Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
Karel van de Woestijne

Karel van de Woestijne in De Standaard der Letteren

Aan je jonge jaren hou je een aantal favorieten of idolen over van wie je zegt: hier moeten ze afblijven.
In de sport is dat voor mij Rik van Looy; in de poëzie onder meer Karel van de Woestijne.
Vandaag verschijnt in De Standaard een interview met Hans Vandevoorde die over mijn 'leermeester' een doctoraat heeft gemaakt en nu meent dat hij het licht of alleszins een nieuw licht heeft gezien.
Kan men van om het even welk gevoel ooit zeggen dat het uit de mode is: of de emotie nu rozig dan wel zwart uitvalt, het blijft des mensen.
zee


zeegezichten
dag na dag is ze een ander,
zichzelf getrouw – Pessoa schreef het:
dit is je droom, boven je lichaam
zweven en tinteling zijn
in eigen bloed en vezels
likken aan de kust van een vreemde
en vertrouwde mond, een land
omarmen, loslaten, omgeven
zoals bomen een weide,
een weide een boom
dag na dag grenzen verleggen
en een grenspaal slaan: tot hier
en verder, nooit ver genoeg,
nooit zo nabij dat je meetrilt
met kern en wezen
gezichten vertonen volgens
de gril van het licht, glanzen
in het duister wanneer alle
vuren zijn gedoofd
dagelijks zal ze veranderen,
spreken met splijtende tong
en niemand zo hopeloos in eigen
wieren en walging verward als
wie een zee niet gelooft
examen
weer dat proefwerk
weer moest je weg uit
de herhaling van beelden:
je ontwaakte in een sprong
de stad was een dorp, het dorp
verstedelijkt, de zon maakte
houtsneden van straat en kade
meisjes hadden bruine, halfblote
borsten, deden hautain alsof
ze meisjes waren – de mooiste
hinkelde over keien en duivendrek
de professor kwam mee naar
het terras in de binnenhaven, zwierde
een wierookvat: zij geloofden
hem niet – hij verdween,
een zwarte spin met alpino,
keerde terug, bracht een boekentas
mee van gebarsten leder
jij had gespiekt, een vondst
van eigen vinding stond
op een pakje Gauloises
al rookte je nog niet
je ging roeien in een wasteil,
beide voeten een speer in het water
de steiger bij de monding was leeg,
obers droegen witte doeken
over de prothese van een arm
terug op het terras hingen
blonde haren voor een gezicht
een theatergordijn schoof open
voor een minzame spotlach
lama sabachtani
lama
dit is geen winter
regen en wind
lauw in januari
drassig de aarde, het bos
slaat ons met takken
van zijn paden, het huis
blijft donker, een hol
boven de grond
we roepen de plagen
over ons af, geselen
onze grauwe huid met
windstoot en regen
leg stapels aan, brand
offerdieren, bid de goden
van het licht:
lama sabachtani
het veld is een vijver
een delta van sloten
maar geen paling,
geen stekelbaars
waar straks de wortels
van het koren zuigen
duizenden monden
aan één lege borst
alleen een sniffende rat,
ook de wormen verlieten
hun gaten – we hebben
hemel en aarde uitgerookt
als een roversnest, lopen
de seizoenen uit als
onveilige huizen
dit is geen winter meer,
regen en wind in lauw
januari, de woning
in duisternis alsof
het einde begint
we roepen de plagen
over ons af
dikhuid
dikhuid
- voor Erik, Norbert en de jongedames -
olifanten, noem ze geen
dikhuid: ze rouwen als wezen,
geven de schedel van een vader
door als een erfdeel, een ark
des verbonds
jaar na jaar ruist de savanne
alsof uit de hoogste baobab
een muezzin ze riep
noem ze geen dikhuid,
ze rouwen als een moeder
na de maaltijd van gieren,
termieten naderen zij
als genodigd aan een tafel
van afwezigheid
jaar na jaar alsof een priester
ze samen riep en boven het gras
staan de hoofden
in bedaarde levitatie
uit de zindering van zand,
bloedrode zon steekt
de tromp, loeit gebeden
naar de damp van een bron,
een einder verdwenen
in heiigheid
een toren van smeken
een teken van verwijt
noem ze geen dikhuid
geen blinde weemoed
kan zo rouwen
hybris
hybris
- de mens is een god in zijn dromen, een bedelaar wanneer hij denkt. Hölderlin -
bij wijle moet je wel
genoegen nemen met deze woorden
deze gunst
uit de gaarkeuken van de goden
de broodkorf van een schone
een zedig geklede
die doet aan goede werken
en wie let er op het trekje
om haar wipneus
het merkteken van de walg?
