Archief
hamme, nogmaals


Hamme, nogmaals
het dorp van zijn verleden
het is of alle bladeren
van alle herfsten kleven
aan zijn gezicht
meer kan een verblinde niet zien :
de stroom, de optocht
der zwaar verzonken boten
van bocht naar bocht
de meerkoet die uit dansen gaat
op de deining, een plets die schaterlacht
in de oe van moe getoeter
de basalten dijk die het gadeslaat
als een verkrampte deurwacht
de uiterwaarden en de beemden
een groothandel in groen
het bestofte van de rietkraag
het vergeelde van de kruipwilg
met kroezelhaar en pruillip
de balsemien hangt een festoen
van roze kransen
over de sloepen onder het slib
en verloren in een lage wegel
als een verlaten ploeg
staat een oude boer voor
een maïsveld, gedoken in
het blauw dat vader droeg
een schone slaapster , deze aarde
die schokt en schokschoudert
weerom van de nevel droomt
de geest die met haar paarde
over doping en zelfdoding
over doping en zelfdoding
Vandaag alweer geen krant om vrolijk van te worden: een twaalfjarige superbegaafde jongen maakte een eind aan zijn leven, de gevallen wielergod FVDB ondernam een poging daartoe, een nest dopingverslaafden werd uitgerookt. De amateuranalisten van de pers zetten hun kwijlende tanden in deze kluifjes. Kun je anders dan hier intriest van worden, de berichten laten bezinken en dan pas tot woorden proberen te komen. Of is stilte het enig passende antwoord?
Wie een suicide van nabij heeft meegemaakt weet hoe hachelijk het is te peilen naar de beweegredenen. De directe aanleiding lijkt soms duidelijk, soms onbestaande op het eerste gezicht. De voorgeschiedenis aftasten is alleen mogelijk voor ingewijden.
Wat voor zin heeft het dan dat journalisten hierover gaan speculeren? Zij gaan af op sporadische, partiële informatie, op tegensprekelijke feiten en leiden vaak hieruit een conclusie af die voor de betrokkenen bijzonder lomp, arrogant, genadeloos kan zijn.
Wat opvalt bij deze drie gevallen is hun bijzondere begaafdheid: de spil van het dopingnet, David Windels, won tientallen wedstrijden bij de beloften, Frank VDB werd vereerd als een wonderkind, en die twaalfjarige zat een jaartje hoger omdat hij intellectueel op zijn leeftijd vooruit was (maar daarom nog niet inzake rijpheid en fysieke ontwikkeling).
De vloek van de hoogbegaafdheid is dat de buitengewone moeilijk of niet kan leven met het gewone. Hij moet zich onderscheiden, hij moet anderen overtreffen. Een god kan niet met minder dan zijn goddelijkheid.
Frank VDB is hiervan het duidelijkste voorbeeld: hij wou per se nog de top halen hoewel zijn lichaam daarvoor niet meer geschikt is, een bestaan naast of buiten de schijnwerpers zag of ziet hij niet zitten. Succes is net zo verslavend als een harddrug. Omgekeerd kan men veronderstellen dat de tegenpool van deze hybris een fundamenteel gebrek aan zelfvertrouwen is, een uitgesproken negatief zelfbeeld omdat geen enkele hoogbegaafde voldoet aan de eigen verwachtingen, aan de eisen van de innerlijke rechter.
Deze veralgemeende analyse zegt uiteraard weinig over die jongen van twaalf: hier gaat het volgens de berichten om iemand die zijn plaats niet vond in de groep, gepest werd waardoor die contradictie aan het licht kwam: hoogbegaafd op één domein, maar onderontwikkeld op andere. Zo sluit deze contradictie aan bij het vorige: men kan van zichzelf niet aanvaarden dat men ergens in faalt, ook als dit falen zeer betrekkelijk is. Daarnaast lijkt dit droef verhaal de bevestiging van het latijnse gezegde: 'homo homini lupus', de mens is voor zijn medemens een wolf, en wie denkt dat deze regel niet opgaat voor kinderen die heeft ten eerste het boek 'Lord of the Flies' van Nobelprijswinnaar William Golding (?) nooit gelezen en ten tweede nooit kinderen in hun groepsgedrag geobserveerd. Kinderen kunnen voor elkaar net zo wreed zijn als volwassenen onderling.
