een knik
in de hals van de slang wanneer
de fakir zijn fluiten breekt, herneemt
met hobo’s, breekt, herneemt
met saxofoon en hoorn
een heupbeen wrikt zoals een ooglid
knippert, aan elleboog en voet
trillen de vinnen in hun trance
van paring – de kring wankelt,
schokt, schuift om de ronde
tafel als over een bodem
onder water, het offer vlucht op
haar rolband van angst (en toch,
wie plooit niet voor je naam,
o Maja Plissetskaja): dit is
de aarde die zich aanbiedt
aan haar schaduw, de behuizing
van goden die toezien met
welbehagen, wachten op de
trom, het teken van meedoen,
deelnemen aan de brokken
de hypnose wordt verscheurd
dit is de offerande van de aarde
al wat vloeit en stolt en vloeit –
hij zag silhouetten in slierten
van nevel, gaf een lichaam
aan geesten, aan hun
lichaam een feest
dit is de dans, de viering
van verrijzen en verdwijnen
de lenige nevel die de aarde
verwikkelt in de kringloop
van dromen en zaad