je hebt een balg
en die wil vreten
je bent een naamloze
die genoemd wil zijn
dit is het kwaad
dat aan ons door onszelf geschiedt
deze schrei en schreeuw om geschiedenis
wie van ons houdt
moet ons onthouden
bewaren in een vitrinekast
op het sterk water van de rouw
of sterker nog onder het keldergewelf
waar vorsten rusten met gevouwen handen
en honden en globes aan hun laars
met minder dan een kaars
van getrouwen die devoot prevelen
ten eeuwigen dage
nemen we geen genoegen
minder dan een naam
van een hemellichaam of maanzee
is voor ons missen en ontberen niet genoeg
schattenjacht
Bij De Standaard van donderdag 17 januari zit een luxueuze folder met als ondertitel 'De jacht op de truffel'. Het is reclame van Landrover.
We zien mooie foto's van een jeep die zoeft langs een moerassig landschap, door een bos gehuld in ochtendnevel: de natuur moet je exploreren in een Landrover.
De associatie is duidelijk: truffels zijn net als kaviaar delicatessen weggelegd voor de succesrijken onder ons.
Geen probleem: we gunnen de happy few hun culinaire exclusiviteiten. Lastiger om te aanvaarden is het oneigenlijk gebruik van terreinwagens als statussymbool.
Waarom dulden we SUV's en 4x4's in onze agglomeraties?
Als roken gebrandmerkt wordt als anti-sociaal gedrag en meer en meer geweerd wordt uit het openbaar leven, moet dit dan niet ook gelden voor sterk vervuilende wagens?
Een recent bericht leert ons dat steeds meer longkankers optreden bij niet-rokers en patiënten zonder een voorgeschiedenis van passief roken: de oorzaken moeten in het milieu worden gezocht.
Is in het verkeer de vrijheid en luxe van de enkeling dan geen aanslag op de vrijheid en gezondheid van een meerderheid?
De verkopers en bezitters van Landrover (de prijs gaat van 31 500 euro tot 99 500 euro) zullen deze vragen wegwuiven als uitingen van afgunst.
Dat is de gemakkelijkste taktiek: lage motieven toeschrijven aan een tegenstander. Er zijn de objectieve feiten: de keuze voor een vervuilende wagen die niet aan een noodzaak beantwoordt, is een daad van agressie.
(En dan heb ik het nog niet over de rijstijl van de meeste chauffeurs - niet allemaal - van een 4x4.)
Als de sigaret mag verboden worden in de horeca, dan mag de terreinwagen verboden worden in onze binnensteden en dorpskernen.
Lucht is lucht en longen zijn longen, om het even in welke ruimte men zich bevindt.
Of moeten we alweer vaststellen dat de commercie voorrang heeft op de 'schone' principes?
boomgedicht
sta op je strepen, een boomgedicht
leg je twijfel af, trek strepen
in het zand: tot hier, bekende,
kom niet verder, vreemdeling
een mens is een mens, een boom
een stamboom met wortels en spillen
van duizenden eeuwen: ja, wij
mensen vertonen dierlijke streken,
niet zo sierlijk als de dieren
laten we ons gedragen
bij de beesten af: voortaan
vlooien we elkaar, braken voedsel
in een krijsende keel
we sluiten de rangen, openen
de kring: zo lopen onze strepen,
stippellijnen in het zand,
geen ‘rabbit proof fence’
we heffen de hand
om uit te delen, slaan harde noten
op hardere stenen stuk en paren,
bespelen onze lieve lust
als een betoverend instrument
trek hier je strepen: kom niet
verder, bekende, dan grommend
van genot; treed in de kring, vreemdeling,
we likken je wonden schoon
zie ons bij vallende avond, gezeten
als donkere vruchten in één boom,
als dotten van vogels die niet hoeven
te vliegen: geen enkele vlucht
overtreft onze droom
we delen onze strepen
met vreemde en bekende
in een boom die ons even
van de aarde verheft
Bulgaarse kinderen
Abandoned Children
Vaak wordt de pers de vierde macht genoemd in een democratie. Wat dit in concreto kan betekenen, werd maandag even voor middernacht gedemonstreerd door de Britse documentaire over de kinderen van een opvangtehuis in het Bulgaarse Mogilino.
