Berichten van 1 februari 2011 tot 28 februari 2011
Tussen Muur en Geweerloop (Update 21-3-2011)


Toen ik nog werkte in de Gevangenis van Maastricht moest ik iets zoeken in de Archiefruimte, daar lagen veel oude boeken en registers, ook werden daar goederen bewaard uit het verleden. Ik vond een miserabel boekje, met getypte tekst en heel eenvoudig samengebonden. Ik begon te lezen en kwam terecht in een gedichtenbundeltje geschreven door Jaap Sickenga, een verzetsstrijder, gevangen gezet op 31 augustus 1941, eerst in Scheveningen later in het Minderbroedersklooster te Maastricht. In beide heb ik gewerkt, dat is al frappant. Deze jongeman is op 23 jarige leeftijd gefusilleerd op 11 mei 1942.
Ik werd heel diep getroffen door een aantal weergaloze gedichten, begonnen op 1 mei 1942 t/m 7 mei 1942 schrijft Jaap Sickenga zijn gedichten, wat een prachtige gave had deze jonge man.
Met deze wil ik Jaap Sickenga in de herinnering brengen en samen met hem al die andere helden, die hun leven hebben gegeven. Ik zal iedere week een aantal gedichten hier plaatsen.
Iets over de foto:
Het herdenkingsmonument bij "Jaglust" te Bilthoven is opgericht ter nagedachtenis aan alle burgers en militairen die sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen in oorlogsituaties en bij vredesmissies. In het bijzonder worden elf plaatsgenoten herdacht die in het verzet tegen de bezetter zijn omgekomen, te weten: H.J. van Aalderen, M. Balk, P.J. ter Beek, A.P.M. Fauchney, A.J. van Ginkel, M.J. Groen, J.G.A. van Medenbach de Rooy, J. SICKENGA, H.J.H. van Tarel, J.W. Vermaak, S. de Wolf.
Het monument is onthuld op 13 december 1958 door Ir. Maas Geesteranus, nadat een grote inzameling onder de bevolking was gehouden, kon het gedenkteken gerealiseerd worden.
1-5-1942
Laat het goed geweest zijn, onze daden
- of misschien ook verkeerd -
Voor hooger doel ons te offren
hebben wij tenminste geleerd.
Is dit niet de zin van het leven
- en misschien ook van de dood -
te leren onszelf te geven
in aller nood?
2-5-1942
Het Noodlot
Sinds lang heb ik het geweten,
Het noodlot klopt aan mijn deur,
Vaak trachtte ik het te vergeten,
Maar het noodlot bleef voor mijn deur.
Het wachtte er zo geduldig,
tot eindelijk het ogenblik kwam,
dat ik, ja heel voorzichtig,
de klink van de deur vernam.
Zo anders kwam het me tegen,
dan ik het ooit had verwacht,
's-nachts heb ik in doodangst gelegen,
maar het kwam, oh zo zacht.
Bescheiden, haast ongemerkt,
trad het mijn leven in,
toch heeft het heftig gewerkt,
en ik weet precies het begin.
Nu heeft het de leiding genomen,
en ik loop als een kind aan de hand,
We zijn haast aan het einde gekomen
daar wacht mij een ander land.
Gedurfd te leven
Wij hebben gedurfd te leven, Goddank
Laten we nu durven sterven
en zeggen kunnen "God, Dank"!
Als schimmen uit verre streken
- door d'aether een stuk van een lied -
komt herinnering uit vroeger verleden
Saam, met een zacht, gelukzalig verdriet.
Wij weten, het is voorbij nu
wat ook gebeurt -
maar de herinnering blijft, nù
des te schoner gekleurd.
Maar tocht, zij wordt ons zo vreemd ook,
als was het nooit werkelijkheid -
want hier tussen muur en geweerloop
heft de ziel zich in eeuwigheid.
Weet, je moogt niets meer verwachten
van's levens verderen loop,
Al gloort in de donkerste nachten
altijd nog een sprankje hoop.
Weet, dat het uur kan komen,
nu- morgen- of vannacht,
dat je plotseling mee wordt genomen
dan is het spoedig volbracht.
