Naar de inhoud

boek onder lava

verzwegen berichten
seniorennet.beseniorennet.be

Over het gesjoemel bij Sabena.

Gedurende de ruim dertig jaren van je leraarsschap heb je nooit anders meegemaakt dan dat leerlingen met een ‘afwijkend’ uiterlijk door collega’s, opvoeders en directie onder druk werden gezet, vaak de klas werden uitgestuurd en soms zelfs van school verwijderd. Je tegenargument is altijd geweest dat niemand ooit zo onberispelijk gekleed is gegaan als gangsters en fascisten. Vader vertelde over het gigantische verschil tussen de Fritzen uit WO I en het Herrenvolk van WO II: de eerste zaten onder de luizen, de tweede gingen gekleed in keurige uniformen. Oplichters en fraudeurs winnen het vertrouwen van hun prooien en van het grote publiek door hun uniform van burgerlijk fatsoen. Ook de kopstukken van het Blok zal men nooit betrappen op slordige kledij.

Besluit: het is verleidelijk om mensen te beoordelen op basis van hun uiterlijk maar niets is zo dom. En het fenomeen gaat verder dan de stralende bazen van Sabena: steeds weer zien we imago’s op tv, of het nu om een president gaat of om een zakenman. En steeds weer reageert het publiek volgens een schema van sympathie versus antipathie, louter gebaseerd op een oppervlakkige verschijning. De Romeinen zegden het al: ‘mundus vult decipi, ergo decipiatur’ – de wereld wil bedrogen zijn, laten we hem maar bedriegen.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 20:48 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

gordijnen

 

eindelijk gordijnen


 

de gordijnen zijn rood

waterig bloed – ze dempen

zelfs je zwijgen, zegt zij

en het klinkt als een scheur

 

het decor heeft veel weg

van een vrolijke rouwkamer

een fuifzaal zoals necrofielen

die dromen terwijl ze meisjes

zien met scapulier en halsband

van zilver en fluweel

 

het rood vraagt om een naakte

vrouw, een zandloper van oker

en opaal – leg haar open

 

als een kostbaar heilig boek

op het aanrecht van leisteen

een offer aan bedronken goden

die dobbelen om haar huid

 

wijnrood, een jonge Bardolino

een avond die dood bloedt

in een kalm bewegend meer

 

het slurpt de schaduwen

uit de glazen kamer, glanst

zoals ogen wanneer de tong

wordt gestreeld - je hoort

 

alleen nog in de gelagzaal

van je schedel een kroes

die stoot op een kroes, zijde

die scheurt en batist, het dons

op een huid dat wiegt, weerstaat

en meegeeft zoals wieren

 

in een stroming die wentelt

en vloeit, wervelt en uitvloeit -

deze avond is rood en wij met

minder bewegen als een meer

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 12:16 Reageer op dit bericht

over Merksplas

 

Over Merksplas

Volgens de grote baas van de Belgische gevangenissen, Hans Meurisse, valt het best mee met de wantoestanden in de gevangenis van Merksplas. Hij heeft slechts weet van één klacht. Is dit niet typisch voor bureaucraten: klachten of  problemen bestaan pas wanneer ze op papier staan en liefst op een door de administratie opgelegd formulier.

Het gevaar van dit bureaucratisch formalisme is dat de betrokkenen hun geloof in de rechtsstaat verliezen. Bovendien kunnen gevangenen in hun toestand van afhankelijkheid gemakkelijk worden geïntimideerd om niet over te gaan tot het officialiseren van hun klacht.

Er schort duidelijk wat met de selectie en de opleiding van onze cipiers, wat wellicht te maken heeft met objectieve factoren zoals een relatief lage verloning en een stresserende job.

De fundamentele vraag die ons allemaal aanbelangt, is: beschouwen we onze gevangenissen als moderne vergeetputten of als een ultiem middel tot heropvoeding?

Een beschaafd land kiest voor het laatste maar moet er dan ook voldoende middelen voor uittrekken: voor een menswaardige accommodatie en vooral voor werkomstandigheden waarin bekwame mensen correct kunnen functioneren.
 
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 09:39 Reageer op dit bericht

mont ventoux

uit Een stuk of wat



Mont Ventoux – Malaucène

 

zo wordt een engel geboren:

hij trekt spieren aan flarden

als krantenpapier, wekt

knaagdieren op in de hypnose

van de jongensdroom, spert

gewrichten als een vechtende bek

 

vliegen is breken

uit een omsingeling van vliezen

luchtlaag na luchtlaag

wordt het zijn dunner, doorzichtiger

met zicht op de inzakkende aarde

als op een vruchtzak die benauwde

 

luchtigheid is het licht binnenrijden

na de laatste bocht in het bos

de tickertapeparade van gillende

rotsen, hotsende wind

 

een engel vindt zijn heerschappij

in spiegelbeeld, beveelt de peilstok

van de zwaartekracht als polsstok

van zijn sprong – een engel

 

die zegeviert is vergevensgezind

hij omhelst zijn vijand op de fiets

suizend naar de diepte

zoals een dode dromend het niets

sust, de ontkenning verzoent

met haar dorre schoot

 

een engel heeft engelengeduld

met de dood

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 11:39 Reageer op dit bericht

een woordje tegen wanhoop

uit Een stuk of wat



een woordje tegen wanhoop

 

een woord van troost

voor als je roep smoort in je tranen:

jij stookt een eeuwig vuur

jij houdt de verontwaardiging uit haar slaap

 

als oren verschelpen, als ogen geverfde

vensters zijn op een blinde muur

bewaar je tranen zuiver, bewaar

dat zoute zaad, bewaar en zaai het

als een dopvrucht ter verbetering

van de bodem, een gele bloem

ter herinnering aan de zon

 