Volgens de aankondiging op de tv-bladzijden van De Standaard werden de directrice en haar assistent achteraf geschorst door de Bulgaarse regering.
We zagen beelden die ongewild deden denken aan de Naziconcentratiekampen, de resultaten van de 'behandeling' waren in elk geval dezelfde: kinderen stierven door ontbering, de overlevenden zien er uit als skeletten.
Een cynische bevlieging zei in mijn hoofd: dan waren die gaskamers met hun vrijwel onmiddellijke dood nog heel humaan.
Mochten het ganzen zijn geweest dan stond Gaia nu al op straat om luidkeels te protesteren tegen de manier waarop deze kinderen werden gevoed.
Waren deze directrice en haar personeel monsters te vergelijken met de kampbeulen?
Het monsterlijke in heel dit schandaal is de onverschilligheid: het maakte deze vrouwen (op 1 uitzondering na) en hun superieuren geen ene moer uit wat het lijden van hun slachtoffertjes inhield.
De documentaire bevestigt mijn overtuiging dat het kwade meestal niet gebeurt omdat er zoveel kwaadaardige mensen rondlopen. De verdorvenheid kan haar slag slaan omdat zoveel meer mensen wegkijken of onbewogen toeschouwers blijven.
Dit was zo met Hitler en Stalin, begin de jaren 1990 in Bosnië, in 1994 in Rwanda, dit is al meer dan 10 jaren zo in Oost-Congo. Het geldt voor Darfour en vul zelf maar de namen aan.
Kon Dutroux uitgroeien tot het monster dat hij geworden is zonder dit wegkijken, deze onverschilligheid van onze engelbewaarders van gerecht en politie en hun controlerende politici?
En wat is onze houding?
Dostojefski schreef: 'We zijn schuldig aan alles jegens allen.' Dit schuldbesef is een variant op het christelijke zondebesef dat de overgevoelige schrijver heeft gecultiveerd, en het is zonder meer verpletterend en dus onleefbaar.
Beter leefbaar en werkbaar is het concept van medeverantwoordelijkheid: we dragen niet alle verantwoordelijkheid op onze schouders maar toch ons deeltje - de ene keer al wat groter dan een andere keer.
In het geval van dit Bulgaarse opvangtehuis gaat het om feiten binnen de EU, kortom binnen ons eigen democratisch systeem.
Onze eigen politici hebben hier direct of indirect iets over te zeggen en wij als vrije burgers kunnen hen aansporen om iets te ondernemen.
De journaliste en haar collega's van het zo vaak imponerende Channel 4 hebben hun plicht gedaan en meer dan hun plicht: we zagen een engagement, een nauwelijks onder controle gehouden woede en droefheid zoals je die enkel van heiligen verwacht.
Blijkbaar kan deze wereld niet zonder dit soort pioniers: individuen die met enige helfdhaftigheid vooroplopen, niet met de bajonet, maar met de kracht van het woord of het beeld.
En dat beeld ontploft dan even voor middernacht als een handgranaat in je huiskamer.
Je hebt een inslaapmiddel nodig om de nacht in te glijden, een warm lichaam aan je zijde.
Warmte, daar gaat het om: onverschilligheid is de ijstijd van de ziel.
Nogmaals verwijs ik naar het korte dialoogje uit een schoolagenda van het katholiek onderwijs:
'Oosterse leerling: Meester, hoe komt het dat het kwade altijd wint in deze wereld?
Oosterse wijze: Omdat de goeden zo weinig doen.'
Men hoeft geen Atlascomplex te hebben of navolger van Christus te zijn om 'iets' te doen: alleen de onverschillige kijkt onbewogen toe en onderneemt helemaal niets, wat alleszins minder is dan het geringste gebaar van medeleven.
