Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Boedapest 2

Schetsen uit Boedapest - deel 2grapjes in het labyrint onder
de Burchtheuvel:
a)
om 18 uur gaat
het licht uit, je moet verder met
een olielamp – doorsijpelend
water wordt plots echter
b)
Romeins bekken, vier koperen
Bacchuskoppen gorgelen zure wijn
je ruikt ze drie spelonken ver
c)
lesje uit het labyrint:
graffiti was in het stenen
tijdperk pure kunst, in onze
eeuw louter vandalisme
***
pas wanneer je een muntstuk
overhandigt, voel je hoe warm
de hand van een bedelaar
***
memoriaal voor Joplin
in Janis’ Pub: een jonge Hongaarse
gaat uit de bol, stem genoeg,
te weinig waanzin – kunst is
een zaak van leven of dood
***
erosie: na nauwelijks 100 jaar
werd pompeus al poreus
zuilen, ogieven, kariatiden
verkruimeld door uitlaatgas
***
façade: niet een halfgod, de baarlijke
duivel bracht het licht naar de mens
een bronzen toorts in een gebalde vuist
speelse vleugeltjes aan het achterhoofd
***
Lisztmuseum
vier wijdingen ontving Ferenc Liszt
geen kon hem bevrijden van de pose:
geheven kin, hand onder revers
denk er een tastbaar licht bij
twee horentjes op zijn voorhoofd
aan weerszijden van die ene wrat
***
Boedapest 1


Boeddha heeft er de Pest in
1. Schetsen uit Boedapest
Hotel Nemzeti
donzige loper op marmer
lotus in gebrandschilderd glas
Ruby Tuesday uit de boxen
***
Blaha Lujza Tér
voor ons Art Nouveaupaleis
een rij met kom en plastic beker
gaarkeuken van Hare Krishna
***
Stefaansdom
Szent Istvan: roodgeaderd
marmer, bladgoud – de eerste
koepel plofte in het stof
ego sum via veritas et vita
het panorama beneemt de adem
***
bar Montmartre
a)
naakten van Egon Schiele
vingers aan het kruis
in oudroze loopt ze haar slalom
langs zwart gelakte tafels
bloedrode spots op haar huid
hoog voorhoofd, hoge borsten
hand in de lucht alsof ze
koord danst op jouw blik
b)
basgitaar, koortje
vamos a bailar
Spaanse crooner in joods Pest
***
joods museum
a)
de gidsende dame in de grote
synagoge noemt Israël
‘a lovely little country’
het klinkt metalig uit haar mond
b)
niet van cupola, van kipla
komen de woorden koepel en keppel
zegt de gids, jouw keppeltje
veroorzaakt alleen maar jeuk
***
’s avonds langs de Rakozci Ut
(een snelweg door de stad)
maken bedelaars hun bed op
in hun vaste vensternis: ze lachen
om hun dagelijkse mop
***
leven in de leugen:
we drinken een Chardonnay
voor 13 euro, geven 20 cent
aan een oud vrouwtje met
gaten in een blauwe handschoen
***
een dag Pest een dag Boeda
geen spoor van György Konrad
een binnenkoer doet denken aan een getto
terug thuis in Oud België
schaatsers


