Naar de inhoud

toen

akke.beakke.be

Archief

vandaag jaren terug 06 aug 1928 andy warhol

6 aug 1928 Andy Warhol (Pittsburgh, 6 augustus 1928 – New York, 22 februari 1987) was een Amerikaans kunstenaar, filmregisseur en auteur. Warhol werkte tevens als muziekproducent en acteur. Vanuit zijn achtergrond en ervaring in de toegepaste kunst was Warhol een van de protagonisten van de popart in de Verenigde Staten in de jaren 50 en 60 van de 20e eeuw. Warhol wordt ook wel the silver prince of the pop genoemd. Warhol is vooral beroemd om zijn 'vlakke' en contrastrijke schilderijen en zeefdrukken van verpakte producten en alledaagse objecten zoals Campbell's-soepblikken, bloemen en de banaan op de cover van het album The Velvet Underground & Nico(1967), alsook voor zijn gestileerde portretten van 20eeeuwse beroemdheden als Marilyn Monroe, Grace Jones. Elvis Presley, Judy Garland, en Elizabeth Taylor. Andy Warhol werd als Andrew Warhola geboren in Pittsburgh (Verenigde Staten). Zijn ouders waren Ondrej (Andrew) Warhola en Júlia Justyna Zavacká, Roetheense immigranten uit het dorp Miková in het huidige Slowakije. Ondrej, wiens familienaam oorspronkelijk als Varhola werd geschreven, veranderde de schrijfwijze naar Warhola toen hij naar de VS emigreerde. Hij werkte in de kolenmijnen van Pennsylvania. Andy toonde reeds vroeg artistiek talent en ging toegepaste kunst studeren in Pittsburgh aan het Carnegie Institute of Technology, de tegenwoordige Carnegie Mellon University. Daar viel hij op door het tekenen van twee zelfportretten waarop hij in zijn neus aan het peuteren was (Upper Torso Boy Picking Nose en Full Figure Boy Picking Nose). In 1949 verhuisde Warhol naar New York, waar hij een bescheiden carrière opbouwde in de reclame- en tijdschriftenwereld.
In de jaren zestig startte Warhol met het op groot formaat schilderen van beroemde Amerikaanse producten als Campbell's-soepblikken en Coca-Cola-flessen. Hij wist de invloedrijke galeriehouder en kunstverzamelaar Leo Castelli te interesseren voor zijn werk. Hij ging de zeefdruktechniek gebruiken, om niet louter kunst te maken met alledaagse commerciële massaproducten als motief, maar om zelfs zijn eigen kunst als massaproduct te creëren. Warhol wilde het liefst een emotieloze machine worden. Hij stelde zich op als chef van een team van kunstarbeiders die zich bezighielden met het maken van zeefdrukken, films, boeken en tijdschriften. Dit team was actief in een studio in de buurt van Union Square in New York. De studio werd the Factory genoemd omdat er werkelijk een productielijn van schilderijen in gehuisvest was. Deze studio groeide uit tot een ontmoetingsplaats voor artiesten, homo's, travestieten, junks en fotomodellen. Iedereen met enige artistieke pretentie was er welkom. De oorspronkelijke Factory was gevestigd in een oude pettenfabriek op 231 East 47th street (vierde verdieping). Na een aantal jaren verplaatste Andy Warhol zijn entourage naar een kantoorpand aan de overkant van de straat; 33 Union street West (zesde verdieping). Deze tweede Factory werd door Warhol zelf the Office genoemd want er was niet uitsluitend een atelier gevestigd, maar ook de redactie van het door Warhol opgerichte blad Interview. Warhol werd in de jaren van de Factory wereldwijd bekend met zijn zeefdrukken. Hij maakte zeefdrukken van elk onderwerp dat zich ervoor leende. Warhols oeuvre baseert zich grotendeels op de Amerikaanse populaire cultuur. Hij schilderde en tekende bankbiljetten, stripafbeeldingen, voedsel, vrouwenschoenen, beroemdheden en alledaagse objecten. Voor hem vertegenwoordigden deze motieven de Amerikaanse culturele waarden. Op 3 juni 1968 kwam Valerie Solanas, een radicaalfeministisch auteur die van tijd tot tijd rondhing in de Factory, in de studio opdagen en schoot Warhol en kunstcriticus Mario Amaya neer. Solanas was eerder op die dag afgewezen in de Factory nadat ze een script had teruggevraagd dat ze aan Warhol ter inzage gegeven had. Het script was blijkbaar zoekgeraakt. Warhol werd zwaar verwond door de schietpartij en werd in het ziekenhuis zelfs klinisch dood verklaard. Hij leed voor de rest van zijn leven aan de fysieke gevolgen van de aanslag. Zo moest hij bijvoorbeeld steeds een korset dragen om zijn onderbuik te ondersteunen. De schietpartij had een grote nawerking op Warhols leven en zijn kunst. De
Factory werd strenger afgeschermd en voor velen betekende deze gebeurtenis het einde van de wilde jaren van de Factory. Diezelfde dag gaf Solanas zichzelf aan bij de politie en werd ze gearresteerd. Haar verklaring voor deze misdaad was dat Warhol te veel invloed op haar leven had gekregen.
In vergelijking met Warhols provocerende werk in de jaren zestig waren de jaren zeventig artistiek gezien minder productief, hoewel Warhol veel zakelijker werd. Volgens zijn toenmalige assistent Bob Colacello zocht Warhol in die jaren vooral naar gefortuneerde mensen bij wie hij een portretopdracht in de wacht kon slepen, zoals Mick Jagger, Liza Minnelli, John Lennon, Diana Ross, Brigitte Bardot en Michael Jackson en ook minder bekende bankdirecteuren en verzamelaars. Hij richtte het magazine Interview op en publiceerde in 1975 zijn boek The Philosophy of Andy Warhol, waarin hij zijn nuchtere ideeën omtrent kunst en leven uit de doeken deed. Van hem zijn de volgende uitspraken bekend: "Geld verdienen is kunst, werken is kunst, en goede zaken doen is de allerbeste kunst".
Warhol overleed op 22 februari 1987 om 6.32 uur op 58-jarige leeftijd in New York. Hij was herstellende van een routineoperatie aan zijn galblaas toen hij in zijn slaap stierf aan een hartstilstand. Het ziekenhuispersoneel had hem na de operatie slaapmiddelen toegediend en had zijn welbevinden onvoldoende gevolgd. Daarom klaagden advocaten van Warhols nabestaanden het ziekenhuis aan wegens nalatigheid. Warhol had een medische behandeling almaar uitgesteld omdat hij bang was voor ziekenhuizen en een grote hekel had aan dokters. Warhol werd begraven op de katholieke begraafplaats van St. John the Baptist Byzantine in Bethel Park, ten zuiden van Pittsburgh. Yoko Ono was een van de mensen die een afscheidsrede uitsprak op zijn begrafenis. Het internationale veilinghuis Sotheby's had negen dagen nodig om Warhols immense verzameling van kunst en 'prullaria' te veilen. De bruto-opbrengst van deze veiling was ca. 20 miljoen Amerikaanse dollar Warhol had reeds een reputatie opgebouwd als commercieel illustrator, vooral voor schoenenwinkels, toen hij besloot een carrière als beeldend kunstenaar te starten. Hij werd daartoe aangespoord door onder andere Emile de Antonio, die vond dat hij betere ideeën had dan vele van zijn tijdgenoten. Op de kunstacademie had hij schilderijen gemaakt, maar daarna maakte hij vooral illustraties met tekeninkt onder andere voor warenhuizen en tijdschriften. Door overtrekken van zijn onderwerpen in inkt en afdrukken daarvan op aquarelpapier maakte hij meerdere variaties op zijn thema's. Als illustrator voelde hij zich niet voldoende serieus genomen en hij wilde een echte kunstenaar worden. Toen Warhol weer begon te schilderen, koos hij een eigen aanpak. Hij begon te schilderen met gesloten luiken, en steeds dezelfde single op zijn platenspeler. Op dat moment was popart, zoals de benaming later zou worden, reeds in opkomst. Warhol adapteerde deze nieuwe stijl, waarbij alledaagse voorwerpen deel konden uitmaken van het repertoire van de kunstenaar. All is pretty (alles is mooi) was daarbij zijn devies. Zijn eerste werken tonen afbeeldingen naar krantenadvertenties, voor korsetten, cola, likdoornpleisters en stofzuigers. Later begon hij met afbeeldingen uit strips, zoals Superman, Popeye en Dick Tracy. Deze vroege werken waren handgeschilderd met opzettelijk aangebrachte verfdruipers. De druipers verwezen naar de op dat moment populaire stijl van het abstract expressionisme; die bijvoorbeeld door Jackson Pollock en Willem de Kooning werd toegepast. Hij wilde 'erbij horen' en succesvol zijn. Na de eerste handgemaakte schilderijen begon hij al snel met de meer afstandelijke zeefdrukken op doek waarmee hij beroemd werd. Strips, typografie en dergelijke werden echter al gebruikt door artiesten als Roy Lichtenstein en Jasper Johns; Warhol zocht als onderwerp een persoonlijk kenmerk dat hem zou onderscheiden van de anderen. Een binnenhuisarchitecte, Muriel Latow stelde hem voor dat hij de dingen zou schilderen