jij bent het teken

dat de duisternis nooit volslagen is

o jij bent machtiger dan de macht

geweldiger dan geweld

want een genster van het eerste vuur

een druppel van de eerste bron

de wekkende adem heeft geblazen

in jouw vlees dat van de eerste aarde is

 

en de eerste aarde is taaier dan de bom

zoals de bron laaft en zuivert

zoals gif en leugen verademen

aan het vuur

dat niet dooft of het ontvlamt:

een laaiend spel van alle tijd

 

speel spel een woord van troost

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 08:20 Reageer op dit bericht

hoofddoekje voor het bloeden

verbod op hoofddoeken in Antwerpse bestuur

Het Antwerpse stadsbestuur heeft beslist dat ambtenaren geen zichtbare tekenen van hun (geloofs-)overtuiging mogen dragen.
Het discriminerende zit in het woord 'zichtbaar': het is nogal duidelijk wie onder deze verbodsbepaling valt - de chassidische joden en de moslima's. Maar de eerste groep solliciteert niet bij de overheid, die blijven werken en leven binnen hun eigen milieu.
Voor alle duidelijkheid: deze jongen is een overtuigd atheïst. Maar in wat voor samen-leving komen we terecht wanneer het dragen van symbolen die tot een godsdienst behoren op zich reeds een bron van ergernis  en wantrouwen zijn, in die mate zelfs dat ze moeten verboden worden?
Zouden gelovigen en ongelovigen dan niet meer kunnen samenwerken?
Terloops: het gaat hier wel om de hoofddoek, niet over een boerka of gezichtssluier die de identificatie onmogelijk maken en terecht worden verboden.
Politici en burgers lijden aan selectief geheugenverlies: in de jaren vijftig en zestig van vorige eeuw droegen vrijwel alle Vlaamse vrouwen een sjaaltje of hoedje om naar de kerk en naar de markt te gaan. Dat behoorde tot de toenmalige fatsoensregels. Het is niet mijn opvatting van fatsoen, maar als de betrokkene daarvoor kiest - wat duidelijk iets anders is als ertoe gedwongen worden - wie ben ik dan om daartegen bezwaren te maken?
Hoe ontstaat religieus fanatisme? Onder meer door onschuldige symbolen uit te sluiten.
In een OCMW-ziekenhuis, zoals het Brugse AZ Sint-Jan, mogen dan ook geen zusters meer te zien zijn die zich als kloosterzuster manifesteren. Mij interesseert de kwaliteit van hun inzet, niet de kap die zij eventueel dragen.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 12:05 Reageer op dit bericht

brood en spelen

please in my backyard
 
In zijn column 'brood en spelen' ontwikkelt sportjournalist Rik van Walleghem (in £De Standaard van maandag 15 jan) een zonderlinge redenering.
Hij geeft toe zelf niet bevoegd te zijn om over het project voor een nieuw Club Bruggestadion te oordelen, maar de contestanten noemt hij alvast 'ecosnobs'.
Het meest onthutsende is zijn stelling dat in een democratie de regering en het parlement beslissen en dat men dat moet aanvaarden.
Dus gedaan met het manifesteren tegen een oorlog, een bedrijfssluiting etc wanneer regering en parlement daartoe hebben besloten.
Heeft van Walleghem als legalist nog nooit gehoord over basisdemocratie? Waarom zijn er opiniebladzijden in elke fatsoenlijke krant: om deze te laten vol schrijven door parlements- en regeringsleden? Zullen we de vakbonden dan ook maar afschaffen en alle comitées die zich inzetten voor minderheidsgroepen?
Sportjournalistiek en politiek inzicht gaan blijkbaar niet zo best samen, maar steeds vaker dringt zich de vraag op: zouden journalisten zich niet beter beperken tot de onderwerpen waarin ze echt beslagen zijn?
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 09:54 Reageer op dit bericht

bezoekrecht

uit  Een stuk of wat

 

bezoekrecht

 

morgen haal ik je af, je zal

achter in de wagen zitten, vragen:

mag ik het hondje binnen laten

mag ik nu fietsen door de kamer

mag ik in bad met jou

ja lieverdje ja alles mag

als we thuis zijn als we daar zijn

waar alles is dat mag

 

en wat niet mag dat is al weggeborgen:

veertien dagen van ergernis

veertien dagen uit de treurenis

veertien dagen van voortbestaan

 

morgen kom je dit schone huis weer in

voor het anderhalfdaagse vadertje-spel

dikke vriend van jou

dikke vriend van mij

het beertje is alweer wit het aapje slaapt

en de boer komt terug uit zwitserland

en die blanke sarie na die blanke ou transvaal

 

en die avond overmorgen zal de avond

van moederdag zijn: zingen en bloemen in zilverblad

hou jij het bosje wel recht daar op de achterbank

de wilgenroosjes

wij hebben ze samen gezocht waar de jagers zijn

bij de blue bells bij de blue bells

bij de avondkoekoeksbloem

 

je lach die avond zal purper en schurkig zijn

overmorgen mijn avondmond: nog een zoentje

ik lever je af ik lever je uit

tot ziens tot de volgende keer

 

mama, mag ik op de vensterbank kruipen

over je haakwerkje wuiven naar

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 13:12 Reageer op dit bericht

uit Van Toen en Thuis

Marvan

 

zaken deden we als het solden waren:

kozijn Pierre die naast ons woonde

in een minihuisje verscholen door de hagen

van de Koerspleinstraat

was verkoper in de verre Marvan

op de hoek van de chique Nieuwstraat

en telkens de winter ten einde liep

gaf hij een teken, een wenk

dat er ‘wat te rapen viel’

 

vader knikte,  rolde

een magere sigaret,  spuwde

weerspannige pluisjes van zijn onderlip

 

Pierre kwam dan ’s avonds laat

met een kostuum ‘iets opportuun’