de schaatsers
in ouderwetse winters vroren de vijvers dicht
van de zomerverblijven
mochten de poorten en traliehekken open
we schaatsten, ontdekten
een wereld als een Verboden Stad:
paviljoentjes op hoge poten
houten bruggen gebogen
als een opgetrokken wenkbrauw,
een balustrade waar je een gele
of roze parasol bij dacht en sarongs,
kimono’s als klaver en klaprozen van zijde
we zagen de vissen onder het ijs die naar ons
opkeken traagjes happend, bellen
blazend als misnoegde morsetekens
langs de oevers van brekend kreupelhout en bramen
leek de bodem betastbaar en grijpbaar kropen
bleekbruine en rozige kreeftjes
over de wirwar aan wortels
van plomp, polderkaars en waterlelie
we waren een paar weken rijk: werkvolk
uitgelaten binnen gemogen op een buitengoed –
in de stilte van de winter galmden de gilletjes
kinderen die zochten naar evenwicht
en de ouderen gleden statig en trots
het ijs kraakte, knarste gelijk de tanden
van een jaloerse god: we schreven haakse
heilige namen en achten, de tekenen
van een eindige liefde bij de wijdere
van de oneindigheid
het peil van peilingen
peil trekken op een peiling
Wie kan nog een peil trekken op een opiniepeiling? Volgens een nieuwe enquête van VRT-De Standaard (is het toeval dat die twee samenwerken?) zou 70% van de Vlamingen de aanslepende onderhandelingen schadelijk vinden en tegelijk zouden de partijen aan de onderhandelingstafel nog aan stemmen winnen.
Hoe verklaren onze politieke handenlezers deze contradictie? Bewijst de individuele populariteitspoll niet dat veel zoniet alles bepaald wordt door de manier waarop politici in de media komen?
Links haalt met SP.a, Groen en de ACW-vleugel binnen CD&V ongeveer 33%, dus twee derden van Vlaanderen is rechts tot extreem-rechts. Welk beeld zagen we van links de voorbije maanden: weinig meer dan interne verdeeldheid, zeker geen wervende boodschap.
In Terzake van vrijdagavond 9 november kon je Bart De Wever horen foeteren op de Waalse pers die volgens deze verlichte geest een hetze zou voeren tegen de Vlaamse partijen.
Maar wat valt er dan te zeggen over de Vlaamse media? Is er in Vlaanderen een dag- of weekblad, een tv-zender die erop aandringt om het communautaire gehakketak even te nuanceren en voorrang te geven aan essentiële uitdagingen, zijnde de vergrijzing, de stijgende kosten in de gezondheidszorg, de strijd tegen de armoede?
Heeft iemand al één bevredigende verklaring gehoord of gelezen waarom bijvoorbeeld de armoedebestrijding in Vlaanderen zou afgeremd worden door een gebrekkige Belgisch-federale structuur?
Is het niet eerder zo dat de armoede ook voor onze eigen Vlaamse regering niet direct een topprioriteit kan worden genoemd?
Maar goed, ik spreek namens maximum één derde van de Vlaamse bevolking: de rest droomt van meer gevangeniscellen, lagere belastingen etc En van 'een grote staatshervorming' al kan bij straatinterviews geen enkele ondervraagde zeggen wat daarmee bedoeld wordt.
Zou je geloven dat ik meer en meer de neiging krijg om net zoals Jacques Brel te antwoorden op de vraag waar ik vandaan kom: 'Moi, je suis du Luxembourg'?
En Luxemburg staat in deze zin voor Patagonië of om het even welk gebied dat maar ver genoeg van hier verwijderd ligt.
'Ik ben een Vlaming en daar ben ik fier op': wie kan deze sticker nog op zijn auto of venster kleven, tenzij gehypnotiseerden - mensen die al hun reële of ingebeelde problemen aan een communautaire oorzaak toeschrijven waardoor deze problemen als bij toverslag zouden verdwijnen na de hocuspocus van een volgende staatshervorming.
In De Standaard van zaterdag 10 november beweerde een opstelschrijver met het epiteton 'filosoof' achter zijn naam dat de Belgische democratie met haar mythische consensusmodel over en uit is en eindelijk de baan moet ruimen voor een Vlaamse democratie. Als die consensusmythe zo rampzalig was, hoe is Vlaanderen dan kunnen uitgroeien tot een van de rijkste regio's ter wereld? En waarin zou de Vlaamse democratie superieur zijn: in die 20% stemmen voor racisten, in onze roemruchte wachtlijsten?
Vlaanderen lijkt sedert bijna een jaar te leven onder hypnose van de drie D's, De Wever, Dewinter en Dedecker: volksophitsers gezegend door het lauwe wijwater van Jo van Deurzen en gehuldigd op de open tribunes van onze media.
schoonheid en troost
van de schoonheid en de troost
Ter gelegenheid van de Klara Top 75 hoor je zeggen (en kan je lezen) dat schoonheid troost, ook als die schoonheid zelf droevig klinkt.
Waarom is dit zo en is dit geen zeer eenzijdige benadering van de schoonheid?
Om te beginnen is de behoefte aan troost niet zo verwonderlijk. We leven in een wereld die steeds meer als onzeker en bedreigend wordt ervaren, als emotioneel koud - een ervaring die in grote mate wordt versterkt door onze media die de feiten heel selectief en negativistisch presenteren.
De behoefte aan het tegendeel, aan zekerheden en emotionele warmte is dus een vanzelfsprekendheid, ook los van de huidige omstandigheden: de mythe van de verdrijving uit het Aards Paradijs symboliseert de uitdrijving uit de moederschoot, het 'in de wereld geworpen zijn' (volgens de existentialisten) en al wat we nastreven is een herstel van deze oertijd, een volkomen geborgen zijn.
Onze samenleving is in toenemende mate geatomiseerd: we leven als eilandjes naast elkaar. Veel vrienden en familieleden hebben een agenda, je moet eerst een afspraak maken om ze te zien te krijgen.
Voorbij is de tijd dat je onaangekondigd ergens kon binnenvallen, buren die bij elkaar in een uit liepen. Vereenzaming is de prijs die steeds meer mensen hiervoor moeten betalen.
En dan kan de geborgenheid van de schoonheid inderdaad een troost bieden, een ersatzwarmte die meer is dan een ersatz: muziek heeft geen handen om je aan te raken en te strelen, maar ze streelt je onderhuids.
Toch lijkt deze troostende functie mij een belediging van de schoonheidservaring. Waarom beklemtoont men niet even zeer dat er zoiets bestaat als esthetisch genot: we hoeven niet droevig te zijn om van schoonheid te genieten. We zijn zinnelijke wezens en kunst spreekt de zintuigen aan, en de diepere sensoren van de ziel. Je kan dus smoorverliefd en intens gelukkig samen van kunst en andere schoonheden genieten.
Wat me stoort aan de frase 'de schoonheid heeft een troostende kracht' is dus niet haar onwaarheid maar haar eenzijdige waarheid.
Misschien omdat vreugde en genot moeilijker onder woorden te brengen zijn of minder mediatiek: hoe vaak zie je immers dolgelukkige mensen op tv of in de krant, tenzij 'artisten' die net een gouden plaat hebben ontvangen?
Ooit al een vrolijke Afrikaanse boer op tv gezien? Of een dansende Afghaan?
We moeten het niet zo ver zoeken: als we elkaar ontmoeten spreken we heel wat gemakkelijker over allerlei lichamelijke kwaaltjes, over prijsstijgingen dan over de schoonheden die ons hebben ontroerd.
Wie zegt tegen zijn bezoekers: o we hebben gisteren zo lekker gevrijd?
Of: we hebben hier in het donker een uur zitten luisteren naar Bach en we waren helemaal weg van de wereld?
Weg van de wereld en weg van elkaar: raar hoe hetzelfde woord zo'n totaal tegengestelde betekenis kan hebben. In het eerste zinsdeel slaat het op een vlucht, een ontsnapping; in het tweede gaat het om 'vervoering', opgaan in elkaar.
Schoonheid heeft beide te bieden: het kan inderdaad een asiel zijn, een toevluchtsoord; in andere gevallen ga je genietend op in de aanwezigheid van het genie, in de zintuiglijke manifestatie van een hoger bestaan, het sublieme waartoe slechts enkelen productief in staat zijn maar waar in principe iedereen receptief binnen kan.
In principe, haast en verharding plegen een slijtage op de gevoeligheid of ontvankelijkheid: opgaan in het schone vooronderstelt een vertoeven, stilstaan, luisteren, kijken met aandacht.
Dit laatste is de belangrijkste pedagogische waarde van de schoonheidservaring: ze leert ons aandachtig te leven in beide betekenissen van dit woord. Aandacht in de zin van intensiteit, en in de zin van wijding, vroomheid - het schone ervaren is een religieuze, soms zelfs mystieke belevenis.
het plooien van een schoot