'Wat gij aan de minsten van de mijnen hebt gedaan, hebt gij aan mijzelf gedaan,' zei een groot profeet. Hij schreef in het zand. Hebben wind en water zijn woorden uitgewist?
Tobback versus D'hondt
Samson en Gert
Gert en Samson
In de catacomben van Nooitgedacht was gisteren Gert Verhulst aan de beurt. Ik kan het niet laten even stil te staan bij zijn verzuchting: 'Er moet toch iets zijn na onze dood anders heeft ons bestaan geen enkele zin.'
Mij is het een raadsel waarom mensen niet voldoende reden vinden om een 'zinvol' leven te leiden in het leven zelf, in hun ervaring van zichzelf, de natuur en de medemens. Waarom heb je de wensdroom van een nabestaan in de eeuwigheid nodig om bepaalde keuzes te maken: wie geen vervulling vindt in de daad zelf en de zichtbare gevolgen, zal ze vergeefs zoeken in een gedroomde doelstelling. Tenzij de wensdroom op zichzelf al volstaat: terugkeren in een ander organisme, meestralen in de stralende nabijheid van een goddelijk wezen, 70 ongerepte maagden - het zijn allemaal verrukkelijke fantasieën en als je leven hier eentonig of deprimerend is dan haal je uit deze droombeelden inderdaad enige troost. In wezen staat het iedereen vrij om te dromen wat hij of zij verkiest.
Iets anders houdt mij meer bezig: het commerciële succes van Samson en Gert en hun Studio 100. Gert Verhult heeft het zelf al heel terecht opgeworpen, met name in Nachtwacht : 'Waarom verwijt men ons dat wij kinderen exploiteren en heeft men dit nooit gedaan met Walt Disney?'
De kritiek zal ongetwijfeld met afgunst en typisch Vlaamse bekrompenheid hebben te maken: iedereen wordt weggemaaid die zijn kop eventjes boven het gras uitsteekt.
Niettemin is er een nieuw fenomeen opgedoken vergeleken bij onze jeugd in de jaren 1950 en ’60. Wij zagen de Disneyfilms in de bioscoop of later op tv maar werden niet bekoord door allerlei Disneygadgets.
De merchandising is een verschijnsel van de laatste 20, 25 jaar en wanneer ze gericht is op volwassen consumenten lijkt er niets aan de hand als we even vergeten hoe vaak mensen in de problemen komen door te kopen op krediet: de veronderstelde wijsheid en zelfbeheersing zijn ook bij volwassenen in vele gevallen ver te zoeken.
Maar als de verborgen of duidelijk zichtbare verleiding het gemunt heeft op kinderen dan staan we toch voor een morele afweging om twee redenen: via de kinderen worden de ouders bewerkt, ook de ouders met een bescheiden inkomen; en op het niveau van de kinderen zelf zien we een mechanisme van uitsluiting net als in het geval van de merkkledij.
Afhankelijk van de mode hoort een kind zonder pennenzak of boekentas van Samson of Pocahontas er niet bij: het wordt bekeken als een minderwaardig schepsel, een loser.
De psychologische gevolgen kunnen ernstig zijn: een kind dat zich uitgesloten voelt, kan daar een trauma aan overhouden en zal dikwijls minder presteren op school en voor de rest van het leven littekens in zich dragen.
Mocht deze commercialisering een seksuele inhoud hebben dan zouden we spreken van pedofilie en onze verontwaardiging zou leiden tot een heftige afwijzing en veroordeling.
Nu gaat het enkel om handel drijven en dan moet alles kunnen: kinderen moeten een eigen rekening kunnen openen, moeten inspraak krijgen thuis, op school etc
Het bovenstaande klinkt zeer moraliserend maar ik voel mij er dan ook bijzonder ongemakkelijk bij:
waarom gedragen we ons zo toegeeflijk tegenover commerciële verleidingen?
Om te beginnen heeft het met een introductie in de cultuur van hebzucht te maken: ik ben niet wie ik ben maar ik ben wat ik heb. Zo installeert men reeds op heel jonge leeftijd een waardenpatroon: het ultieme doel in het leven is zoveel mogelijk bezit te verwerven en zich door dat bezit van de anderen te onderscheiden, niet door gewoon anders te zijn maar door de anderen te overtreffen. Ten tweede ontstaat de gewoonte om iedereen te stigmatiseren op basis van uiterlijkheden: jij bent o.k. want jij draagt de geschikte kledij of jij bezit het juiste voorwerp, en die andere is niet o.k. want die loopt er anders, goedkoper en dus minderwaardig bij.