In de Kloostergang
Wel spelen wij maskerade
beneden, daar in de gang
Een enkel woord van waarde
tussen veel nutteloos gezwam
Het zijn juist de enkele woorden
zo schijnbaar terloops gezegd,
die diep in je ziel zich boorden
zich daar hebben vastgehecht
Het is juist in dat enkel gezegde
in 'n zee van onbelangrijkheid
dat de ander zijn wezen legde
je steunt, in je eenzaamheid
Wat blijft
Steeds losser worden de banden
en wat aan het leven mij bindt
de blik reeds gericht op de landen
die ik aan d'overzij vind
Toch zijn er banden, die blijven
die houden de binding stand
tussen hen, die achterblijven
en die reist naar dat ander land
Het zijn niet de gesproken woorden
niet de blik van oog in oog,
Het is het voelen, het weten
van wat onze harten bewoog.
3-5-1942
Lente
Zon op de plassen
Strakblauwe lucht
bloeiende bomen
vogelgerucht
De Lente gaat komen
al zie ik het niet,
thuis bloeien de bomen
en groent het verschiet
Maar ook is gekomen
de Lente in mijn ziel,
toen na donkre dromen
Gods Licht binnenviel
4-5-1942
Mijn God
Mijn God, ik kan het niet geloven
dat dit het einde moet zijn
Het leven ging zoveel beloven
was alles slechts zilv'ren schijn?
Waarom moest ik haar dan ontmoeten
die voor mij de toekomst ontsloot?
Waarom moet zij hiervoor boeten
wijl toch reeds beschikt was mijn dood?
Och, Heer, wil mij vergeven
mijn twijfelend gemoed
'k weet, U zijn dood en leven,
Wat Gij doet, dat is goed.
het Noodlot
het Noodlot heeft ons geslagen
en onze levenskracht
Maar juist in deze dagen
heeft het ons samengebracht
Het heeft in ons diepste wezen
een nieuwe band gelegd
die het schrijnende kan genezen
van ons verwonde hert
5-5-1942
Ons bedreigt
Een andere dood
dan het lood.
Onverschilligheid
die daaraan lijdt
sterft vóór zijn tijd
Oppermachtig
Het is heel eenvoudig
oppermachtig te zijn
Het Heelal te besturen
God's gelijke te zijn
Het enige wat je moet willen
is willen wat Hij wil,
dan zal al ander willen
gaan wijken voor Uw wil.
Ach, het is zo eenvoudig
Oppermachtig te zijn
ge moet steeds Uzelve vergeten,
Vergeten om "ik" te zijn.
Niet vangen
Zij kunnen mij niet vangen
al is mijn lichaam hier
mijn geest volgt zijn verlangen,
mijn lichaam is slechts hier.
En zelfs als ze dàt nemen
wat nood is er dan nog?
Mijn geest zweeft vrij erhenen
En vindt zijn woning toch
Het is die heilige vriendschap
die opbloeit in dezen nood
als een goddelijke boodschap
die duurt tot in de dood.
Herinnering
Laat herinnering schoner steeds blinken
Laat verlangen feller mij slaan,
Laat in mijn ziel de strijdroep weerklinken
van het hart, dat niet onder wil gaan.
Want niet wil het in grauwjheid verzinken
in doffe berustinh, van wat schijn beschikt
neen, tot het laatst zal de strijdkreet weerklinken
al wat ik weet ik heel goed, dat de mens enkel wikt.
Daarom, oh God, laat mij branden
in het vuur van herinnering
en wil met gloeiende banden
mij binden aan het leven dat ging.
Want dan alleen zal ik weten
dat in mij dit leven nog bloeit.
6-5-1942
Mijn last dragen
Ik heb mijn last te dragen
En doe het met vrolijk gezicht
maar ach, niet alle dagen
woog zij even licht.
Ik weet van dagen van kommer
van grondeloos verdriet,
als de ziel, steeds stommer
smacht naar wat haar verliet.
Maar als de nood het hoogst is
dan is de redding nabij
en wat mijn grootste troost is:
ja, dat opnieuw in mij
een lied is opgeklonken
dat maakt de ziele vrij

