|
De mens en zijn maskers
Een sluier verbergt het gezicht maar een masker doet meer: een masker wendt een vals gezicht voor. Daar het zich aan de omstandigheden aanpast, kan men zich afvragen of het gezicht zelf dan geen masker is. Niet noodzakelijk, zo lijkt het: evenals met zijn woorden en gebaren, kan men met zijn gezicht de waarheid laten zien of hem verbergen. Drukt het lichaam de waarheid uit, dan blijft het één geheel vormen met zichzelf maar liegt het, dan koppelt het zich van zichzelf los: het zelf verliest zich dan in wat het niet is en gaat over van zijn naar niet-zijn. En wat dat betekent, weet niet alleen Faust.
Voor de spiegel staat een wat uitgemergelde man die net gedoucht heeft en die zich moet opmaken voor een sollicitatie voor de job van voorzitter van de nato. Buiten schijnt een zomerzon, het is er even warm als binnenshuis maar de sollicitant realiseert zich dat hij zo de straat niet op kan zonder binnen de kortste keren gearresteerd te worden en daarom kleedt hij zich aan. Een sluier zou volstaan om zijn lichaam te bedekken maar louter bedekking is niet de bedoeling van het masker: onze held moet een lichaam voorwenden dat niet het zijne is en zo moet de kledij ervoor zorgen dat meneer breder lijkt dan hij in werkelijkheid is, zijn buikje moet gecamoufleerd worden, hakken zullen hem wat groter doen uitschijnen, samen met het kapsel en het hoofddeksel en verder is er nog een bijzonder complexe opbouw van de rest van de façade die moet meehelpen om de lui die deze sollicitant zullen keuren, op het verkeerde been te zetten. Alle mensen weten nu eenmaal van elkander dat zij maskers dragen, het komt er alleen op aan zich niet te laten ontmaskeren. Niet het geweten en de schuld zijn vandaag problematisch maar de schande: het openbaar worden van schuld en van gewetenloosheid.
Een andere kijk op de zaak luidt dat er geen essentie is: het masker is eindeloos verwisselbaar met elk ander en zonder de maskers is er niets. Men zou dan kunnen denken dat iets of iemand achter zijn maskers, die maskers bestuurt maar dat is een kostelijke illusie: elk masker wordt bestuurd door zijn omgeving die het lachen doet en wenen; de mens als een geheel van maskers is de resultante van zijn externe betrekkingen. Het knooppunt van de interne relaties is het maskerloze lichaam.
In zijn hoofdwerk refereert Rudolf Boehm naar Blaise Pascal met betrekking tot de middeldoelomkering die laat zien hoe de mens met het masker van voorgewende beweegredenen zijn eigenlijke drijfveren verbergt: in de activiteit van de jacht moet de bekommernis voor voedselvoorziening het botvieren van een dierlijke moordlust verkappen. Valse motieven verplichten wie de verschalking van de medemens voor ogen hebben in het zich bekwamen in de kunst van de retorica, de argumentatieleer die zich laat betitelen als de welsprekendheid terwijl zij zich alleen maar bekwaamt in de specialiteit van het liegen.
Maskers kunnen een gezicht maskeren of bijwerken maar steeds vaker is het masker exact het tegenovergestelde van het gezicht dat het verbergt en zo pakte een halve eeuw geleden de filosoof Ivan Illich uit met een werk dat luistert naar de titel Medical Nemesis of de ziekmakende werking van de geneeskunde en in Latijns Amerika had omstreeks dezelfde tijd Paulo Freire het over onmondig makende scholing. Verarmende economie die geen middelen biedt voor de handel maar die op de handel teert, precies zoals beleggers teren op het zweet van arbeiders. Werktuigen die hun bedienaren aan zich onderwerpen of het verhaal van de golem, vandaag in de gedaante van de één gemaakte wereld, een anonieme, levenloze structuur die alle leven aan zich onderwerpt en die reeds door de grote Russische schrijver Fjodor Dostojevski werd voorzien en in zijn Demonen werd benoemd als het 'kristallen paleis'.
Tenslotte is er nog de kapitalistische economie, het masker dat nu afgevallen is, de hebzucht die er uitzag als het blinkende goud dat nu zijn ware gelaat toont van de lelijke, eeuwige oorlog met op zijn zwarte vlag de dood.
(J.B., 1 januari 2025)
|