De vloek van de hoogbegaafdheid zit - sociaal gezien - in zijn kwetsbaarheid: vaak wordt de hogere begaafdheid ofwel niet begrepen ofwel niet gewaardeerd, en ziet de buitenwereld vooral de mislukkingen in domeinen buiten de superieure begaafdheid: de sport, het sociaal gedrag, de gezondheid of de fysieke conditie etc
Buitengewone mensen hebben een zeker absolutisme in zich: zij willen als gezalfde koningen worden aanbeden en binnen in hen zetelt zo'n ongenaakbare heerser die onvermurwbaar elk tekortschieten noteert, zoals een God van de Wrake bij het Laatste Oordeel. (zie bijbel én koran)
Wat doe je hiermee, bijvoorbeeld als je zo'n kind in huis hebt? Ik denk dat een opvoeder zelf kan voorleven - als een voorbeeld beleven - dat mislukken geen oneer is en dat je falen kan weglachen of anticiperen door zowel succes als nederlaag te relativeren.
Het bijbelse 'wees volmaakt zoals uw hemelse vader volmaakt is', lijkt me tegelijk de meest hardvochtige en de meest relevante uitspraak van Jezus van Nazareth: immers die hemelse vader voor zover hij zich openbaart in het Oude Testament is allesbehalve volmaakt: hij is ijverzuchtig (jaloers), grillig en wreed, ijdel en niet almachtig vermits hij de werken van de Boze moet dulden.
Maar voor wie deze spreuk letterlijk neemt, moet ze een beproeving zijn: naar de volmaaktheid streven kan je en moet je in de kunst en in de techniek omdat het daar binnen bepaalde grenzen mogelijk is, maar in het dagelijkse leven is geen mens volmaakt: 'celui qui veut être l'ange devient bête,' schreef Pascal. De kunst van het leven is de kunst van het verliezen, wie naar heiligheid streeft eindigt ofwel zelf op een brandstapel ofwel zet hij er anderen op.
over lezen en schrijven
Het is me al door minstens twee eminente professoren voor de voeten geworpen: 'schrijven doe je toch voor jezelf.'
Hiermee ben ik het volkomen oneens. Naar het woord van Multatuli: 'ik wil gelezen worden.'
In de eerste kan germaanse kregen we les over de sonnetten van P.C. Hooft van ene Frans Dambre; Frans zei op een bepaald moment: 'een gedicht in een lade is geen gedicht.'
Dit is zeer juist. Een gedicht moet minstens twee keren worden geschreven: een eerste keer door de dichter, een tweede keer door de lezer.
Hoe meer lezers, hoe vaker het wordt herschreven. Deze verzameling van versies geeft leven aan het gedicht.
Het heeft weinig zin het verzameld werk van Shakespeare in je boekenrek te schuiven en daarna nog alleen de rug te bewonderen. Ook Shakespeare moet telkens opnieuw worden geschreven en op scène tot leven gebracht anders is zijn werk niet meer dan een in karton of kunstig bewerkt leder verpakte gedenksteen.
Er is geen vaardige auteur zonder vaardige lezers: alleen lange, soepele en sensibele tentakels kunnen de diepte aftasten, de verborgen gelaagdheid van een literaire creatie. Hoe vindingrijker de lezer hoe meer hij zal vinden en precies deze herhaalde vinding en vondsten bepalen het niveau van een werk: een tekst die direct in al zijn aspecten wordt doorgrond heeft maar één grond, namelijk de oppervlakte - het is dus oppervlakkig in de meest letterlijke betekenis van dat woord.