misschien
misschien was jouw liefde altijd al mededogen
een ontfermen om wat je enig vond
onvervreemdbaar deze vreemdeling
deze verzamelaar van spijt
duld mij nu want de dagen zijn onduldbaar
gulzige happen
die de dood neemt
in de dunne sneden van onze tijd
hoor de krekels bezig
in de kramp van dit gebeente
hoe ze opgaan in hun taak -
lees de wereld zijn bericht
het legt klinkers in lege kelen
die straks schreeuwen om wraak
laten wij het geduld aanleren
de vreemde taal die volkeren spreken
zij die de adem vereren van boom
en bodem, het gestage keren
van zee en regen, zon en bron
misschien is liefde niet meer
dan meebewegen
toegeven aan een zwaartekracht
die lichter maakt
misschien zijn we zo bedacht
hebben we niets zo nodig
als het mededogen
de warmte van het avondrood
want geen troon verheft je hoger
dan het plooien van een schoot
zwijgen als vermoord


niet om
niet om wie vredig en
vermoeid in zal slapen
de vingers geknoopt
aan een rozenkrans
om wie wordt vermorzeld
onder een dak, openspat
terwijl boven het gejuich
weergalmt in een cabine
om wie geboren
op een vuilnisbelt
op een vuilnisbelt
zal blijven in een zak
gebonden met een strop
om wie even nog
mag ademen tot de vrucht
valt uit haar schoot
daarna de vlucht
in een laadruim
naar de open muil
van vulkaan of oceaan
niet om wie der dagen
zat in zal slapen
moet je droevig zijn, niet
om de feiten die horen
bij ons bloed en wezen
om het zwijgen moet je
rouwen, het toezien
terwijl het tuig door
de hemel raast en rook
dampt uit de huizen
niet om de dood moet
je droevig zijn maar
om het doden en het
zwijgen als vermoord
taalrechten
waterlelie en dwaas