waarvan hij het meeste hield. In eerste instantie noemde hij "geld". Toen ze zei dat hij iets moest schilderen wat mensen herkennen, een blik soep bijvoorbeeld, vatte Warhol dit letterlijk op, zoals hij wel vaker deed, en voor zijn eerste grote tentoonstelling schilderde hij zijn roemruchte Campbell'ssoepblikken. Hij schilderde alle tweeëndertig varianten van Campbell's-soup. De blikken verschillen alleen in de titel van de soep (zoals Chicken, of Cream of Asparagus). Warhol hield ook van geld en schilderde dus ook bankbiljetten. Hij adoreerde beroemdheden (en aspireerde beroemdheid); dus schilderde hij ze.
De soepschilderijen kreeg Warhol in New York niet geëxposeerd, maar Irving Blum, die een galerie had in Los Angeles wilde ze wel exposeren. Sommige toeschouwers werden boos, anderen barstten in lachen uit. Een andere galeriehouder bij Blum in de straat, zette de soepblikken in de etalage en verkocht ze voor 20 cent. Vanuit de soepblikschilderijen ontwikkelde Warhol zijn latere stijl. Hij verving het schilderen van een kenmerkend onderwerp door het schilderen volgens een kenmerkende stijl, waarbij het handgemaakte stilaan op de achtergrond raakte. Warhol ging varianten van de zeefdruktechniek toepassen en werd meer en meer de bedenker van schilderijen in plaats van de schilder die zelf de kwast vasthoudt. Op het hoogtepunt van zijn roem had hij meerdere assistenten in dienst, die volgens zijn aanwijzingen zeefdrukken produceerden in verschillende variaties wat betreft kleuren en afmetingen. Zijn belangrijkste assistent was Gerard Malanga, die enigszins bang was dat Warhol hem wilde versieren. Warhol maakte zowel 'humoristische' (zoals de soepblikken) als 'ernstige' (de elektrische stoel) werken. Typisch aan zijn werk is zijn koele afstandelijkheid, waardoor de kijker zelf moet interpreteren wat de 'echte Andy' denkt. Is de kunstenaar gechoqueerd door dood of denkt hij dat het grappig is? Zijn afbeeldingen van soepblikken een boodschap over de goedkoopheid van de massacultuur, een grap over kunstverzamelaars die de schilderijen willen hebben, of hebben ze te maken met zijn oprechte liefde voor zijn moeder, die in zijn jeugd Campbell's soep voor hem maakte? Warhols kunst werd meer en meer conceptueel. Zijn serie Do-It-Yourself-schilderijen en doeken in de vorm van de vlekken op een Rorschachtest zijn bedoeld als populair commentaar op kunst en wat kunst zou kunnen zijn. Zijn behangpapier met koemotief en zijn oxidatie-schilderijen (met koperverf voorbereide doeken waarop geoxideerde urinevlekken te zien zijn) behoren ook tot deze context. Belangrijk is hoe deze werken en de manier waarop ze werden geproduceerd, de zeden en sfeer in Warhols Factory weerspiegelden. Er werd gespeculeerd dat Warhol gewoon afbeeldingen maakte van objecten die in zijn tijd hip en modern waren maar voor Warhol was er altijd een persoonlijke relatie tussen hem en zijn onderwerpen. De Campbell's Soup-blikken, als voorbeeld, functioneerden niet louter als illustratie van de commerciële industrie en publiciteit, maar maakten ook inherent deel uit van Warhols eigen leven en herinneringen. Als kind kreeg hij deze soep van zijn moeder wanneer hij ziek was en hij hield er nog altijd van als volwassene. Voor hem (en voor vele Amerikanen) representeerde de soep een thuisgevoel. Een ander criterium voor Warhols onderwerpkeuze was dat de onderwerpen een zekere filosofische notie moesten vertegenwoordigen en metaforische kwaliteit moesten bevatten. Als Warhol geld schilderde, was dat omdat hij dat wou bezitten - doeken vol geld. Hij maakte zijn werk deels om dit geld (en succes, roem en misschien zelfs liefde) op te brengen. Tegelijkertijd beschouwden deze schilderijen kunst als een commercieel artikel: de schilderijen van dollarbiljetten stelden zowel monetaire waarde als investering voor. Op die manier hadden de schilderijen, in plaats van louter bankbiljetten voor te stellen, impact op ideeën als artistieke waarde of op de kunstpraktijk. Op deze manier schilderde Warhol afbeeldingen van catastrofes in felle kleuren (Red Car Crash, Purple Jumping Man, Orange Disaster), omdat ze zowel de gruwel van de gebeurtenis op de foto en diens mediawaarde toonden als de manier waarop ze in de media werden gebagatelliseerd.
Door van deze "willekeurige" krantenknipsels schilderijen te maken, veranderde Warhol ze in gedenktekens van persoonlijke tragediën. Zo tonen ze een persoonlijke ervaring én geven sociaal commentaar op een tijd waarin de media groeide in relevantie. Op 4 augustus 1962 stierf Marilyn Monroe, waarna Warhol een grote serie portretten in zeefdruk van haar maakte, op grond van één oude foto. In de portretten gebruikt hij soms gedekte kleuren, of juist fluorescerende kleuren om bijvoorbeeld de mond te accentueren, dan wel goudverf. In april 2012 werd een jeugdwerk van de twaalfjarige Warhol ontdekt. De tekening bleek verborgen in de lijst van een ander schilderij dat door de vinder op een rommelmarkt in Las Vegas gekocht was.[1] Naast het beoefenen van verschillende kunstvormen als schilderen, fotografie, tekenkunst en beeldhouwkunst, was Warhol een productief filmmaker. Tussen 1963 en 1968 maakte hij meer dan honderdzestig films, waarvan er 60 toegankelijk zijn. De films vertonen overeenkomsten met zijn schilderijen, die ook veel herhalingen vertonen, en subtiele variaties van beeld. In de jaren zeventig verbood Warhol de distributie van zijn films, maar in de jaren 80 gaf hij na veel aandringen toestemming om de films te restaureren. In veel van zijn films werd de gebruikelijke projectiesnelheid gereduceerd van 24 beelden tot 16 beelden per seconde. Dit is net iets anders dan gebruikelijke slow-motion, waarbij de film juist op hogere snelheid wordt opgenomen, en op normale snelheid afgedraaid. Door de techniek van Warhol krijgen de afzonderlijke beelden meer nadruk. Een van zijn beroemdste films, en tevens zijn eerste, Sleep (1963), toont acht uur lang een slapende man, John Giorno, met wie hij een relatie had. Warhol filmde telkens ongeveer drie uur, tot om vijf uur 's ochtends de zon opkwam. Het filmen duurde een maand. Blow Job (1963) is een voortdurende closeup van het gezicht van een man (DeVeren Bookwalter) die buiten beeld oraal bevredigd wordt. Volgens Gerard Malanga was in de onzichtbare rol de dichter en filmmaker Willard Maas actief, hoewel Warhol hierover in zijn memoires (Popism) een andere lezing gaf. De film Kiss (1963) toont gedurende 55 minuten close-ups van kussende paren. In 1964 maakte Warhol een 99 minuten durend portret van de beroemde conservator van het Metropolitan Museum of Art, Henry Geldzahler. Tijdens de opnames liep Warhol gewoon weg. Op de film is goed te zien hoe Geldzahler zich verveelde en oncomfortabel was door de camera. Aan het eind van de film is hij geheel ingezakt. Uit 1964 stamt ook de film Eat met Warhols collega en vriend Robert Indiana, die heel bedaard en in close-up een paddenstoel zit te eten. Een andere film, Empire (1964), bestaat uit een acht uur durende opname van het Empire State Building in New York bij avondschemering. Warhols rolprent Vinyl is een bewerking van de dystopische Anthony Burgess-roman A Clockwork Orange. Verdere films beelden geïmproviseerde ontmoetingen uit van Factory-habitués als Brigid Berlin, Viva, Edie Sedgwick, Candy Darling, Holly Woodlawn, Ondine, Nico en Jackie Curtis. In de film Camp verschijnt de binnen de subcultuur legendarische kunstenaar Jack Smith. Veel beroemde bezoekers van de Factory werden in de periode 1963-1966 voor de camera gezet, en gedurende 2 minuten en 45 seconden gefilmd, de lengte van de standaard filmrol. Meestal zijn dat statische portretten. Door de filmpjes langzamer af te draaien worden de uitdrukkingen van de gezichten sterk uitvergroot. Het resultaat van deze opnames zijn ongeveer 500 films, door Warhol Screentests genoemd. Onder de geportretteerden zijn filmster Dennis Hopper en popster Lou Reed. De films werden in diverse samenstellingen gemonteerd en op exposities van Warhol en in filmhuizen getoond. Warhols meest succesvolle film was Chelsea Girls (1966); de film was innovatief aangezien hij bestond uit twee simultaan geprojecteerde 16-mm-filmrollen met uiteenlopende verhalen. Vanuit de projectiecabine werd het geluidsniveau voor één film verhoogd om dat verhaal te verduidelijken terwijl het voor de andere film werd verlaagd, waarna de rollen werden omgekeerd. Deze wijze van verdubbeling van de afbeelding gebruikte Warhol ook in zijn zeefdrukken van het begin van de jaren