Een begenadigd lezer is een begenadigd herschrijver: daarin zit het verschil met de auteur, die schrijft als eerste en die oorspronkelijk schriftuur is de moeilijkste. Trouwens, elke schrijver is de twee tegelijk: hij leest al schrijvende en soms heeft hij in zijn onbewuste, in dromen of dagdromen bijvoorbeeld, al gelezen wat hij vervolgens zal noteren.
In die zin is de auteur zijn eigen medium: tijdens de trance van de inspiratie beluistert hij de stemmen in zichzelf. De schrijver is zoals elke kunstenaar die naam waardig zowel ziener als ambachtsman: hij schouwt in de onderlagen van de eigen geest en geeft zoals een vakman een tastbare vorm aan wat daar rondwaarde aan ongrijpbare geesten. Zoals in het evangelie staat over het Pinkstergebeuren: 'de geest werd vaardig over hen'. Iedere geïnspireerde kunstenaar zal hebben ervaren dat hij niet beweegt maar bewogen wordt; vandaar dat men naar werk van vroeger - en iedere voltooide tekst, tekening of schilderij is een werk van vroeger - kan kijken als naar de realisatie van iemand anders: eens de trance voorbij is de scheppende mens een vreemde voor de mens die oordeelt. En deze confrontatie kan bijzonder ontnuchterend zijn, zeker als de trance niet meer blijkt dan de euforie van het zelfbedrog, de hoge, schitterende golf die vooraf gaat aan de donkere, matte van de depressie.
colporteur
colporteur
Gisteren heeft de Brugse stadsbibliotheek vijf exemplaren van het nieuwe boek aangekocht, dat maakt in totaal al ongeveer 70: nog een honderdtal en de scheuren in mijn broek zijn opgelapt.
Dit is het vervelendste: zelf met je eigen werk moeten colporteren, handelsreiziger in emoties en souvenirs. De eigenaar van de Brugse boekhandel Raaklijn vertrouwt mij toe dat er wel een uitgeverij te vinden is - hij noemt ze bij naam - die mijn boek had willen uitgeven, op voorwaarde dat ik de publicatie zelf zou betalen. En: 'ze geilen op een sponsor,' voegt hij eraan toe.
Weer een gemiste kans: het staat zoveel fraaier het logo van een uitgeverij en het opent deuren. De regionale edities van een aantal kranten hebben het boek wel besproken, maar de zogenaamde kwaliteitsbladen, De Standaard en De Morgen, reageren niet eens op de vraag of zij een recensie-exemplaar willen.
Dit is een constante: deze elite gaat ervan uit dat een werk in eigen beheer uitgegeven niet kan deugen. En daarnaast is er nog de hiërarchie: mijn collega Norbert Debeule wordt evenmin besproken al is hij wel terecht gekomen bij Contact en heeft hij vorig jaar de prijs van de provincie Oost-Vlaanderen gewonnen.
In feite zijn recensenten gemakzuchtige naäpers: zij herhalen steeds dezelfde namen, schrijven af en schrijven over. Zeker dichters moeten zich in de kijker werken door activiteiten die weinig met de dichtkunst van doen hebben: zij moeten performen, een show opzetten, een website die er liefst behoorlijk sensationeel uitziet. Nieuw is de zogenaamde 'poetry slam': een soort bokswedstrijd tussen dichters die elkaar onder de mat proberen te vegen met hun voordracht of performance. Zo nieuw is dit niet: het doet denken aan de Middeleeuwse Meistersänger, de wedstrijden tussen menestrelen in het toenmalige Duitse taalgebied. De dichters waren in die tijd eveneens componisten en zangers, denk aan onze eigen Jan Moritoen. Zij waren dus de voorlopers van wat men vandaag noemt: de singersongwriter, genre Bob Dylan
en Leonard Cohen.
Wie de poëzie bedrijft als een soort laborant van de taal, binnen de afzondering van een gedeeltelijk kluizenaarsbestaan, denk aan Leonard Nolens, die moet wachten op een redacteur of criticus met gezag die hem ontdekt: dan merk je een sneeuwbaleffect vanwege de hogervermelde naäperij. Nolens is de laatste jaren niet meer weg te branden uit de 'scene'.