Een van de grootste paradoxen van onze tijd is de vaststelling dat de opmerkelijke sprong voorwaarts inzake welvaart sedert de jaren 1960 niet geleid heeft tot een even sterke toename in het ‘welbevinden’ of het welzijn: onze burgers zitten vandaag niet beter in hun vel dan 50 jaar geleden.
Zou dit niet afgezien van de ontoereikendheid van elke levensvorm – de inherente onbevredigbaarheid van het menselijk verlangen – het gevolg kunnen zijn juist van die eenzijdige nadruk op welvaart, op toegenomen bezitsverwerving en consumptie?
De ouderwetse dichter Prosper van Langendonck schreef in zijn eertijds beroemde gedicht ‘En verre tochten gaan en zullen gaan’ dit vers:
‘vervulden wens baart nieuwen wens en ’t kan niet stille staan’.
De meeste dingen die wel voldoening schenken zijn in principe gratis: liefde en vriendschap, de schoonheid van de natuur, het plezier van het sportieve bewegen, de zelfexpressie in kunst en andere creatieve bezigheden, het uitvoeren van rituelen in de ervaring van gemeenschappelijkheid.
Dit is geen pleidooi tegen de economie: zonder economie vallen alle zogenaamd ‘hogere’ levensvormen in duigen. Wel gaat het erom kinderen van jongs af aan te leren kiezen: meer is niet altijd meer, integendeel: net zoals in de kunst is minder vaak meer – meer intensiteit, meer verrassing en voldoening. De gewoonte slijt alles af, wat als vanzelfsprekend wordt ervaren verliest zijn wonder en verwondering: wie staat er nog bij stil dat het een dagelijks mirakel is dat Bach en Brel onze huiskamer binnen komen alsof ze in leven zijn en dat allemaal via wat koperdraad?
Ben je even blij met je honderdste cd als met je eerste? Tintelt je buik even intens bij de duizendste kus als bij de allereerste? Het duurbare is schaars omdat ons vermogen tot intensiteit nu eenmaal beperkt is: we kunnen geen 100 boezemvrienden hebben en evenmin smoorverliefd zijn op 1 000 partners tegelijk.
Toch is het precies dit vermogen tot intensiteit dat onze waarde bepaalt: hoe innig kun je genieten van een bloem in de tuin, van bloeiend onkruid in het veld, van het licht op een kanaal of vijver?
Vandaar mijn onbehagen bij Gert en Samson en hun buitenlandse collega’s zoals Walt Disney: brengen zij onze kinderen de verwondering bij, het gevoel iets unieks mee te maken – of bereiden zij de afstomping voor, de zure houding van nooit genoeg?
Een verstandige opvoeder zal hierin een keuze maken: leve de sprookjes die de verbeelding prikkelen, weg met de gadgets die kinderen misvormen tot hebzuchtige monstertjes.
model
model
een week later
na de eenmalige vermalende nacht
van haar vergeefse graaien en blaten
alsof zijn ding een dreglijn was
en zij een beven in het water
dat smeekte om leven
nagerekend, zeven nachten later
kwam ze poseren
en zelfs dat liep mis
de camera blokkeerde
hij stommelde met het spotlicht
eenmaal schroeide hij zijn hand
aan haar vorstelijke borsten
die schommelden
als een ouderwetse weegschaal
wat wogen ze af: dit gestuntel
van een bijna bejaarde beginneling
tegen de studio in Brussel
waar ze naakt moest spartelen
tussen twee levensechte jonge tijgers
die haar likten en ladders trokken
in haar zijden huid
haar school was uit
hij kwam ze tonen
het tweetal beelden
waarop ze niet werd platgedrukt
hij stond daar in de deur
verpletterd door schaamte
en zij leek dankbaar zowaar verrukt
een jaar later
in de Gentse Cirque Central
vliegt ze in zijn armen
haar Brusselse vrienden volgen een bal
aan een verre biljarttafel -
weer die ogen van een prooi
vergroot door drugs of doodgewoon
opgesmukt door verrassing:
waarom hebben we die fles
toen niet ontkurkt?