zestig. De invloed van de film met meerdere gelijktijdige lagen en verhalen is merkbaar in moderne producties als Timecode van Mike Figgis en, indirect, de eerste seizoenen van 24. Andere belangrijke films zijn My Hustler (1965) en Lonesome Cowboys (1968); een homo-erotische pseudowestern. Blue Movie, een film waarin Warhols 'superster' Viva gedurende 33 minuten seks heeft met een man, was Warhols laatste eigen film. Viva wist, nadat de film een schandaal had veroorzaakt vanwege de vrijzinnige benadering van seksualiteit, de openbare vertoning van deze film lang tegen te houden. De film werd in 2005 pas, voor het eerst sinds 30 jaar, opnieuw vertoond in New York. Nadat Warhol op 3 juni 1968 was neergeschoten door Valerie Solanas trok hij zich terug als regisseur en liet het maken van films over aan Paul Morrissey. Deze stuurde de aanpak van de Warhol-films meer en meer in de richting van gewone B-movies met een duidelijk verhaaltje (bijvoorbeeld: Flesh, Trash en Heat). Deze films en ook de later gemaakte films Blood for Dracula en Flesh for Frankenstein waren veel normaler dan alles wat Warhol als regisseur ooit zelf had gemaakt. De ster in deze films was Joe Dallesandro, die eigenlijk eerder een Morrissey-ster was dan een echte Andy Warhol superstar. Een andere film die veel furore maakte als Warhol-film heette Bad. Deze film werd in feite geregisseerd door Jed Johnson. De sterren van deze film waren Carroll Baker en Perry King. Om het succes van de latere films te vergroten werden rond 1972 al Warhols' eerdere avant-garde films uit de roulatie gehaald. Warhol leverde van 1979 tot 1987 het artistieke concept voor een serie televisieprogramma's, 42 in totaal, die werden uitgezonden door commerciële zenders. Een droom van Warhol was een Hollywood-film te maken, maar daar is hij nooit aan toegekomen. In de jaren zestig ontdekte Warhol de groep The Velvet Underground en nam hen aan als een van zijn projecten. Hij was de producer van hun eerste album The Velvet Underground and Nico en ontwierp er ook de albumillustraties voor. Zijn échte aandeel in de productie kwam er uiteindelijk op neer dat hij betaalde voor de studiotijd. Na het eerste album werden Warhol en bandleider Lou Reed het meer en meer oneens over de richting die de band uit zou moeten gaan. Het contact tussen de twee vervaagde. Warhol ontwierp de coverillustratie voor het Rolling Stones-album Sticky Fingers (1971) en Love You Live (1977). In 1975 werd aan Warhol gevraagd verschillende portretten te maken van Stoneszanger Mick Jagger. In 1990 namen Lou Reed en John Cale het album Songs for Drella op. Een van Warhols bijnamen was Drella, een combinatie van Dracula en Cinderella (Assepoester). Op Drella verontschuldigt Reed zich ten opzichte van Warhol. Warhol was bevriend met vele muzikanten waaronder Bob Dylan, John Lennon en Jim Morrison. Hij ontwierp de cover van Lennons Menlove Avenue (postuum 1986). Warhol verscheen als een barman in de video voor de The Cars-single Hello Again, en in een Curiosity Killed The Cat-video voor hun Misfitsingle. Beide video's werden geproduceerd door Warhols productiebedrijf. Hij 'had een boontje' voor Nick Rhodes van Duran Duran, die hij relatief vaak ontmoette.
Hoewel Andy Warhol de meeste bekendheid bereikte met zijn schilderijen en films, was hij actief in verschillende andere media, zoals: Mode — Van Warhol is bekend dat hij gezegd heeft dat hij liever een jurk koopt en aan de muur hangt, dan daar een schilderij op te hangen ("I'd rather buy a dress and put it up on the wall, than put a painting, wouldn't you?"). Een van zijn bekendste supersterren, Edie Sedgwick, wilde modeontwerper worden, en zijn goede vriend Halston was er een. Warhols modewerk omvat gezeefdrukte kledij, een incidentele bijverdienste als catwalkmodel en zowel boeken over mode als schilderijen met modieuze onderwerpen (schoenen).
Performances — Warhol en zijn entourage organiseerden happenings: theatrale multimediapresentaties tijdens feestjes met muziek, film, diaprojecties en Gerard Malanga in een S&Moutfit met een zweep slaand. Het hoogtepunt in deze periode van Warhols leven was de The Exploding Plastic Inevitable. Fax-art - Op 12 januari 1985 werkten Warhol, Joseph Beuys en de Japanse kunstenaar Kaii Higashiyama mee aan het Global-Art-Fusion project. Dit was een door de concept-kunstenaar Ueli Fuchser geïnitieerd intercontinentaal performance fax-art project, waarbij een fax met tekeningen van de drie kunstenaars in 32 minuten om de wereld werd gestuurd - van Düsseldorf via New York en Tokio naar Palais Liechtenstein, het museum voor de moderne kunst in Wenen. De fax was bedoeld als statement voor de vrede. Het was een van de eerste werken in een wereldwijde context.[2] Fotografie — Om zijn zeefdrukken te produceren maakte Warhol zelf foto's of liet deze door anderen maken. De foto's werden meestal gemaakt met een specifiek type Polaroid-camera, dat deze firma speciaal voor Warhol bleef produceren. De fotografische benadering van schilderen en zijn grote hoeveelheden snapshots, hadden hun effect op de artistieke fotografie van die dagen. Warhols' late oeuvre omvat aan elkaar genaaide zwart-witfoto's. Daarnaast gooide hij niets weg, en bewaarde jarenlang alledaagse voorwerpen uit zijn studio in systematisch gedateerde dozen, die hij "tijdcapsules" noemde.
Het Andy Warhol Museum in Pittsburgh, Pennsylvania is het grootste Amerikaanse museum opgedragen aan een enkele kunstenaar; het bevat meer dan 12.000 werken van Warhol. In de Slowaakse gemeente Medzilaborce, vlak bij het dorpje waarvan Warhol zijn ouders afkomstig zijn, is het Andy Warhol Museum voor Moderne Kunst te vinden. Het stelt een 160-tal werken van de kunstenaar en een groot aantal memorabilia van Warhol en zijn familie tentoon. Werk in openbare collecties (selectie) Berardo Collectie Museum, Lissabon Fine Arts Museums of San Francisco, San Francisco Metropolitan Museum of Art, New York Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam[3] The Kiss (Bela Lugosi) [4] Museum of Modern Art, New York Campbell's Soup Cans [5] Rijksmuseum Amsterdam [6] Queen Beatrix of the Netherlands[7] Stedelijk Museum Amsterdam Bellevue II[8] TATE Modern Londen Marilyn Diptych[9] Een van de beroemdste citaten van Andy Warhol is In the future everyone will be famous for fifteen minutes., vertaald: In de toekomst zal iedereen gedurende 15 minuten wereldberoemd zijn. Nadien zei hij over deze quote: I'm bored with that line. I never use it anymore. My new line is "In 15 minutes everybody will be famous." Begin april 2007 raakte bekend dat de New Yorkse verzamelaar José Mugrabi zijn 600 Warhols van de hand doet voor 1 miljard dollar aan een onbekende sjeik. De sjeik is zinnens een "Andy Warhol Museum" te bouwen in Abu Dhabi of Dubai. De familie Mugrabi bezit ook Warhols "Twenty Marilyns" (1962). In Jommekes-album 242 "De puddingkoningin" wordt er naar Warhol verwezen. In Groningen is een nachtcafé vernoemd naar deze artiest (nachtcafé Warhol). In het café zijn verschillende van zijn kunstvormen verwerkt in het interieur.