Pierre had smaak en nooit

zat hij er naast met de maten van zijn neef

 

en één seizoen bracht hij

een droompak mee: een zacht beige

in ribfluweel – het was om je eigen

kont te strelen: het geurde in de regen,

straalde in de zon

 

nooit was ik zo verlegen

als met die eerste vetvlek aan een zoom

toen ik mijn fietsspeld was vergeten

nooit ben ik zo droef geweest

als toen ik de plekken voelde waar

mijn zadel de beige ribbels had kaal gesleten

 

ik werd keeper bij Vigor en ‘kreeg een scheut’

mijn armen schoten uit mijn mouwen, op de duur

verloor onze duitenkliever zijn vertrouwen

in dat ‘schoon gerief’ uit de hoofdstad

ik mocht gaan kiezen in de Kerkstraat bij de Lugi

want de baas die zat in het clubbestuur,

misschien deed  hij een woordje bij de trainer

 

en, ja, ik vond een droomjas

in de tint van een gezonde vos

en een vaste plaats onder de dwarslat -

Pierre zei dat ik er mooi mee stond

maar ik zag zijn ogen en zijn blos

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 10:05 Reageer op dit bericht

over sms'en

 In De Morgen van vandaag schrijft Bert Bultinck het tegenovergestelde van wat jij beweerde over sms’en. Hij varieert op de bekende regel van Goethe: ‘erst in der Beschränkung zeigt sich der Meister’. Wat door Herman de Coninck is vertaald in ‘minder is meer’. Wat weigert zo’n modieuze volksverlakker als Bultinck in te zien? Het fundamentele onderscheid tussen de beperking als zichzelf opgelegde keuze en de beperking uit onvermogen. Waarom pleiten mensen als Bultinck er niet voor om de woordenschat in het onderwijs te beperken tot de basis van 2000 woorden zoals in de woordenboekjes die voor de lagere school zijn samengesteld? Waarom doet DM zelf niet aan eliminatie: hoeveel leerlingen van het zesde middelbaar zijn in staat om zonder woordenboek en referentieapparaat of zonder de hulp van een leerkracht Nederlands deze krant te lezen?

Is dit geen idee voor de tofferds van DM: stel een krant samen die louter uit sms-berichten bestaat, dan kun je je 'creativiteit' demonstreren?
Ook in de sport, het voetbal en het basketbal, heerst vaak de slogan ‘keep it simple’, maar wat blijkt: juist die spelers die over een rijk arsenaal aan technische mogelijkheden beschikken kunnen het simpele uitvoeren - het spelen in één tijd lukt het best bij de virtuozen van Barcelona en Chelsea, heel wat minder in de Belgische competitie.

Het omgekeerde is evenzeer waar: de duistere taal van zogenaamd postmoderne filosofen is ontmaskerd als schijngeleerdheid. Meestal is het zo dat de helderste geesten zich ook het helderst uitdrukken, maar alweer is die helderheid een keuze en niet een gevolg van een gebrek aan woordenschat. Jongeren op school leren sms’en is de kar voor het paard spannen: leer ze eerst de taal in al haar rijkdom en leer ze inderdaad gelijktijdig dat je geen twee woorden moet gebruiken als je het met één kan stellen, maar dan geen ongeveerwoord doch het meest kernachtige, doeltreffende.

Tenslotte: heeft het zin een wellesnietesspelletje te beginnen over de al dan niet schadelijke invloed van het sms’en? Laat dit wetenschappelijk onderzoeken. Alleen nog dit.Tijdens mijn stage in de Gentse Voskenslaan zei een leraar-mentor mij het volgende: ‘wat doen we als we twijfelen aan de juiste spelling? We roepen een schriftbeeld op. Daarom is het essentieel dat leerlingen de juiste schriftbeelden te zien krijgen.’

Maar uiteraard weten journalisten het beter dan leerkrachten met jaren ervaring
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 19:00 Reageer op dit bericht

Merkwaardige gedachte van een overheidsambtenaar:



In De Standaard van vandaag  zaterdag zegt Rudi Aernoudt, de baas van het departement Economie en Wetenschapsbeleid: ‘Een moderne werkgever denkt niet in minuten aanwezigheid, maar in opdrachten, in werk dat gedaan moet zijn.’

Pas dit toe op de aangekondigde functieomschrijving in het onderwijs die in het vooruitzicht stelt dat leerkrachten langer op school aanwezig zullen moeten zijn. De essentie is toch dat er degelijk wordt lesgegeven, dat de leerlingen de begeleiding krijgen die ze nodig hebben en dat de school als opvoedingssysteem behoorlijk draait. Waarom zouden leerkrachten verplicht hun lessen op school moeten voorbereiden of hun huistaken daar verbeteren? Of is het louter de bedoeling tot een besparing te komen bij het opvoedend personeel en gaat het daarnaast om het sussen van de vaak gehoorde kritiek dat ‘die in het onderwijs toch in de watten worden gelegd met al hun vakanties en hun eindeloze vrije tijd’? Thuisarbeid of engagementen extra muros, bijvoorbeeld de voorbereiding van een studiebezoek, zijn niet controleerbaar uit te drukken in tijd, wel in kwaliteit. Betere leerkrachten zijn er nodig, geen corpussen die louter fysiek aanwezig zijn. En dat betere wordt bepaald door inhoudelijke en pedagogische eigenschappen, niet door het aantal kruisjes op een aanwezigheidslijst.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 15:01 Reageer op dit bericht

hetze tegen rokers

 

Over de hetze tegen de rokers.

 

Het kan zijn dat een totaal rookverbod op de scholen pedagogisch gezien de beste oplossing is. En het kan zo zijn dat jaarlijks meer mensen sterven aan de gevolgen van passief roken dan door verkeersongevallen, al blijf ik me afvragen volgens welke wetenschappelijke methode men die oorzakelijkheid vaststelt.