waterlelie en d(w)aas
woorden, ja, met woorden
kun je om, wijze soms
die wijzen: zo moet je
lopen, daar ligt je weg
dan kom je haar tegen:
een moeder met meisjeshuid,
een exotische schone die
jou aanstaart, wacht op
een glimlach, een gebaar
en weer loop je de woorden
voor de voet, haken letter-
grepen in elkaar: je had,
dacht je, nochtans geleerd
om toe te zien en voorbij
te gaan, gelaten zoals een
boom ritselt in de regen,
vreedzaam meedraait
op de schijf van de aarde
een donkere blik, de lichtvlek
van een hals, en de haan
kraait ten zoveelste male
het lichaam verloochent
de wijze en zijn leer: leg je
handen open als een waterlelie
in de zegen van het licht
onder gezang van vogels:
rukt een bloem soms aan
haar wortels ter verovering
zij ligt daar met open
aangezicht, wacht of ze bestoven
wordt, sluit de oogleden en
roert niet meer, deelt haar
ontroering met de zwijgende nacht
Marc Herremans
Boeddha
Boeddha in de mailbox
Vandaag 2 berichten in de mailbox: een aflevering van Poëzierapport en een loftuiting van een lezeres, mij persoonlijk onbekend.
Het Poëzierapport bespreekt een Nederlandse bundel uitgegeven bij De Bezige Bij: een gedicht uitgespreid over een 30-tal bladzijden dat begint met 'de wat de wat' (15 keren) en voor de rest dergelijke zinsneden herhaalt.
Opnieuw komt de vraag naar boven: waarom wordt zoiets uitgegeven door een respectabele uitgeverij en andere poëzie niet?
Het heeft uiteraard met frustratie te maken maar ik spreek niet enkel namens mezelf maar net zo goed namens andere dichters die met ernstig werk bezig zijn en totaal onopgemerkt blijven. En namens talloze kunstenaars, in de plastische kunsten of in de muziek, die zich met hart en ziel in hun werk storten en zelden de kans krijgen om ermee naar buiten te komen, laat staan dat ze er één eurocent aan zouden verdienen.
En steeds zijn het enkelingen die hierover beslissen: een lector of uitgever, een galerijhouder of museumdirecteur, een cultuurpaus à la Jan Hoet.
Diametraal hiertegenover staat het voorbeeld van mijn vriend E de C, regisseur van amateurtoneel die de schouders ophaalt bij tegenkanting of geringe opkomst en gewoon doorgaat, met de glimlach. Een eigentijdse Boeddha of Sisyphus in de interpretatie van Albert Camus.
Op het einde van zijn beroemde essay, De mythe van Sisyphus, stelt deze grote filosoof dat we ons Sisyphus als gelukkig moeten voorstellen.
De mythische held rolt zijn glibberige steen de berg op en wanneer die hem voor de zoveelste keer net voor de top ontglipt, haalt de antiheld zijn schouders op, en daalt glimlachend de berg af om verder te gaan met zijn schijnbaar uitzichtloze arbeid.
Naar het woord van Boeddha is heel wat kwelling niets anders dan zelfkwelling door te verlangen naar zaken die onbereikbaar zijn en er in feite weinig of niet toe doen. Iedere vorm van ambitie is zo'n zelfkwelling: waarom vinden we geen voldoening louter in het maken en moet er een ervaring van succes bij komen? Succes dat dan wordt toegekend door de anderen en niet door de maker zelf.
Is niet het voltooien van een opdracht die men zichzelf heeft opgelegd, het meest essentiële?
Deze boeddhistische reflectie wordt tegengesproken door de wijsheid van de Engelse dichter John Donne: 'No man is an island.'
Of we het graag hebben of niet, we leven voor de ogen van de anderen en we voelen sinds ons eerste besef of zelfbewustzijn de behoefte om in deze ogen een goedkeuring te zien. 'Mama, kijk zonder handen' is het clichévoorbeeld van een eerste bedelen om aandacht en lof. En van deze primaire behoefte komen we nooit los.
Kortom, de realistische wijsheid bestaat er waarschijnlijk in om beide overwegingen in gedachte te houden en in de praktijk te brengen: enerzijds de onthechting van het Boeddhisme, anderzijds een 'gezonde' ambitie. Dit betekent een hand die niet voortdurend wil grijpen, maar een hand die geregeld open ligt als een waterlelie op een vijver. In de vrede van het licht, onder de zang van vogels.
Ook de bloemen willen bekeken worden, moeten bekeken worden, anders worden ze niet bestoven. Maar ze rukken daarvoor hun wortels niet uit om de aarde te gaan veroveren.
Elijah