2167694-0e572f02bd5a5d435a40b63a5b275916.JPG

2167694-7122229ccc0bff5c57b17ed78cf6a0ab.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:18 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 05 aug 1919 zangeres zondernaam

5 aug 1919 Maria (Mary) Servaes-Bey (Leiden, 5 augustus 1919 – Horn, 23 oktober 1998) was een Nederlands zangeres. Zij vertolkte onder de artiestennaam Zangeres Zonder Naam decennialang het Nederlandse levenslied, hetgeen haar de bijnaam 'Koningin van het Levenslied' opleverde. Tot haar grootste successen behoren: Ach vaderlief, toe drink niet meer (1959), De blinde soldaat (1962), Mexico (1969, 1986), Het soldaatje (de vier raadsels) (1971), Mandolinen in Nicosia (1972), Keetje Tippel (1975), Rock around the clock (met Normaal, 1987), 't Was aan de Costa del Sol (1975) en Vragende kinderogen (1982). In totaal nam ze meer dan 550 liedjes op. Mary Servaes werd geboren in Leiden als Maria (Rietje) Bey. Ze was de achtste in een arbeidersgezin van tien kinderen en had geen gemakkelijke jeugd. Toen ze drie was, maakte ze een lelijke val waardoor ze een heup brak. Het breukherstel bleef tien jaar lang aanslepen en ze hield de rest van haar leven last van haar heupen. Haar bekering tot het rooms-katholicisme leidde tot een breuk met haar ouders. Ze woonde in de oorlogsjaren een tijdje bij haar zus in Kampen en later bij haar broer in Maastricht, waar ze haar echtgenoot de Maastrichtenaar Sjo Servaes ontmoette die werkzaam was als metaalbewerker en later chauffeur zou worden. Zij trouwden in 1948.[1] [2] [3] In Maastricht trad ze als zangeres op in cafés. Voor een bevriende zanger verzorgde ze in 1957 de achtergrondzang op een demo die uiteindelijk bij Johnny Hoes belandde. Van de zanger op de opname was Hoes niet erg onder de indruk maar hij vond het kinderstemmetje op de achtergrond erg bijzonder. [4] Nadat hem werd verteld dat de stem op de demo niet die van een kind is, maar van een 37-jarige vrouw, nodigde hij Mary uit voor een auditie, waarna ze een platencontract kreeg. Ze zong hierop haar eerste single, Kindergebed, die niet slecht verkocht voor een eerste single. Vanwege haar stemgeluid waar Hoes geen naam voor had, verzon hij voor Mary de artiestennaam de Zangeres Zonder Naam. Wellicht vond hij daarvoor inspiratie bij de Franse zanger Roland Avellis, reeds voor de Tweede Wereldoorlog bekend als "Le chanteur sans nom".[5] Verder was er in die jaren ook een Orkest Zonder Naam. De eerste gouden single van de Zangeres verscheen in 1959: Ach vaderlief, toe drink niet meer. Het is de eerste uit een lange rij hits die de Zangeres tot in de jaren tachtig scoorde. De bemoeienis van cultuurdragers als Gerard Reve en Lucebert zorgde er in de jaren zeventig voor dat ze, behalve onder het traditionele levensliedpubliek, ook in kunstenaarskringen werd geroemd, zij het met de nodige camp-ironie. Toen Reve in oktober 1969 in de Allerheiligst Hart van Jezuskerk de P.C. Hooftprijs ontving vroeg hij de zangeres voor een optreden tijdens de huldiging.[6]
Ook protestliederen waren de Zangeres niet vreemd. Zo nam ze in 1965 Hij was maar een neger (over racisme) op en vertolkte ze in 1969 De soldatenmoeder, door Lucebert geschreven voor het experimentele schouwspel Poppetgom, dat kritiek leverde op de Vietnamoorlog.[7] Toen ze het in 1977 in een zelfgeschreven tekst tegen de Amerikaanse anti-homorechtenactiviste Anita Bryantopnam (Luister Anita), was ook haar status als "Moeder aller homo's" in Nederland definitief gevestigd: "Maar beste vent hou gerust van je vriend, en strijd voor je rechten, desnoods ervoor vechten. Waar ze jou van beschuldigt heb jij niet verdiend." In 1975 brak de Zangeres met Johnny Hoes. Het leverde een lang juridisch proces op waarin ze financieel aan het kortste eind trok. Ze zou na die tijd alleen nog in verbitterde termen over Hoes spreken. Gedurende de jaren tachtig bleef ze bescheiden hits scoren tot ze in 1986 een inmiddels legendarisch optreden verzorgde in de Amsterdamse rocktempel Paradiso. De op die avond opgenomen versie van haar jaren-zestighit Mexico werd een groot succes en leverde de Zangeres een nieuwe generatie fans op. Ze verzorgde hierna ook optredens in discotheken en nam een single op met de groep Normaal. Beide singles behaalden een top-10 notering. Voor haar lp Live in Paradiso ontving ze in 1987 een Edison. Dit alles vormde de opmaat tot haar afscheidsconcert in Tilburg op 31 december van dat jaar. Haar afscheidsalbum Bedankt lieve mensen werd goud en ook de singles Mijn leven en Braziliaanse nachten werden bescheiden hits. In juni 1988 kreeg ze de erepenning van de stad Leiden, wegens haar onnavolgbare vertolkingen van het levenslied.[8] [9]
De Zangeres wilde na haar afscheid samen met Jo Servaes van haar oude dag genieten, wat echter werd verhinderd door de plotselinge dood van haar echtgenoot in 1990. Servaes bracht de laatste jaren van haar leven door in haar huis in Stramproy en liet herhaaldelijk merken hoezeer ze haar echtgenoot en haar publiek miste. In 1993 kwam ze daarom nog een keer terug op de bühne. De single Eenmaal in je leven werd haar laatste hit. In 1994 werd nog eenmaal een feest gehouden, ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag. Ze moest vanwege Parkinson opgenomen worden in een verzorgingstehuis in Horn, waar ze op 79-jarige leeftijd aan een hartstilstand overleed.[10] Servaes-Bey werd in hetzelfde stapelgraf als haar man begraven in de Sint-Willibrorduskerk in Stramproy.[11] Later werd bekend dat de zangeres berooid is overleden, testamenten en spaarbankboekjes waren verdwenen.[12 Tijdens haar lange carrière was de Zangeres voor veel mensen uitgegroeid tot een symbool van hoop en liefde. Haar dood kwam voor fans dan ook hard aan. Duizenden mensen reisden naar Stramproy om afscheid van haar te nemen. Onder de gasten in de kerk bevond zich een aantal bekende collega's, waaronder Albert West, Trea Dobbs, Pierre Kartner en de Vlaamse ster Eddy Wally. Zevenhonderd aanwezigen gaven haar een minutenlange staande ovatie. Marianne Weber vertolkte het lied waarmee de Zangeres in 1987 afscheid nam: Mijn Leven (My Way). De Zangeres Zonder Naam wordt beschouwd als een van de belangrijkste iconen die het Nederlandse levenslied heeft opgeleverd.[13] In 1999 werd een groot deel van haar inboedel geveild ten bate van diverse goede doelen.[14]
Op 18 mei 2007 werd in haar geboorteplaats Leiden de Mary Beystraat officieel geopend. Het straatje in de Leidse nieuwbouwwijk (2007 – 2008) ontbeerde lange tijd een straatnaambordje, hoewel deze 'Straat Zonder Naam' wellicht erg toepasselijk was. Neef Willem Bey nam het voortouw voor de opening, die werd verricht door oud-minister en oud-wethouder van Leiden Alexander Pechtold.[15] In januari 2010 verscheen het boek "Sterven Zonder Naam" van Ben Holthuis en co-auteur Frank Wouters (ISBN 978-90-8510-901-3). Het handelt over de trieste laatste jaren van de Zangeres Zonder Naam.[16] Naar aanleiding van het boek werden door kamerleden Pechtold en Ine AastedMadsen kamervragen gesteld over het falende beschermingsbewind.[12] [17] In 2011 maakte De Graaf & Cornelissen Producties een musical over het leven van de Zangeres Zonder Naam.[18] De musical liep tot april 2012.



