|

Medjugorje: Nedjo Brecic
Dit is het bekeringsverhaal van Nedjo Brecic, die bij de Medjugorje gebedsgroep was van bij het begin, op 4 juli 1982 tot het einde van zijn leven, 4 juli 1999. Nedjo zelf vertelt zijn verhaal.
Kinderjaren en jeugd
Mijn voornaam is Nedjeljco [afgekort Nedjo], wat zondag betekent. Mijn familienaam is Brecic. Ik kreeg deze naam omdat ik geboren ben op zondag 26 september 1952 in de stad Metkovic in Kroatië. Menigmaal maakte ik grapjes over hoe ik het enige kind was dat niet weende in het hospitaal, toen ik werd geboren, maar daarna voegde ik er ook de reden aan toe waarom: ik ben namelijk thuis geboren.
Ik was de jongste van acht kinderen in mijn familie. Een zus en een broer overleden heel jong, omwille van de armoede en het harde leven binnen ons gezin. Mijn vader was de enige van het gezin die werkte. Hij laadde zware zakken cement over van het schip naar de haven. We zijn heel strikt opgebracht als een Katholiek gezin.
Al mijn kinderjaren waren op de een of andere manier verbonden met de kerk. Ik was misdienaar, zong mee tot in de achtste klas. Daarna zongen mijn twee jaar oudere broer en ik psalmen. Van mijn zestiende tot mijn achttiende leerde ik spelen op het kerkorgel en was ik belast met de leiding van het koor. Ik heb nog twee andere broers en zussen. Eén ervan is priester, nog een andere broer verliet het seminarie na een jaar. Indien hij het seminarie niet vroegtijdig had verlaten, had ik zeker in zijn voetsporen getreden.
Ik beëindigde de handelsschool, niet omdat ik ervan hield, omdat mijn droom eigenlijk was om iets te doen rond techniek of mechaniek, maar mijn ouders konden het zich niet veroorloven om mij hiervoor in de gepaste school in te schrijven. Na mijn schooljaren werkte ik een jaar aan de Adriatische kust. Nadien was het tijd voor mijn verplichte legerdienst.
In die tijd was ons gezin één der armste van de streek. Ik was verlegen om mijn vrienden mee te nemen bij ons thuis, vooral omdat ons toilet zich buiten bevond. Ik wou alles beter maken. Toen ik terugkwam uit het leger vond ik werk bij een bank. Ik ging een grote lening aan en bouwde een huis. De afbetaling van mijn huis bedroeg 10 euro. In 1988 begon de inflatie dramatisch toe te nemen, waardoor mijn lening goedkoper werd ten opzichte van mijn loon.
Als ik terugkijk, zie ik dat Onze Lieve Vrouw mij aan het voorbereiden was voor deze tijd en toen de verschijningen begonnen, bezat ik veel geld. Ik bezat een nieuwe auto, een televisie en een stereoketen. Al mijn dromen werden werkelijkheid. Tot 1976 leidde ik een leven zoals al mijn vrienden. Ik ging naar de zondagmis, maar daar eindigde dan ook mijn geestelijk leven.
Mijn vaders en broers dood
Maar al mijn dromen stopten in 1976. Ik was toen 24 jaar. Mijn vader was stervende van longkanker. Hij was als een heilige. Zijn gezin betekende veel voor hem. Hij offerde alles op voor ons. Hij was maar tot het vierde leerjaar naar school geweest, maar dat maakte er hem niet minder fatsoenlijk op.
Daags na Kerstmis 1976 overleed hij in mijn armen terwijl hij door de ziekenwagen werd overgebracht naar het hospitaal. Hij stierf vreedzaam, zonder pijn. Het was alsof hij in slaap viel. Dit was de eerste dood binnen het gezin die ik zelf meemaakte, maar ik verwerkte alles tamelijk goed. God zij dank dat mijn vader niet leed.