En het zal wel waar zijn dat 80 % van de Belgen zich ergert aan de stank van sigaretten.

Maar als je overtuigd bent van al deze schadelijkheid, waarom plaats je tabak dan niet bij de andere gevaarlijke drugs: verbied die boel.

De huidige regeling is halfslachtig en hypocriet; ze doet denken aan de vroegere benadering van de prostitutie: bij wet verboden en op alle mogelijke manieren gepest, maar de staat verdiende er via belastingen wel geld aan. De redenen waarom tabak nog niet is ondergebracht bij de illegale drugs zijn noch moreel noch medisch maar louter opportunistisch: er is de tewerkstelling in de tabaksindustrie en er zijn de accijnsen op de verkoop. Hypocrisie is niet alleen een katholieke deugd, zoals Mark Eyskens al bij herhaling onderstreepte, ze is het basiskenmerk van onze cultuur.
 
 
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 10:43 Reageer op dit bericht

a poet's lore

a poet’s lore a poet’s law

 

 

wat een dichter dient te weten,

vraagt een lezer:

simpel, zeg maar alles -

elke veer van elke engel

de troetelnaam van dode goden

 

de aarzelingen van de aarde

die haar seizoen beproeft

met sneeuw of bloemen

de werveling van  water

door de slagaders van de zee

de schimmels in hun schemer

 

de verhalen van alle volken

toen ze sprakeloos stonden

voor het plots verdwijnen van de zon

door het fonkelen van een vrouw

 

al de profeten, liefst de apocriefe

al wat men ooit voor waar hield

ooit heeft afgestreden

al de synoniemen van rad en galg

van Grande Guerre en Little Boy

van Groot Pardon,  het gif

dat de genen niet vergeten

de toponiemen van de walg

 

en steeds opnieuw de twijfel:

is dit nu loden ernst, een zwarte grap -

wat is dit wezen wie die vreemde

wiens bloed hier bonst aan mijn slapen:

een ontwerp van een komst

een opstap naar een engel

een ontsporing van de apen

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 17:01 Reageer op dit bericht

de keizer van herentals

uit Van Toen en Thuis



de Keizer van Herentals

 

‘Mottebol, de merrebol, hij schiet ze deur een veirkenshol’

Het was zo’n steegje van bijnamen, spotnamen, van afsnakken en achterklap. Erger gebeurde er niet. Mannen gromden, dronken samen een pint; de vrouwen hadden meer zorgen gemeen dan ergernissen die ze verdeelden. Een jongen stompte, een meisje dreigde met haar nagels of zegde het af. Vechten ging niet verder dan bekvechten. Het schelst van al over die Kempenzoon met zijn felle kop en buskruit in zijn kuiten.

De Keizer van Herentals dreef ons uiteen in twee clans: hevig voor, hevig tegen. De tegenstanders waren wisselvallig, windhanen: het ene seizoen dweepten ze met de aalvlugge Vannitsen, het volgende met een wieltjeszuiger als Joske Wouters – om het even, als het maar iemand was die tegen de uitdagende, zelfbewuste meester een kermiskoers kon winnen.

De ouderen waren standvastiger, die bleven trouw aan de Grote Rik, de koning van de piste, dubbel zo snel als Rik II, wisten zij en: ‘hij kon zoveel meer als hij wou’. Als hij wat minder zou lonken naar de felle wijven, maar daarover spraken ze pas later toen in Antwerpen de affiches werden uitgehangen van louche films waarin de wielergod na zijn carrière een soort dekhengst zou spelen – die films waren in ons dorp nooit te zien.

 

Mottebol, de ‘merrebol’, schoot ze door een varkenshol. Er werd wat afgeknikkerd in het straatje: op de brede sintelstrook naast het kasseitje, in het gootje van hobbelige stenen, op het effen zand van een rulle wegel. Mottebol verloor altijd: hij kon de schieter alleen vasthouden tussen wijsvinger en duim, het varkenshol, de anderen mikten met hun wijsvinger en middenvinger veel preciezer en knalden zijn knikkers uit ‘den bos’, uit het vierkant dat met een stok of scherf in de grond of in de plaveien was gekrast.

Dreke Ringoet was de grootmeester, dat spichtige ventje met die rare blauwe ader als een regenpijp dwars over zijn voorhoofd. Leo Braem won van Mottebol, Karel van Bos, Freddy Callebaut: wie niet – mocht een meisje hebben meegespeeld, zijn jongensachtig nichtje Denise bijvoorbeeld, ze zou hem even glad hebben afgetroefd: ‘Mottebol, de merrebol, hij schiet ze deur een veirkenshol’.

 

Een paar maanden vóór haar dood verongelukte het idool van moeder, de immer keurig gekapte, charmante Stanneken Ockers. Op een dag in oktober 1956 sloop Mottebol rond in de half verduisterde slaapkamer van zijn ouders, bang om betrapt te worden. Onderin een lade, op een plaats waar je nu een Playboy zou verwachten, vond hij de extra-editie van het Zondagsnieuws, met op de voorpagina een zwartwitfoto van de fietsende Rudolf Valentino. Mottebol herinnert zich moeders tranen toen de radio het fatale bericht uitbraakte.  Ondanks deze treurnis hadden ze met hun drieën, vader, moeder en Mottebol, al gauw een nieuw idool gevonden op de foto’s van de noodlottige meeting in het Antwerpse sportpaleis: achteraan de rij die op sleeptouw werd genomen door de Grote Rik, hing een nieuwkomer gebogen over zijn stuur, een trek om zijn mond die zei: ik val nog liever dood dan los te laten.