Palestina
Palestina, het beroofde land
Mozes bleef op de heuvel staan,
Aron moest het doen, de engel
met bazuingeschal: muren
slopen rond Jericho
de stamvader kwam uit
een tweestromenland,
had gehoord van een
tweestemmenland, twee
bloedstromen van oog
bij oog en tand bij tand
elke rover voelt zich
uitverkoren, schrijft
een grondwet zonder grond
terwijl de herders aan de rand
op hun heuvel staan en geen
schaap het andere wil stropen
o rivier van mijn Jordaan,
stroom, armzalig beekje
door het tweeogenland
wie bewaakt de grenspost
van het grenzeloze, de wadi
zonder water waardoor
melaatsen strompelen
met lege oogkas
op een kale heuvel bleef
Mozes staan, ver van muur
en tempel – zeker, hij zag
de koepels van goud
zacht als vrouwenborsten
in de rode avond
alles in tweevoud en elk
een volte op zichzelf
de bijl lag nog aan de
wortel, geen boom
werd gespleten in zijn kern
ne te fâches pas
ne te fâches pas quand tu pars. Fanny Ardant in ‘Le Colonel Chabert’
ga niet woedend van me weg
ik moet je nog onthouden
als een hoofd dat op een kussen lag
het ei dat in warmte openbrak
wanneer de regen een woedende
roffelde op het dak
als een zwijgen in een zetel
wanneer de radio speelde
of dat plaatje van toen ik jonger was
en je zei: het klinkt als mosselen in een ketel
als een stap die terugkeerde
op de trap omdat je weer eens
je autosleutel was vergeten
en grijnsde om wat Freud daarover leerde
ik moet je nog onthouden
als een lijkbleke
in een lege kamer overgeleverd
aan een witte schort aan het koude
watersoepje in je bord
ga niet woedend ga als vroeger
een lachende op een fiets
wuivend naar de boten
en lachend om niets
voorlopig verloren in een bocht
voorbij het wuiven van het koren
ik hou je bij de hand
al glijd je door mijn vingers
een hijgende schaduw
in die zomernacht
dat we het deden op het strand
als het donkere kuiltje in de morgen
vóór het opschudden van het kussen
als de geur van sokken in een builtje
die oploste in de regen
een muisjesregen die trippelde door de heg
en de heg verwijdde zich voor mijn ogen
tot het wuiven van wouden
ga niet woedend van me weg
zo wil ik jou niet onthouden
mosterd na
mosterd na de maaltijd
soms kom je wat te weten
en weet je het niet meer:
je vader een mijnheer
met wie je ooit hebt gezongen
volksliedjes voze schlagers
‘vier weverkens, twee ogen zo blauw’
was een ander dan de verlegen
ouwe jongen aan de verjaardagstafel
een blatende kater bij de buurvrouw?
hoe anders was het jou vergaan
als de vaderlijke klant, heer van stand
aan wie je dit veilig kon vertellen
jou één keer te verstaan gaf
of toeliet te veronderstellen
dat hij niets zo zeer wou
als een kind van jou
was er een hint
die je hebt gemist
een hand die wat langer
aan een arm bleef hangen
een blik die open stond
als een donkere deur
je herleest je leven
als een moeilijk boek
dat je te leen hebt gegeven
aan een wijze die onderstreept:
wie valt te verwijten
wat je niet eerder begreep?
à la Edna
à la Edna St. Vincent Millay
huichelaar, slik die woorden
maar weer in: ‘ik hou van je
met al mijn dromen’
hoeveel ikken ben je heb je in de zin
als je houdt van zoals je droomt?
wie loopt er van ons weg
als je verstijfd hangt te staren
wanneer de wereld nog ligt ingepakt
in zijdepapier van nevel:
welke popjes laat je dansen
op welke polka welke riedel?
wie gebaart zo galanterig
met zijn handen al zit hij
te wippen met zijn kont
telkens jij aan tafel praat
met gesloten mond?
wie hoort de lieve of lustige woordjes
die jij zo praatvaardig kunt verzwijgen
van wie zijn die grandioze lijven
die jouw virtuoze handen mij tonen?