Mijn broer Ante was eveneens ziek. Hij had sinds zijn geboorte een hartafwijking. Toen mijn vader stierf, probeerden we ons verdriet voor onszelf te houden zodat mijn broer geen hartfalen zou krijgen omwille van het verdriet, vooral van mijn moeder, (die stierf in 1989.) We wandelden naar het kerkhof, drie kilometer verder. Mijn broer ging mee en twee mannen hielpen hem. Tegen het einde viel hij neer en dacht ik dat ook hij ging sterven. Ik voelde mij diep bedroefd. Ik wenste niet meer verder te leven.
Vijftig dagen later overleed mijn broer Ante, op de leeftijd van 35 jaar. Hij was gehuwd en had drie kinderen tussen de leeftijd van vier en tien jaar. Hij leefde met zijn gezin in Split. Hij was een heel goed man. Hij vocht als een leeuw voor zijn gezin en offerde heel zijn leven op voor hen. Hij voedde zijn kinderen op in geloof. Hij was een knappe man en werd door iedereen in de buurt aanvaard. Hij had de stem van een engel en speelde accordeon. Hij hield veel van mij en ik zag hem meer als een vriend dan als een broer. Voor mij was hij de ideale persoon. Iemand die ik wou nastreven toen ik opgroeide.
Op de dag van zijn dood, op 15 februari 1977, werkte ik in een opslagplaats. Ik voelde een vreemde koude en angst en ook een gebrek aan liefde in mijn hart. Heel spoedig daarop vernam ik zijn dood. Ik was zowat in shock. Ik hield veel van hem en het was heel moeilijk voor mij om zijn dood te aanvaarden. Het eerste dat bij mij toen opkwam was wie dit aan mijn moeder zou vertellen. Ze verwachtte zijn thuiskomst van het hospitaal op die dag en had reeds zijn lievelingsmaaltijd klaargemaakt. Ik vertelde haar het slechte nieuws en ze wou het niet geloven.
Heel het dorp sprak over zijn dood, omdat iedereen veel van hem hield. Nog nooit in mijn leven had ik zo’n grote opkomst meegemaakt bij de begrafenis. Op die dag bad ik tot God om mij een of ander teken te geven dat hij in de hemel was, maar ik kreeg geen enkel teken. Ik voelde een grote angst in mijn hart en probeerde mijn verdriet met alcohol weg te spoelen. Normaal drink ik geen alcohol en toch had het geen effect op mij.
Mijn oorlog met God
Vanaf die dag wou ik niets meer horen over God, zelfs niet Zijn naam. Ik wou niet meer naar de kerk gaan. Mijn moeder weende elke dag en bad voor mij omdat ik ogenschijnlijk uiteen leek te vallen, na een verlies van twintig kilogram gewicht. Ik was zo depressief dat ik wou sterven. Mijn vreugde en geluk stierven tezamen met mijn broer. Mijn enige troost was het lezen van boeken, allerhande boeken. Ik had de gewoonte om elk weekend naar Split te gaan om er de tijd door te brengen met zijn kinderen. Ik zou terugkeren als een gewond dier, omdat ze me nog meer zouden doen denken aan hem.
Zijn jongste meisje, de vier jaar oude Alma, hield ervan om met mij te spelen. Op een dag vroeg ze mij in het geheim: "Nedja, mijn vader is gestorven. Wil u mijn vader zijn?" Dat maakte me heel verdrietig. Toen ik terugkeerde uit Split dreef een zekere kracht mij naar Verpic, een vereringsplaats van Onze Lieve Vrouw van Lourdes, op de weg naar Medjugorje. In de stilte van deze plaats, vroeg ik aan Onze Lieve Vrouw om mij te helpen, omdat ik zo niet langer verder kon. Het was het enige gebed dat ik kon bidden. Het voelde vreemd aan, want ik voelde woede tegenover Onze Lieve Vrouw. Ik was gewoonweg kwaad op God. Vanaf dan zou ik er elke week stoppen op mijn weg terug naar huis.
wordt vervolgd.
|