‘Hij kent zijn eigen macht niet,’ zei vader een jaar of drie na de dood van moeder, toen de overlevenden samen onder het bordeaux bakelieten kraakdoosje stonden en de Keizer vanuit een stad  met een naam als Salamander of Sybilla hoorden vertellen dat hij eigenlijk de spurt had willen aantrekken voor het bakkertje van Brussel, Raymond Impanis: ‘maar ik keek om en ik zag niemand meer…’ Een Grobbendonkse vertaling van ‘veni, vidi, vici’ en dat paste bij zijn kop: zijn profiel had niet misstaan op de gouden munten van een Caesar.

Met de jaren vergroeiden fan en afgod. Won van Looy dan won Mottebol; werd zijn afgod geklopt dan kreeg hij een pak rammel. De pijn van een valpartij, beschreven in de krant of getoond op tv, deed zijn botten versplinteren of schuurde brandwonden in zijn vel. Mottebol had er de juiste leeftijd voor: een halve wees van acht, een puber met een stiefmoeder, een


vroeg sombere naïeveling die met de knikkers bleef spelen. Zoals tijdens de Tour van 1962. De Keizer had in zijn regenboogtrui nog geen enkele rit gewonnen. De spotters smaalden om die opschepper die wel eventjes  Darrigade en Rudi Altig  bont en blauw zou demarreren. Wat zijn Rode Garde ook probeerde of hoeveel keren hij zelf aan een  ontsnapping begon: hij liet zich vloeren gelijk een beginneling.

Achterin de tuin, verscholen door het gaas van de kippenren en de schaduw van een kerselaar, zat Mottebol elke rit na te spelen. ‘Pistes’ bouwen was zijn specialiteit, daarin was hij niet te evenaren. Delphine, de vrouw van Leon de Champetter, stond soms roerloos over de draad toe te kijken: ‘hoe dat manneken zo stil kan spelen en wat die allemaal uitvindt…’

Een tunnel dwars door een zandheuvel hoger dan zijn kop, een brug van een strook bubbelglas omzoomd met twee pannenlatten. Delphine kon er tegen moeder en vader niet over zwijgen en tot zijn verlegenheid kreeg Mottebol er nog een snoepje bovenop.

Hij speelde vals in 1962: uit de ‘sjiekenbos’ aan het winkeltje van Marja Boel had hij een wel heel speciale knikker gedraaid. Een blauwwitte van vederlicht plastic, iets groter dan een gewone van glas. Of het te verzoenen is met de wetten van de zwaartekracht of van de thermiek kan hij in retrospectie niet bewijzen, maar die blauwwitte kanjer rolde in de laatste bocht - die hij zorgvuldig had afgeplat met de zijkant van zijn handen en effen gewreven alsof het zand een babyhuid was - al de oranje, groene, gele, witte en rode knikkers voorbij.

Hij hield in een schoolschriftje een klassement bij: Bahamontes was de oranje die af en toe moest winnen in een denkbeeldige bergrit, de gele vanzelfsprekend Anquetil, Darrigade de groene. Dat de  wereldkampioen het moest stellen met een helft blauw en een helft wit was een kunstgreep,  een zelfbedrog waar hij mee kon leven: behalve wanneer hij die plastic Van Looy als laatste uit de kom van zijn handen neerliet op het topje van de zandhoop  waar het ingewikkeld gekronkel begon, was de overwinnaar voorspelbaar en stonden de drie glorieuze woorden bovenaan de tabellen in zijn schrift. Kan het dat een naam een aura heeft zoals van mensen wordt beweerd? Tot zolang hij kan lezen zal Mottebol om die drie delen van de naam Rik van Looy altijd een stralenkrans blijven zien, een magnetisch veld, een rondrazende opflikkering van gekleurde lampen zoals bij lichtreclames in Amerikaanse films.

 

Plots staat op het tuinpad achter hem het schaduwbeeld van zijn stiefmoeder:

‘Riek van Loe es verongelukt…’ Hij duwt haar bijna omver over de duinenruggen van het aardappelveld. Uithijgend onder de sokkel van het bakelieten bakje zou hij haar iets kunnen aandoen: het is maar een valpartij, in het journaal volgt meer nieuws. Hoewel: ‘maar’ een valpartij, waarom dan een opgave? Hij rent weer de tuin in, aarzelt of hij bovenop de berg zal springen, de route vertrappelen, of het bericht wissen uit zijn hoofd door de rit over te spelen, een ritueel met knikkers dat een ramp ongeldig en ongedaan verklaart.

 

‘Mottebol, de merrebol, hij schiet ze deur een veirkenshol…’

Wat voor een ‘kastaar’  hij was: het werd hem toegesnauwd of toegefluisterd door diverse stemmen, vloekende mannen, scheldende vrouwen, schoolmakkers, buurmeisjes. Alleen de knikkers wisten het. Hij woonde na de dood van zijn moeder bij haar twee jaar oudere zuster, zijn doopmeter – de zachtaardigste vrouw die hij zich herinneren kan. Hij speelt er uren en uren op de enorme zolder waar achter een roodwitgeblokt gordijntje nog specerijen staan opgestapeld uit haar vroegere winkeltje: de duffe  en tegelijk verrukkelijke geur van foelie die zij gebruikte voor haar vlaaien met kermis, zal aan hem blijven kleven, net als de vreemde zoeterigheid van geconfijte vruchten – Turks fruit, wat zou die brave meter hebben gevonden van een boek en een film die twintig jaar na haar dood die naam zouden dragen?

Ook beneden op een tafel in haar woonkamer bewaart hij misschien meer dan honderd knikkers. Boven op zolder bouwt hij met planken na wat hij buiten uitdacht met zand.


 

Beneden in die donkere kamer is op een dag uitzonderlijk veel volk: meter haar oudste dochter, nicht Fabienne, is op bezoek met haar man en Karel, haar zoon die een jaar of twee jonger is dan Mottebol.