2167492-a6b274769392b5bd5341fc611ba1d8b8.JPG

2167492-a07b7023f419446ad94ce4c7603036d0.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 09:02 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 05 aug 1992 tante leen

5 aug 1992 Tante Leen (Amsterdam, 28 januari 1912 – Amsterdam, 5 augustus 1992), werkelijke naam Helena Kok-Polder, later Helena Jansen-Polder, was een Nederlands volkszangeres. Samen met haar gabber Johnny Jordaan mag zij aanspraak doen gelden op de titel "de Beste Stem van de Jordaan". Tante Leen trad pas op 43-jarige leeftijd voor het eerst op. Daarvoor verdiende ze de kost als schoonmaakster en garnalenpelster. Bezoekers van het café waar ze werkte en zong om de gasten te vermaken schreven haar in voor een talentenjacht die platenmaatschappij Bovema had uitgeschreven om de Beste Stem van de Jordaan te vinden. Ze behaalde de tweede plaats achter Johnny Jordaan. Vanaf dat moment luidde haar bijnaam de nachtegaal van de Willemsstraat. Tante Leen trad vaak op samen met Johnny Jordaan en werd vaak begeleid door accordeonisten als Jan Schallig .Veel van haar teksten waren van de hand van Jaap Valkhoff. Haar grootste hit had ze met het nummer Oh, Johnny dat gericht is aan Johnny Jordaan. Die antwoordde hierop met het lied Tante Leen, Tante Leen, Tante Leen, ik ga een liedje over je zingen van Harry de Groot. Vanaf 1960 had Tante Leen samen met haar tweede echtgenoot (haar eerste echtgenoot kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog om bij een bombardement) 'Ome' Bram Jansen een eigen café aan de Nieuwendijk 103, waar ze iedere dag optrad. In 1947 krijgen ze een zoon Freddie genaamd. Haar lied 'Ook kleine kinderen worden groot' is aan hem gericht. In 1968 werd ze uitgenodigd om Nederland te vertegenwoordigen op het Eurovisiesongfestival, maar ze sloeg de uitnodiging af. Zij beëindigde haar zangcarrière in 1975 en bracht de laatste jaren van haar leven door in een verzorgingshuis. In 1994 werd voor haar een borstbeeld opgericht op het pleintje aan het begin van de Elandsgracht. Haar beeld kwam naast dat van Johnny Jordaan te staan. Het plein heet tegenwoordig Johnny Jordaanplein.



2167490-efd7f4a027e4c97162a9959cf1de2810.JPG

2167490-4ac099fc3be92d5b7683ebf692aa2de0.JPG
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rami om 08:58 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 05 aug 1962 marleen monroe