Elijah’s lied
vergeet bij deze maaltijd
het bord voor de reiziger niet
die komen zal
of al gekomen is
neergedaald in zijn sjees
als in een bal van vuur
en ons gadeslaat in dit uur
zijn adem op het raam
en het gadeslaat:
het malen van de kaken
onder de getrimde baard
de tanden als een geribde tang
om de rand van het kristal
het bekken zoals het gebogen staat
om het getrappel van het kraakbeen
het trotse hoge been
waaraan de borsten
opbollen als een zeil
vergeet zijn bord niet, hij eet
met smaak - en zie
hoe hij weer die vallei doorwaadt
het bleke zand waarop ze lagen
verspreid en uitgestald
als koopwaar op een laken
en hoe – zoals een wind op haren jaagt
tot ze rollen in een bol –
ze nader kwamen gelijk nieuwe buren
en zich herkenden: dij en scheen
en tussen stuit en schedel
het bikkelen snoer
afgestemd als een vedel
hoe in zijn lied de kaken
lippen kregen en spraken
want de holte had een tong
die de taal proefde – zachtjes lachend
om de gevonden munt
en dan de sjees, het span in dit lied:
vergeet zijn bord bij het venster niet
en zing niet luider in je slaap
dan het juichen van de paarden
helder moment


helder moment?
het is maar waar je blik op valt
(dat rammelend kistje vol
wat wil ik dat ik mis)
je kan kijken tot je nek verkrampt
naar de minderen in aantal
en hun meer (en geen die méér
naar nog verlangt
en wakker ligt of het verdampt)
of heb je het lenige nog
dat het hoofd kan buigen
voor de meerderen in massa
en hun kinderen met ogen
waar de vlieg in thuis is
en buiken die bol staan als ogen
het is maar wat je voor ogen staat
een billboard
een rekening
het is maar wat er op tafel slaat
een grijpkraan
een vuist
het is maar deze demente tekening
o wat kranig
en bijna juist
verschijning


haar verschijning
haar haren
een hangmat van doezelend licht
met slapers in de ogen
de teint van dit ovaal gezicht
een zalm die dromerig heeft bewogen
in een tulpglas van opaal
haar lippen bakken zoete broodjes
met de taal, een festijn
zoals het regenen kan
net vóór een volksstam, een vluchtende
clan bezwijkt in een woestijn
de lange loden jas
in het zwart van pure nacht
wanneer al wat trilt en dreunt
in steen en been
zijn ontzag en huiver stemt
naar de hartslag van de stilte
een zalm die dromerig bewoog
in een tulpglas van opaal
geniaal maar
ter zake


ter zake
deze wereld
door de mens gemaakt
tot schaduwbeeld van zijn gelijkenis
het is geen engel die erin verdwaalt
en zijn vleugels heft in het schone
ongemak van een huivering
alleen een mens braakt van de mens
alleen een mens
smaakt de hete kruiden van de schaamte
deze wereld
dag aan dag zendt hij zijn boden uit
met naald en zuur
zij branden beelden
in je schedel
in al de dragers van herinnering:
geen dier van ongeduld
geen engel
als een droom onthuld
zal ze verzinnen
alleen de mens bedenkt de mens
vindt een reden uit
om niet te weten
en faalt toch zo schaamteloos
in het vrolijke vergeten
Allerzielen


Allerzielen
miezer-, griezelregen, pezen
knappen hoorbaar als takken
onder je huid: dit is
de schedeldag, op een vale lei schrijft
een meeuw haar gil - waar schrikt
ze van, haar schaduwloze vlucht?
geen regen, alleen het zweet van
bladeren, bos dat zopas nog zong
op de tonen van oktober
je gedenkt niet eens een dode,
de dood bedenkt jouw vezels
met bezoek, woekert gelijk
een virus in een vlies
jouw rijk behoort een andere
wereld, de zwijgende, hoorbaar
door afwezigheden, woorden zolang
gebezigd dat ze barsten
als gleiswerk in de vaat
neem ze voorzichtig uit het water,
breek ze met zorg zoals men broden
deelt met vogels, bedelaars: zie
de begeerte in hun oog, de angst
dat iemand ze voor zal zijn
een grotere vogel, een bewoner
van karton met een mes onder
het koord dat zijn vodden ophoudt
aanwezigen die geuren naar
noodbrug en bladeren, terwijl
een miezer-, griezelregen
ritselt als een dodenkleed