‘allez, Gustaaf, onze Karel heeft geen marrebollen, geeft er hem wat: gij hebt er meer dan ge kunt tellen…’

Mottebol overschouwt zijn schat in de hoek naast het venster. Hij buigt het hoofd en schudt van neen: ‘ze hebben een naam, ik kan ze niet missen…’

‘toe, jongen, ge hebt er zoveel,’ dringt meter aan met haar lievere stem – die van haar dochter schrikt hem af, ook haar gezicht is veel scherper…

 

‘hoe kunt gij zo’n egoïst zijn, zijde gij niet beschaamd?’ Fabienne staat klaar om hem een draai om zijn oren te geven. Louis, haar stille echtgenoot,  probeert het gemoedelijker: ‘ge gaat het verschil nog niet zien…’

Nonkel Richard, in de schaduw van zijn treurig kijkende vrouw: ‘heb ik het niet altijd gezeed dat die kastaar niet deugt?’

Toen Mottebol allang weer thuis, bij een stiefmoeder, woonde, zou de kalende man gretig staan knikken, telkens zijn nieuwe schoonzuster haar beklag deed over ‘dieje sloeber, diene nieweird’.

Mottebol versteent, het is duidelijk dat het teken van de duivel op zijn voorhoofd staat.

Meter, de onvermoeibare diplomate, heeft het gevonden – ze haalt haar geldbeugel uit haar schort:

‘hoeveel vraagt ge, Gustaaf, ik geef u vijf frank, daar kunt ge er morgenvroeg bij Blanche om de hoek ‘k weet niet hoeveel nieuwe mee kopen…’

‘moeder, weet ge het nu nog niet: veel te goed is half zot,’ sist Fabienne die moeite heeft om niet die hele tafel om te kieperen.

Mottebol schuift als een schildpad met polio voorbij zijn meter, kiest de kleuren uit die hij meer dan driedubbel heeft, ontwijkt Karel en geeft ze aan de grootmoeder – het is een wonder dat het muntstuk het zweet in zijn hand niet doet ontbranden in een steekvlam van fosfor en salpeter.

Hoe anders verliep het met Sooi van het jongensweeshuis. Mottebol zat toen in het vierde leerjaar en die jongen met zijn dikke negerlippen en reebruine meisjesogen brak zijn hart. Hij droeg onder de streepjeskiel van het weeshuis een paar Le Lis-bottines die de fabriek wellicht gratis aanbood aan de zusters. Sooi mocht nooit mee voetballen: zijn been zwaaide uit en met de stalen tip van die werkmansschoenen was dat levensgevaarlijk. Vaak zat Mottebol naast Sooi op de arduinen drempel van de gang: kan het op de leeftijd van tien dat twee jongens zo’n weke eenzaamheid delen, een besef of eerder een zwaar vermoeden van uitgesloten te zijn. Of was het de solidariteit van de halve wees met de hele? Sooi vertelde hoe hij zich verveelde bij die strenge zusters, hoe weinig hij had om mee te spelen. Mottebol kwam op een morgen met een buil op zijn linkerdij: in zijn broekzak zat een beurs met wel vijftig knikkers.

Hij bleef dromen van Sooi, nadat de jongen met de negerlippen opeens niet meer opdaagde en de meester, die kluns van een Piepo die in de klas de banden van zijn Hollandse fiets oppompte waarbij de durvers echoden: ‘pie-po, pie-po’, zijn keel schraapte en zei dat Sooi naar Sint-Niklaas was verhuisd, naar een gesticht en een school die beter bij hem pasten.

Mottebol stelde zich voor hoe hij met zijn fiets voor een groene poort stond, een oog van staal in een eindeloze muur van bakstenen – geen enkele die uitstak om er een voet op te zetten.

‘Mottebol, de merrebol, schiet ze maar deur een veirkenshol…’


Een goed jaar na die rampzalige Tour de France zit Mottebol met zijn vader in de huiskamer van Albert Maes, de oudste zoon van meter en zo mogelijk nog heviger supporter van onze Kempense held. Zes dochters, twee zonen, allemaal wachtend op één zelfde ontlading. Ze springen op en juichen wanneer de Keizer op de trappers staat op driehonderd meter van de streep, een gat slaat van twee, drie, vijf lengtes. Of, neen, wat loopt er mis: die ene met zijn pafferige smoel, zijn donker vel, is tegelijk opgestaan, hij plakt aan het wiel van de leider. De Keizer wijkt uit, zijn gedrongen schaduw grijpt naar zijn zadel, schuift hem voorbij.

Consternatie, ongeloof en verbijstering. Dan komen ze op het podium. Beatrice, de wulpste, opvliegendste in huis, roept smalend, neen, walgend: ‘zie ne keer wat ne vuilaard…’

De jonge onbeholpen wereldkampioen staat op de hoogste trede te krabben aan die bobbel in zijn koersbroek.

Buiten sakkert vader nog na. Mottebol schopt in de sintels naast het kasseitje. Een wolk van asse en gruis stuift voor hem uit.

De spot is in de weken die volgen geen moment uit de lucht. Pierre de melkboer vertelt de nieuwste klucht: ‘hebt ge ’t al gehoord. Van Looy heeft alle geiten in en rond Herentals laten kelen. Iedere keer dat hij voorbij kwam begonnen ze te bleiren: “Beheyt, Beheyt…”’

Niemand bij Mottebol thuis die meelacht. En vader veranderde van melkboer. Zijn jonge vrouw kon er toch niet meer tegen dat die viezerik iedere keer op ons gemak zijn gevoeg moest komen doen.

Een dag van rouw, die zondag van Ronse 1963, en maanden dat de clans op het punt stonden mekaar tot moes te slaan. Mottebol voelde voor de eerste keer in zijn leven rauwe moordzucht: had hij die Beheyt toen van dichtbij gezien, hij zou zijn kloten verrot hebben geschopt.