5 aug 1962 Marilyn Monroe, pseudoniem van Norma Jeane Mortenson (Los Angeles, 1 juni 1926 – aldaar, 5 augustus 1962), was een Amerikaans fotomodel, actrice en zangeres. Ze werd als sekssymbool een icoon in de jaren vijftig. Marilyn Monroe – Norma Jeane – had een moeilijke jeugd. Haar moeder was Gladys Pearl Mortenson, geboren Monroe,[1] en was eerder gehuwd met John Baker. Norma Jeanes moeder liet zich nog naar hem Gladys Sasha Baker noemen en liet Norma Jeane ook met deze achternaam dopen. Gladys Baker was weliswaar in 1924 getrouwd met Martin E. Mortensen, maar ze leefden al gescheiden voordat Gladys zwanger werd.[2] Mogelijk was Norma Jeanes vader Charles Stanley Gifford.[3] Gifford en Gladys Baker werkten beiden in de snijstudio van RKO Pictures, waar Baker Giffords ondergeschikte was. Gladys Baker was drugsverslaafd en liet de opvoeding van Marilyn over aan haar vrienden Albert en Ida Bolender. Toen Baker na een lange tijd met haar dochter in een oud krot ging wonen, kreeg ze een zenuwinzinking waardoor ze helemaal op hol sloeg (volgens ooggetuigen zou ze op het dak geklommen zijn en zo de hele buurt bij elkaar geschreeuwd hebben). Monroe werd daarna in het gezin van Grace McKee (later Goddard) geplaatst. Monroe zou nooit een goede band met haar moeder opbouwen. In een later interview zei ze over haar moeder: "To me, she was just that red-haired woman." ("Voor mij was ze slechts die roodharige vrouw.") In 1942 moest McKee's man voor zijn werk naar de oostkust van de Verenigde Staten. Het was voor het stel te duur om de 16-jarige Monroe nog te onderhouden. De jonge Monroe had twee keuzes: terug naar het weeshuis of trouwen. Ze koos voor het laatste en trouwde op 19 juni 1942 met haar 21-jarige buurjongen James Dougherty. Terwijl Dougherty in het leger diende, ging Monroe in op het verzoek van een fotograaf om te poseren, onder andere voor naaktfoto's. Toen Dougherty terugkeerde, kon hij haar niet langer thuishouden en op 13 september 1946 scheidde het stel. Dougherty trouwde daarna nog tweemaal. Hij overleed in 2005.
In de jaren daarna probeerde Monroe aan de slag te komen in Hollywood. Ze kreeg onder de naam Marilyn Monroe een contract bij een filmmaatschappij, maar buiten één kleine bijrol, die ook nog eens sneuvelde in de montagekamer, bleef dit aanvankelijk zonder succes. Een contract bij een maatschappij was in die tijd vaak een geïnstitutionaliseerde vorm van prostitutie: de 'actrices' mochten met de relaties van de filmbazen uit eten. Ze werkte ondertussen aan haar houding, nam acteer- en zanglessen, blondeerde haar haar en liet haar gebit reviseren. Geleidelijk aan maakte ze naam als dom blondje, een imago dat ze bewust cultiveerde. Haar eerste grote rol was in How to Marry a Millionaire. Ze had groot succes met Gentlemen Prefer Blondes, naast Jane Russell, en met The Seven Year Itch, waarin het befaamde shot zit met de opwaaiende jurk. Haar laatste project was Something's Got To Give, een onvoltooide film waarin ze tegenover Dean Martin speelde. Monroes huwelijk met de honkballer Joe DiMaggio, met wie ze op 14 januari 1954 trouwde, duurde slechts 7 maanden (tot 27 oktober 1954). Ze gingen evenwel als goede vrienden uit elkaar. DiMaggio bracht na Monroes dood in 1962 gedurende 20 jaar driemaal per week verse rozen naar haar graf.
Aan het einde van de jaren vijftig richtte Monroe haar eigen productiehuis op en verhuisde ze naar New York. Ze nam lessen bij The Actors Studio van Lee Strasberg en kreeg een relatie met toneelschrijver Arthur Miller, met wie ze op 29 juni 1956 trouwde. Ze wilde zich verdiepen en serieuzere rollen spelen. In Engeland maakte ze The Prince and the Showgirl, met Laurence Olivier. De film was een flop, maar werd achteraf helemaal niet slecht bevonden. Velen vinden dat haar beste film Some Like It Hot was, tegenover Jack Lemmon en Tony Curtis, alhoewel ze ook goede recensies kreeg voor haar optreden in Bus Stop.
Arthur Miller schreef voor haar het script van The Misfits, waarin ze speelde tegenover Clark Gable en Montgomery Clift, twee Hollywoodlegenden. De opnames waren een hel, doordat ze plaatsvonden in de woestijn van Nevada, ver van de bewoonde wereld. Monroe repeteerde tot diep in de nacht met haar persoonlijke coach, Paula Strasberg, de tekst voor de volgende dag. Door vermoeidheid, maar ook door haar alcohol- en medicijngebruik, verscheen ze vaak te laat op de set, of soms gewoon helemaal niet. Halverwege de opnamen stuurde de regisseur, John Huston, die zelf ook wel een slokje lustte en soms tijdens de opnamen in slaap viel, haar naar een kliniek om van haar verslaving af te komen. De laatste opnamen van Monroe zijn in soft focus gefilmd om de sporen van de verslaving te maskeren. Miller ontmoette tijdens de opnamen de fotografe Inge Morath, met wie hij een relatie begon. Dit leidde tot de scheiding van Monroe op 20 januari 1961.
Na The Misfits werkte Monroe nog mee aan opnames voor Something's Got to Give, een project dat door de studio werd stilgelegd omdat ze bijna nooit op de set kwam. Haar psychische problemen, deels geërfd van haar moeder, verergerden door haar chronische medicijngebruik. Op 5 augustus 1962 werd ze dood aangetroffen door de huishoudster Eunice Murray in haar huis in Brentwood, Californië. Bij de autopsie op het lichaam van Marilyn Monroe werd acht milligram van het middel chloraalhydraat en 4,5 milligram van het middel Nembutal in haar lichaam gevonden, en dr. Theodore J. Curphey van The Los Angeles County Coroner's Office zei in een persconferentie dat de doodsoorzaak een acute "barbituraat-vergiftiging" was, als gevolg van een "waarschijnlijke zelfmoord". Monroe is begraven op het Westwood Village Memorial Park Cemetery in Los Angeles.[4]
Er is in de media veel gespeculeerd over een mogelijke relatie tussen Monroe en de Kennedy's. Met de Amerikaanse president John F. Kennedy zou ze volgens deze geruchten een affaire hebben gehad, maar toen hij haar beu was, zou hij haar hebben overgedragen aan zijn broer, Bobby Kennedy. Toen deze haar zou hebben laten vallen, zou Monroe door het lint zijn gegaan en een poging tot chantage hebben gedaan. Bewijs voor de relatie en een andere doodsoorzaak dan zelfmoord is echter nooit gevonden. Er zijn oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van deze geruchten. Het grote publiek was in de jaren 1960 onwetend van het drugsgebruik van Monroe. Voor buitenstaanders kwam haar dood dan ook onverwacht. Dat gaf dan ook voeding aan speculaties over de doodsoorzaak. Ook het optreden van Monroe op de verjaardag van president Kennedy in mei 1962, toen ze de president op opvallend zwoele manier Happy Birthday toezong, gaf achteraf voeding aan de bovengenoemde speculaties. Ten slotte ging het hier om twee iconen van de vroege jaren 1960 die alle twee op een onverwachte en raadselachtige manier aan hun eind kwamen, voor de populaire pers goed voor veel sappige verhalen.



2167487-8ae0dbc0b6c7fa81cee1c027191ad84a.JPG

2167487-3d44ba9fc9625e276371d8dbb5b99930.JPG
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door rami om 08:55 Reageer op dit bericht