Kortom, de verpakking telt wel degelijk, net als de promotie: ofwel heb je daar zelf talent voor, ofwel moet je hopen op de juiste relaties.
Maar deze overweging geldt voor alle kunstenaars: hoeveel schilders zijn er niet bezig met waardevol werk en moeten lijdzaam toezien hoe allerlei charlatans wel in de media komen en zij niet. Schilderen kost bovendien geld, de dichters mogen blij zijn dat bloggen gratis voor hen openligt en onverwachte reacties oplevert vanbuiten het kringetje van kennissen, collega's en familieleden.
Het is dan ook niet te verwonderen dat het boek voor een deel toch moet wijken voor het internet, al gaat er niets boven de aanraking en de geur van een met zorg uitgegeven boek: het scherm heeft niets sensueels, het papier, de inkt en de lijm of het garen wel - beter één boek in de hand dan tien op het steriele scherm.
Erik Zabel
Gelaagput


Gelaagput
- verrà la morte e avrà i tuoi occhi. Pavese –
dromen zijn vindingrijk
zij verheffen als kinderen
in Afrika het weggeworpene
tot hun kunstig speelgoed
nu is het een turfput
waar je vader zwom
in een beproefde rode zakdoek
toen de oorlog nog soesde
gelijk een roofdier
dat zich uitrekt in een tropenzon
het water is ijs en sneeuw
en je wankelt langs een wak,
een ster gelobd als een lotus
een bladpunt breekt
een zwarte bezem
schuift naar je toe
de vrouw op een aarden trede
laat los
(grimas of glimlach,
opgelucht of moe ?)
het water is sponzig, lauw
en zingt van vrede
deze dood heeft geen
of meer dan één geslacht
en alleszins de azuren ogen
van je moeder,
jonger dan je dacht
VRT - vervolg
Men kan zich verwonderen over de heftigheid van de vorige berichten in verband met de VRT.
Ten eerste: hun houding tegenover het VB. De VRT beschikt over een beeldarchief waarmee zij de leugens van het Blok een voor een kunnen doorprikken.
Onder meer van de aanslag op Willem Vermandere toen die op de Brusselse Grote Markt zijn liedje 'Bange Blanke Man' wou beginnen zingen. Terwijl de stoottroepen naar het podium stormden stonden De Winter en Annemans rechts in beeld erbij te grijnzen. Zowat een jaar geleden mocht De Winter bij Siegfried Bracke komen klagen over het Antwerpse Toneelhuis dat volgens hem te elitair en niet laagdrempelig genoeg zou zijn. Als er nu één laagdrempelige Vlaamse kunstenaar is dan toch wel Willem Vermandere. Het incident toont ook aan hoe ernstig we de voortdurende klacht moeten nemen over het gebrek aan vrijheid van meningsuiting waarvan de VB-kopstukken zich het slachtoffer voelen: wanneer een mening hen niet aanstaat dan kloppen zij erop. Precies zoals de NSDAP dat deed in het Duitsland van de late jaren 1920.
Iets gelijkaardigs zagen we op de IJzerbedevaart: de aanwezige Blokkers vonden de toespraken niet radicaal genoeg en begonnen de bravere bedevaarders omver te lopen en te stampen. Trouwens, wie in die tijd de IJzerbedevaart bezocht, heeft die mannen met geschoren koppen gezien in hun combat boots en battle dress. Iedereen die de geschiedenis van het Blok kent, weet dat de vroegere VMO, Were Di en Voorpost naadloos in de partij zijn opgegaan nadat zij als paramilitaire organisaties werden verboden.
VMO-leider Bert Erickson heeft altijd in het Blokbestuur gezeten tot hij betrapt werd op de aanranding van een minderjarig meisje.
Is het dan zo verwonderlijk dat de sprakeloosheid van twee beroepsjournalisten mij woedend maakt: het extreme en gewelddadige karakter van het VB kan voor hen toch geen onbekende zijn?