Op de Normaalschool, een half jaar later of zo, besloot hij ook  in naam van zijn mentor, de onvolgbare Diesel Dieser die hem iedere schooldag na de avondstudie leerde wat hardfietsen was, een briefje te schrijven. Maandenlang kwam er geen antwoord uit de Kempen.

‘Wat hebt ge daar allemaal in gezet,’ wou Dieser weten, ‘ge hebt er toch niet een van uw pikante gedichtjes bij gestoken?’

‘bwa,’ deed Mottebol, ‘gewoon: geacht idiool…’

‘Watte,’ Dieser pletste op zijn opgeheven knie, ‘idiiiool?’

‘Wat is daar verkeerd aan: geachte Rik, dat klinkt toch niet?’

‘Het moet idool zijn, dat gij als dichter dat niet weet!!! Waarschijnlijk heeft hij gelezen: geachte idioot!’

Na een goed half jaar viel er dan toch een omslag met  twee gesigneerde foto’s in de bus: een in de trui van wereldkampioen, een als kampioen van België. Het dankwoord was duidelijk van een vrouwenhand: van Niki, de hoogblonde die de jager en wildebras had getemd.

Dieser was al content met de Belgische driekleur. Mottebol  prikte de meest triomfantelijke foto met een duimspijker boven zijn bed. Telkens hij later verhuisde, vond hij op de bodem van een reiskoffer, die met de keer  nog armzaliger afsleet gelijk een opgezette vis die zijn schubben verloor, de stralende eeuwigjonge Keizer van Herentals met een roestvlek boven zijn hoofd.

Begin 1965 gebeurde een godswonder: eindelijk een tv in onze verandakeuken. Vader moest er Pol den Boer bij roepen en André, onze gebuur  de hondenkweker, om die zwartgeteerde mast in onze tuin overeind te krijgen. Het duurde weken eer de kabel van de antenne min of meer juist was afgesteld.

De hondenkweker kwam kijken op een zonovergoten lentedag. Met ons drieën zaten we naast elkaar op de ouderwetse, met klinknagels afgeboorde, houten stoelen: André, die al even ros zag als zijn honden met hun blauwe tong, vader die sigaret na sigaret rolde, en ‘Mottebol, de merrebol, hij heeft weer jeuk aan zijn hol’. Een kopgroep reed vooruit in die Parijs-Roubaix


en de snelle Vannitsen zat erbij. Maar op een van de meest kaduke kasseitjes koos Van Looy het smalle zandboordje en Wardje Sels, zijn opvolger bij Solo-Superia, liet het gat vallen.

De zegetocht was ingezet, of toch niet?

‘Precies of die een kruiwagen moet stampen,’ schamperde André die naar de schuimbodem van zijn bierglas tuurde.

‘Maar kompt er maar ies achter,’ replikeerde vader gepikeerd. Mottebol zweeg. Fredje de Bruyne werd lyrisch, snakte naar woorden van lof voor zijn vroegere rivaal. Het roze van de velodroom was een vermoeden in die tijd van zwartwit. Maar in Mottebols hoofd schemerde een waas in tinten van zalm en abrikoos, in het parelmoer van nagellak die de mooiste meisjes droegen. De Keizer, uitbollend met zijn kruiwagen, gleed snikkend over de meet.

 

Wat die twee gewichtigdoende mannen naast hem ook toeterden, Mottebol zat erbij met een krop in de keel. Een juichend verdriet steeg van zijn buik naar zijn borst, vernevelde ergens middenin zijn hersenen. Tien, twintig, veertig jaren later zou die versnelling van zijn hartslag, de snik die vanaf zijn middenrif zijn keel deed zwellen, hem doen vrezen dat hij seniel aan het worden was.

Bij het afscheid van Raoul Lambert in het Brugse Olympiastadion, bij de huldiging van een sportheld met een kind op de arm, of van het tennisgodinnetje dat over haar dode moeder begon: telkens die kramp om zijn maag, de trilling tussen borstbeen en kin die hij beschaamd trachtte te verbergen voor het gezelschap. Als dat de tekenen zijn, dan is ‘Mottebol, de merrebol’ al seniel sinds zijn zeventiende.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door staf de wilde om 11:01 Reageer op dit bericht

lezend in Tahar Ben Jelloun


 





regen verstuift in sluiers

alsof een doorzichtige schroef

wentelt voor het venster

 

je schuilt in woorden

over een djin, een marabout

die een echtgenote behekst

haar man bevrijdt van zijn koorts

 

weerom ben je in de rode stad

ruik je de kruiden – hun kleuren

schitteren als juwelen onder

de  koperen lamp van een bazaar

 

regen rammelt als een betoging

van kookpannen en lepels: wie

voelt zich nu miskend onder

de onbestaanden daar boven

 

een god die plaats moest maken

voor een demon, een toverkol

die zwaaide met een hanenpoot

over het bed van een verdoemde

 

is er een stad in de sferen

een marktplein waar de slangen

dansen, de geesten zich aansluiten

bij de mompelende kring en horen

 

hoe een schroef wentelt voor

het venster, een marabout

het boze oog paait met het dode

van een haan – jij ziet hem

 

bezig doorheen de regen

alsof de aarde opstaat

na haar koorts

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 15:49 Reageer op dit bericht

all kinds

uit Overschotjes

all kinds of everything
remind me of

 

liefje

van vul zelf maar in

wis zelf maar uit van wie,

 

ik kan je in je kamer zien

met een te zware poes die kuren heeft

een poesje dat over zijn heuveltje tuurt

naar een gestalte in tegenlicht

 

zijn stem hangt al stamelend in je hoofd

maar zijn gezicht is een vlek

zoals men in een winkel een meesterwerk

vindt verpakt in cellofaan

de prijs geplakt onder de loftuiting

over de naam van de maker

 