vandaag jaren terug 04 aug 1900 armstrong

4 aug 1901 Louis Daniel Armstrong (New Orleans, 4 augustus 1901 – New York, 6 juli 1971) was een Amerikaans jazz trompettist , zangeren entertainer. Zijn bijnaam was Satchmo of Satch, een afkorting voor Satchelmouth (buidelmond). Hij was ook bekend als Dippermouth, net als Satchmo een referentie aan zijn grote mond. Door vrienden en collega's werd hij meestal aangesproken met Pops, een naam die hij zelf ook voor anderen gebruikte (met uitzondering van Pops Foster, die hij steevast George noemde). Hoewel zijn carrière begon in de jaren twintig, kennen zelfs huidige generaties hem nog van nummers als What a Wonderful World, Hello Dolly en It Takes Two to Tango, die hij met zijn karakteristieke, rauwe stem vertolkte. Armstrong beweerde publiekelijk altijd dat hij niet wist wanneer hij jarig was, maar dat hij het altijd vierde op 4 juli (de Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag). Armstrong gaf als jaar van zijn geboorte meestal 1900 op, behalve op officiële overheidsdocumenten (daarin staat 1901). Zijn geboortedatum (4 augustus) werd later teruggevonden door muziekhistoricus Tad Jones in de dooparchieven van de rooms-katholieke kerk waar Armstrongs grootmoeder hem had laten dopen. Deze datum, ondersteund door andere documenten, wordt tegenwoordig door Armstrong-kenners als juist geaccepteerd. Armstrong was een telg van een arme familie in New Orleans. Ten tijde van zijn overlijden in 1971 werd hij beschouwd als een van de belangrijkste musici van de twintigste eeuw. In een eerbetoon aan Armstrong zei Bing Crosby "Hij was de enige musicus aller tijden, die niet door iemand anders vervangen kon worden". Miles Davis zei over hem "Je kunt niets op een blaasinstrument spelen dat Louis niet al gespeeld heeft". En Duke Ellington zei "Hij werd arm geboren, stierf rijk, en heeft in de tussentijd niemand benadeeld". De door Armstrong bereikte mijlpalen vallen in drie categorieën: Zijn talenten als instrumentaal virtuoos omvatten een unieke, eigen stijl van spelen en een buitengewoon talent voor melodische improvisatie. Als neveneffect van zijn talentontwikkelde de trompet zich tot solo-instrument binnen de jazz. Hij begon zijn carrière op een kornet (een op een trompet gelijkend instrument met een zachtere klank - zeer populair bij de musici van New Orleans en tegenwoordig gebruikt in Brass Bands) maar stapte later over op trompet, om in zijn tijd bij het Fletcher HendersonOrchestra niet uit de toon te vallen bij de andere instrumentalisten in zijn sectie. Naast zijn talenten als solist was hij een uitmuntend muzikaal begeleider en ensemble-speler. Met alles wat hij bereikte, legde hij de lat hoger voor zijn opvolgers. Zijn zangkunst. Bekend om zijn rauwe, raspende stem was hij ook hier een meester der improvisatie in melodie en liedtekst om deze aan te passen aan de noden van zijn uitvoering. Beroemd is zijn introductie van het woordeloos vocaliseren, later bekend als scat. Vóór Armstrong zongen zangers altijd het lied; na hem werd het geaccepteerd om als uitvoerder een eigen stempel op het nummer te drukken. Zijn indrukwekkende persoonlijkheid, zowel als entertainer als later als publiek figuur. Zijn persoonlijkheid was zo sterk dat deze soms zijn bijdragen als musicus en zanger overschaduwde. Als acteur speelde hij in een aantal bijrollen in Hollywood-producties en was hij de eerste Afro-Amerikaan die in de Verenigde Staten een nationaal uitgezonden radioprogramma presenteerde. Armstrong bracht zijn armoedige jeugd door in een ruwe wijk in het centrum van New Orleans. Zijn vader, William (Willie) Armstrong, was reeds vertrokken toen Louis geboren werd.[1] Zijn moeder, Mary Ann (Mayann) Albert zorgde in eerste instantie voor Louis en zijn halfzus Beatrice Armstrong Collins (*1903). Enige tijd na de geboorte van Beatrice vertrok ook de moeder van Armstrong: ze ging terug werken in de prostitutie. In tegenstelling tot met zijn vader, die hij nooit gekend heeft, had Louis Armstrong wel een goede band met zijn moeder. Later zou hij haar ook regelmatig uitnodigen. Mogelijk is zijn vader snel vertrokken omdat hij vermoedde dat hij niet de echte vader was - Mary Ann werkte toen waarschijnlijk ook reeds in de prostitutie. Willie Armstrong stichtte een nieuw gezin waarmee hij wel normale banden had.
Louis Armstrong trouwde vier maal. In 1918 huwde hij de 21-jarige Daisy Parker. Zij was een knappe prostituee, die agressief kon reageren. Het koppel werd dan ook meermaals gearresteerd voor geweld. Nog in het eerste jaar van hun huwelijk adopteerde Armstrong het driejarige kind van zijn nicht Flora, die in 1915 kort na de geboorte van het kind stierf. De zoon, Clarence Hatfield Armstrong (Louis Armstrong gaf hem zijn familienaam) was geestelijk gehandicapt. Louis Armstrong zorgde levenslang voor de jongen. Clarence overleefde hem, hij stierf in 1998.[2] In 1923 scheidde Armstrong van Daisy Parker, nadat ze reeds geruime tijd uit elkaar waren. In 1924 trouwde Armstrong met de pianiste Lil Hardin. Eind jaren 1920 gingen ze elk hun eigen weg. In 1931 gingen ze uit elkaar, maar pas in 1938 volgde de officiële scheiding. Datzelfde jaar, in 1938, trouwde Armstrong met Alpha Smith, waarmee hij reeds een tiental jaren een relatie had. In 1942 scheidden ze. Armstrong was toen een relatie begonnen met Lucille Wilson, een danseres uit de Cotton Club. In 1942 trouwden ze. Ze bleven samen tot de dood van Louis Armstrong. Lucille Wilson overleed in 1983. Officieel had Armstrong geen eigen kinderen. In 2012 beweerde een 55-jarige vrouw wel dat ze de dochter was van Armstrong.[3]
Armstrong leerde de kornet bespelen in de band van het New Orleans tehuis voor Jonge, Verwaarloosde Kleurlingen, waar hij heen gezonden werd omdat hij bij een Nieuwjaarsviering een pistoolschot gelost had. Hij volgde brassband parades en luisterde wanneer hij maar kon naar oudere musici, pikte het vak op van Bunk Johnson, Buddy Petit en vooral van "King" Joe Oliver, die de rol van mentor (en bijna van vader) voor de jonge Armstrong op zich nam. Later speelde Armstrong in diezelfde brassbands op de rivierboten van New Orleans en begon voor het eerst rond te reizen toen hij bij de vooraanstaande band van Fate Marablekwam, die rondtoerde op stoomboten op de Mississippi; hij beschreef later zijn tijd bij Marable als zijn "studententijd", omdat hij hier een enorme ervaring opdeed met uitgeschreven orkestraties. Toen Joe Oliver in 1919 uit New Orleans vertrok, nam Armstrong zijn plaats in in de band van Kid Ory, destijds de meest swingende jazzband in de stad. In 1922 ging Armstrong mee met de grote exodus naar Chicago, waar hij door Joe Oliver uitgenodigd was om mee te doen in diens Creole Jazz Band. In het begin van de jaren twintig, in een tijd waarin Chicago op jazzgebied het centrum van de wereld was, was Olivers band de beste, "hotste" en meest toonaangevende jazzband van heel Chicago. Hun opnamen uit 1923 worden nog steeds beschouwd als schoolvoorbeelden van New Orleans Jazz in ensemblestijl. Armstrong had het naar zijn zin bij Oliver, maar zijn vrouw, Lil Hardin Armstrong, vond dat hij hoger gewaardeerd moest worden. Armstrong en Oliver gingen in 1924vriendschappelijk uit elkaar en Armstrong vertrok naar New York om bij de Fletcher Henderson Orchestra - in die dagen de crème de la crème van zwarte bands - te gaan spelen. Daarnaast maakte hij solo-opnamen die verzorgd werden door zijn oude vriend uit New Orleans, de pianist Clarence Williams. In 1925 keerde hij terug naar Chicago en begon onder zijn eigen naam opnamen te maken met zijn beroemde Hot Five en Hot Seven bands. Zij scoorden hits als Potato Head Blues, Muggles (een referentie aan Armstrongs levenslange hobby, marihuana) en West End Blues, de muziek waarvan hij in de daaropvolgende jaren de standaard en de toon zette. Melancholy Blues, uitgevoerd door Armstrong en zijn Hot Seven band, was bij de muziekstukken die op de gouden plaat meegingen met de Voyager-sonde als een van de grootste mijlpalen der mensheid. In 1929 keerde Armstrong terug naar New York, verhuisde in 1930 naar Los Angeles en toerde daarna door Europa. Hij spendeerde jaren achter elkaar aan de ene tournee na de andere tot hij in 1943 uiteindelijk permanent neerstreek in Queens in New York. Als live performer bleef hij groeien en zijn optredens in nachtclubs werden enorm populair. Hoewel hij onderhevig was aan de wisselvalligheden van Tin Pan Alley, en de van gangsters doordrenkte