Ten tweede is er de filmkeuze. Ik heb al vaak verwezen naar de jaren 1960 toen onder meer via Jo Röpcke (in samenwerking met Roel van Bambost) een zeer verscheiden en kwalitatief hoogstaand aanbod te zien was op de toenmalige BRT. Waarom kan dit vandaag niet meer. De VRT lijkt ervan uit te gaan dat de Vlamingen verstandelijk of esthetisch gehandicapt zijn: liefst geen moeilijke films want dan halen we geen kijkers meer.
Gevolg: week na week een mainstreamproduct, meestal van Amerikaanse oorsprong, een heruitzending die al minstens drie keren op tv te zien is geweest, nooit een verrassing, een ontdekking.
Het verschil met de commerciële omroepen zit in het feit dat de openbare omroep niet noodzakelijk een hoog kijkcijfer moet halen. Uiteraard kan het niet de bedoeling zijn een zogenaamde nichezender te worden zoals Arte, maar gezien het feit dat men niet voortdurend een commerciële balans in de gaten moet houden, kan men het zich veroorloven op zoek te gaan naar een evenwicht tussen bereik (aantal kijkers) en kwaliteit. Dit gebeurt in een aantal programma's zoals Panorama, de historische uitzendingen en natuurdocumentaires, maar veel te weinig in de culturele programmatie.
Als daar geen geld voor is, kan men wat meer besparen op de sportuitzendingen: gezien de kwaliteit van de huidige commentatoren, is er geen enkele noodzaak waarom bijvoorbeeld voetbalwedstrijden door de VRT zouden moeten gecoverd worden: Kanaal 2 of VT 4 doet dat even goed.(of even dom zoals je wilt)
Kortom, het gaat om het potentieel: het kan allemaal veel beter. Er is bij de VRT geen gebrek aan talent en intelligentie, maar wel aan bereidwilligheid, aan engagement. En onbetwistbaar is de politieke controle hier mede verantwoordelijk voor: zij bepalen immers het mandaat van de openbare omroep. Als je dan minister van media Bourgeois voortdurend hoort herhalen dat 'de VRT goed bezig is' dan weet je het wel. Deze man heeft zelf geen enkel engagement, geen enkele ambitie om de VRT inhoudelijk beter te maken: van iemand die dweept met Laura Lynn kun je dat ook niet verwachten.
film op VRT
Ik had gehoopt dat het vanavond anders zou zijn met een Brits-Amerikaanse filmproductie, maar neen dus: na vijf minuten heb ik al een tiental keren 'fuck' of 'fucking' gehoord.
Nochtans houdt onze minister van media Geert Bourgeois vol dat de VRT goed bezig is. Samen met zijn zusterpartij het CD&V verdedigt Bourgeois de gezinswaarden: een gezin waarin om de minuut twee keer de woorden 'fuck' of 'fucking' worden gebruikt?
Ik heb hierover al tientallen brieven geschreven naar kranten, weekbladen en naar de VRT zelf: het haalt allemaal niets uit.
Kijk naar de aankondiging van nieuwe films in het journaal: bijna altijd gaat het om Amerikaanse massaproducten, technisch allicht briljant maar inhoudelijk waardeloos.
Dan moet je bedenken dat bijvoorbeeld het Brugse Cinema Novo ieder jaar weer aantoont dat er in alle delen van de wereld schitterende films worden gedraaid. Maar de VRT vindt het zijn roeping om rotzooi te helpen verspreiden.
Als het maar de kijkcijfers ten goede komt, dat is de enige norm die nog telt: wil het publiek een openbare executie dan zal die op de duur ook door onze openbare omroep worden geleverd.
Maar niemand doet mee met mijn protest, dus zal ik weer aan het overdrijven zijn?
audit 07
Als uitsmijter presenteerde de VRT een portret van de VB-kiezer met vragen naar hun geprefereerd menu, hun vrijen met of zonder licht etc