wie komt er nu weer met je hijgen
achter jouw dichtgeklapte ogen
aan welk orgietje neem ik deel
ben ik erbij word ik bedrogen
in welk koortje zing ik mee:
‘ik ook van jou’ – stel je voor:
‘met al mijn dromen’
heb ik er soms te veel?
bekende en onbekende soldaten
over bekende soldaten en onbekende doden
weinig verandert ten goede en niets
zodanig als de trefzekerheid
van beelden en wapens
duizenden doden begraven zonder naam
noch aangezicht, een tweetal om wie
getreurd wordt op de treurbuis
de Stars’n Stripes
over hun kist
je zag het als kind in een parochiezaal:
‘Ik had vijf zonen’
helden die zich verweren op een vliegdekschip
en Jappen, krijsende apen, die zich te pletter
vliegen – het einde een slow motion in zwart-wit:
vijf jongens vooraan in de twintig die terugkomen
naar hun moeder en afscheid nemen
achterwaarts een trap opklimmen
die is uitgevouwen in de wolken
het was kermis die zondag
en moeder kwam je halen
want vader diende als kelner
in een hoekje van de markt
je kop was een loden bal
die ontplofte op de eerste molen
zoveel is veranderd
moeder komt nog in slow motion
en vader is een kelner
in de taveerne van de hel
namen verschenen, gezichten
en de vlag is nu in kleur
maar de rouwberichten
haasten zich in dezelfde richting
door de aarde loopt nog steeds
dezelfde scheur
Macondo
vivir para contarla – Marquez
wie begon niet in Macondo
in een stofferig dorp
waar een trein komt met houten banken
die schommelt door de nacht
hij waggelt als een vertraagde kaaiman
naar het water
met een glazen ei in zijn muil
dan een stoomboot met een paar kajuiten
waar huurmeisjes aan noodhulp doen
en in een hangmat soest een moeder
zij droomt de verhalen
die jij vertelt
en altijd snelt
het geheugen door de stroperige stilte
wanneer de hitte de zandstraten veegt
van al wat ademt al wat leeft
men moet wel ooit terug
op de tonen van een stoomfluit
in een trein die halt houdt
bij stationnetjes van kale planken
men moet wel naar een Macondo
naar de taal van een kolonel
een grootvader met een sabel
die alle duivels kent uit elke hel
het begon in een Macondo
met bloedende boeren op een plein
er kon een bar zijn een biljarttafel
een patio in bloesem
van mango en amandel
er kon een kerselaar zijn en staken
in een zanderig bed
met reukerwten een stek tomaten
onder een folie of armzalig glas
maar altijd verhaalt men een Macondo
dat men droomt en niet zoals het was
my generation
talking about my generation – The Who
ja, jongen, je papa bleef
hangen in de Sixties en hij
is er blij mee – kijk maar:
Monterey, Woodstock, Jimmy
steekt zijn gitaar in brand, Janice
krijst de ziel uit haar lijf, Otis
probeert wat tederheid
geloof je: een altaar werd
verschoven, de kudde keek
haar herder in het gezicht,
zag dat de keizer weinig
kleren droeg en hurkte
stralend als een lotus
en Suzanne neemt je mee,
voert je thee bij de rivier
meer dan duizend bloemen
mochten bloeien, de vogels
van verbeelding vlogen uit
hun kooi, de povere broeder
leerde de geduldige kunst
van vissen, broden werden
vermenigvuldigd, rolden
door steppe en woestijn
en Suzanne leert je zeilen
eindeloos op haar rivier
je grijze papa wrijft over
zijn genoeglijk buikje, schuift
een anjer in een stalen loop
hoor je, zoon, hoe ze broeden,
de vogels der verbeelding,
op een ei van eeuwen melk
en honig en vrede in eigen
hoofd en verre streken
en Suzanne zegt dat Jezus
kon lopen op het water
luister maar: Bob, de angelieke,
kondigt nieuwe tijden aan -
hij wou het ook niet weten
dat bloemen ontbladeren,
bonte vogels doodgaan in een ei
hij zag de aarde op haar
eerste dag en niet de buikjes
uitdijend als een heelal