op een  cd speelt een kraker

uit een vorige tijd, misschien hum je mee

hunkert je heup weer naar de hand

die zich spreidt, zich neervlijt als een poes

met kuren

 

men droomt altijd dat het tijdloze blijft

duren, die avond van vingers en likken

toen men was als een poes

die dribbelt naar een schoteltje

de kop heft alvorens ze drinkt

 

het is niet al nacht wat blinkt

al heeft de nacht de meeste ogen

groene en zilveren vuurvliegjes soms

die buitelen als confetti en al wuivend

vaart men in de praalwagen

van de huivering

 

ik heb je gezien in een kamer huiverend

klagend als een poes

want het schoteltje was de schotel niet

en het licht viel tegen

ik kan dat poesje nog altijd wegen

zoals men een breekmes weegt

waarmee men gestalten heeft gesneden

in het karton van de nacht

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 12:02 Reageer op dit bericht

 

Trends en  Albert Frère

 

Dat het weekblad Trends uitgerekend aan Albert Frère een Life Achievement Award toekent, zegt veel over de morele en politieke opvattingen van dit blad.

Frère is schatrijk geworden door het strategisch kopen en verkopen van bedrijven, de basis van zijn fortuin is het drama van Cockerill Sambre geweest. Om die reden staat Frère symbool voor een kapitalist die wel de baten van het ondernemersschap wil, maar de sociale lasten – indien het misloopt – liever overlaat aan de gemeenschap.

En net zoals in de negentiende eeuw richt zo’n kapitalist achteraf dan een fonds op om aalmoezen uit te delen aan de meest hulpbehoevenden. De golfspelers van Knokke zullen er week van worden en de voorbeeldige  ouderling nog eens af en toe laten winnen.
 
 
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 09:03 Reageer op dit bericht

zoals gewoonlijk

uit Overschotjes



zoals gewoonlijk – Raymond van het G

 

 

het uur is laat

en je slaat het dekbed op

scherp als een ijsschots

schuif je de warmte in

die zij verspreidt

 

en je hoort haar ademhaling

en meteen is die moordzucht daar:

een kussen kan volstaan

de kunde van een nekslag

 

maar noem het mimicry:

je borst beweegt al, golft al

op haar wijde golfslag

je schuift haar warmte in

en puntig silex wordt weer sponzig

 

misschien is liefde toch vooral

afzien van plotse doodslag

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 16:08 Reageer op dit bericht

Parijs-Dakar.

In De Standaard van vandaag woensdag staat Walter Wauters even stil bij de zoveelste dode in de woestijnrally Parijs-Dakar. Hij schrijft letterlijk: ‘Parijs-Dakar is de laatste grote autosportcompetitie waarin je je nog met een redelijke kans op succes kan doodrijden.’

Dit stuntwerk komt volgens hem dus neer op suicidair gedrag en men kan het inderdaad bizar vinden dat rijkelui en beroemdheden zo’n kick nodig hebben om aan hun eentonig glitterbestaan te ontsnappen. Maar misschien is dit de kritiek van de gezapige burger voor wie elke extreme inspanning een vorm van waanzin is.

Belangrijker lijkt me de impact van deze gemotoriseerde gekte op de plaatselijke bevolking: hun dorpen worden onveilig gemaakt en welk voordeel hebben zij eraan?

Is dit evenement geen gemiste kans om een nadeel ‘om te turnen’ in een voordeel: de woestijn als bron van inkomsten en motor van ontwikkeling? Laat zo’n mediacircus investeren in lokale projecten, wat iets anders is als functionarissen paaien met douceurtjes; verplicht de organisatoren om een substantieel deel van hun winst te besteden aan initiatieven die het onderwijs, de gezondheidszorg en de tewerkstelling bevorderen. Nu ziet de Sahelbewoner een karavaan voorbij flitsen die een etalage is van Westerse verspilzucht en daarna zal het Westen klagen dat de sterksten onder hen zich hier komen aanbieden als ‘gelukzoekers’, eventueel gebrandmerkt met het duivelsteken van de ‘illegaal’.
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 10:11 Reageer op dit bericht

 

Juf, waarom leven wij?

 

In de reportage : ‘omgaan met zelfmoordgedachten bij leerlingen’ (De Standaard van maandag 8 januari) valt alweer het woordgebruik op. Journalisten leren het nooit: zij blijven obstinaat de termen ‘zelfmoord’ en zelfmoord plegen’ hanteren.

Daar zijn minstens twee bezwaren tegen. Ten eerste is de daad of een poging ertoe volgens het Belgisch strafrecht geen moord. Ten tweede en dit is het belangrijkste: termen met een overduidelijke negatieve connotatie werken alleen maar taboeversterkend. Gelooft er  iemand dat men de betrokken mensen in nood gemakkelijker kan bereiken en opvangen door het te hebben over moordplannen of – in het geval van nabestaanden – over een gepleegde moord?

Een paar simpele vragen: zal een puber of adolescent gemakkelijker over zijn 'zwarte' gedachten praten indien hij of zij van te voren te horen krijgt dat hij of zij een kandidaat-moordenaar is; zijn de nabestaanden gemakkelijker te troosten als je begint over hun bloedverwant(e) of vriend(in) die een moord heeft gepleegd? Kwetsbare mensen bereik je niet met woorden die een veroordeling inhouden.
Onze minister van welzijn, Inge Vervotte, denkt er alvast zo over: zij wenst consequent een neutrale terminologie te gebruiken zoals zelfdoding en suicide.

Nu de journalisten nog, al zullen die wel weer zeggen dat ze geen pedagogen zijn.
 
 
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door staf de wilde om 13:17 Reageer op dit bericht

Meer van boek onder lava

↑ Terug naar de berichten