muziekindustrie, bleef hij zich ontwikkelen en het publiek aanspreken. Hij bleef de volgende 30 jaar rondreizen en one-night-stand optredens geven in een slopend schema van 300+ dagen per jaar. Hij trad op in meer dan 30 films. Zijn meeste tournees na het eind van de jaren veertig werden begeleid door zijn band de All Stars, waarin Barney Bigard, Jack Teagarden, Earl Hines, Trummy Young en Barrett Deems meespeelden. Ook bleef hij veelvuldig opnamen maken.
Tegen het advies van zijn arts in, speelde Armstrong in maart 1971 gedurende twee weken in de Waldorf-Astoria Empire Room. Aan het einde hiervan werd hij opgenomen in het ziekenhuis vanwege een hartaanval. Hij werd ontslagen uit het ziekenhuis in mei, en speelde al snel weer op zijn trompet. Armstrong stierf aan een hartaanval in zijn slaap op 6 juli 1971, een maand voor zijn 70e verjaardag. Hij werd begraven op Flushing Cemetery, Flushing te Queens, New York. In zijn vroege jaren was Louis Armstrong het bekendst om zijn meesterschap op kornet en trompet. Het summum van zijn trompetwerk uit zijn vroege jaren is te horen op zijn Hot Five en Hot Seven platen. Zijn op deze platen vastgelegde improvisaties van New Orleans jazzstandards en populaire werken van die tijd zijn ook tegenwoordig nog briljant, ook in vergelijking met enig werk dat later gemaakt is. Ze zitten vol met geïnspireerde melodieën, creatieve sprongen en subtiele, ontspannen of gedreven ritmes. Het pure genie van deze creatieve passages wordt geëvenaard door de techniek van Armstrong die, gescherpt door constante oefening, de reikwijdte, toon en mogelijkheden van de trompet uitbreidde. Op deze platen schiep Armstrong vrijwel in zijn eentje de rol van de jazzsolist, nam hij iets dat in feite een collectieve volksmuziekvorm was en vormde deze om tot een vorm van kunst en individuele expressie die de klassieke muziek naar de kroon stak. Naarmate zijn muziek groeide en zijn populariteit toenam, werd ook zijn zang belangrijker. Armstrong was niet de eerste die opnamen maakte van scat als zangvorm, maar hij was er wel de heer en meester van - en degene die het populair maakte. Met zijn spel en zang had hij de hit Heebie Jeebies en terwijl hij I'm A Ding Dong Daddy From Dumas opnam, zong hij luidkeels "I done forgot the words" ("Ik ben de woorden kwijt"). Dergelijke platen werden hits en scat werd een belangrijk onderdeel van zijn optredens. Armstrong was echter al veel eerder aan het experimenteren met zijn vocale arsenaal door het strekken en inkrimpen van uitdrukkingen, het inbrengen van improvisaties, het even creatief gebruiken van zijn stem als zijn trompet. Armstrong was eclectisch, met interesses die zich uitstrekten van de meest aardse blues tot de mierzoete arrangementen van Guy Lombardo, tot Latijns-Amerikaanse volksliedjes tot klassieke symfonieën en opera. Armstrong bracht al deze invloeden samen in zijn optredens, waarbij hij soms fans verbijsterde en verwarde die liever hadden dat hij zich beperkte tot makkelijke, gelimiteerde categorieën. Gedurende zijn carrière trad hij op met de grootste en belangrijkste instrumentalisten en vocalisten van de jazz en blues; onder hen waren Jimmy Rodgers, Bing Crosby, Duke Ellington, Fletcher Henderson, Bessie Smith en bovenal Ella Fitzgerald. Met Fitzgerald nam hij drie albums op: Ella & Louis, Ella & Louis Again en voor Verve Records van Norman Granz de muziek van de moderne opera Porgy and Bess. Zijn platen Satch Plays Fats—een verzameling nummers van Fats Waller—en Louis Armstrong Plays W.C. Handy in de jaren vijftig waren wellicht de laatste van zijn echt creatieve werken, maar zelfs rariteiten als Disney Songs the Satchmo Way hebben hun muzikale momenten.
Gesponsord door het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken ondernam hij een succesvolle wereldtournee door Afrika, Europaen Azië. Tegen het einde werd hij wereldwijd aanbeden als Ambassadeur Satch en had hij internationaal succes met nummers als Stardust, What a Wonderful
World, When the Saints Go Marchin' In, Dream a Little Dream of Me, Ain't Misbehavin' en Stompin' at the Savoy. Met Hello, Dolly stootte hij zelfs even The Beatles van de top van de hitlijsten. Tot een paar jaar voor zijn dood hield hij een druk toerschema aan. Hoewel hij in later jaren zijn "standaardnummers" van tijd tot tijd wat mechanisch en houterig begon te spelen, kon hij soms ook de saaiste liedjes verlevendigen met een stroom aan noten die zijn band versteld deed staan. In 1968 had Armstrong nog een laatste wereldhit met het nummer What A Wonderful World. Dit nummer kreeg nog een extra boost onder het wereldwijde publiek toen het in 1987 gebruikt werd in de kaskraker Good Morning, Vietnam. Na opnieuw uitgebracht te zijn voor deze film stond dit nummer wereldwijd een tijdlang nummer 1 op de hitlijsten en het is daarom waarschijnlijk het nummer dat het brede publiek van hem het beste kent. Vreemd genoeg was dit nummer er een van de 150 die radio conglomeraat Clear Channel Communications na de aanslagen op het World Trade Center in New York op 11 september 2001 aanraadde om van de radio te weren. Armstrong is, onder de noemer vroege invloeden, opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame. Een aantal van zijn solo's uit de jaren vijftig, zoals zijn hard rockende versie van Saint Louis Blues op het W. C. Handy album[bron?] tonen aan dat de invloed wederzijds was.
De bijnaam Satchmo en Armstrongs persoonlijkheid resulteerden, samen met zijn natuurlijke drang tot het vermaken en het uitdagen tot reacties van zijn publiek, in een persoonlijkheid - de grijns, het zweet, de handdoek - die gemaakt leek en later in zijn loopbaan een soort van racistisch karakter kreeg. Volgens critici was hij een Uncle Tom. Hij kreeg ook zware kritiek te verduren omdat hij de titel Koning der Zulu's accepteerde (een erebaan binnen de zwarte gemeenschap van New Orleans als hoofd van een leidende, zwarte carnaval krewe, maar een die voor ongeïnformeerde buitenstaanders verbijsterend en aanstootgevend kan zijn - zeker gegeven het traditionele kostuum bestaande uit een kilt van gras en blackface-make-up die diende als satire van de blanke attitude in het Zuiden der Verenigde Staten) tijdens de Mardi Gras van 1949. Veel van deze gedragingen zijn echter te begrijpen als men bedenkt dat er onbegrip aan ten grondslag ligt, alsmede de tijd en plaats waarin Armstrong opgroeide (het Zuiden van de VS voor 1964 was niet een goede plaats voor een zwarte man om zich politiek correct te gedragen) en het feit dat veel van zijn gedragingen horen bij zijn beroep van entertainer - een beroep waarin zelfspot ook tegenwoordig nog aan de orde van de dag is. Ook stak Armstrong zijn politieke visie niet onder stoelen of banken, zeker niet toen hij een uitlating van President Eisenhower aangaande de schuld voor raciale spanningen - "extremisten aan beide zijden" - afdeed als lafheid van de president ("He's got no guts"). Veel van Armstrongs werken zijn nog altijd razend populair en heden ten dage, decennia na zijn overlijden, zijn er meer exemplaren van zijn werken - uit alle jaren - in omloop dan ooit tijdens zijn leven. Louis Armstrong heeft een ster op de Hollywood Walk of Fame bij 7601 Hollywood Blvd. Het Louis Armstrong New Orleans International Airport in Kenner in de staat Louisiana is naar hem vernoemd, evenals de tweede stadium baan van de USTA National Tennis Center in Flushing Meadows Park in Queens, waar de US Open wordt gespeeld. Hij richtte een fonds op om benadeelde kinderen een opleiding in de muziek te verschaffen, en liet zijn huis en een immens archief aan geschriften, boeken, opnamen en memorabilia achter aan het Queens College in New York, in te gaan na de dood van zijn vrouw Lucille. De archieven van Louis Armstrong zijn toegankelijk voor muziekhistorici en zijn huis in Corona, in Queens, is opengesteld als museum op 15 oktober 2003.



2167307-23b99ce1125528eb204b7a0d9e9569e2.JPG

2167307-33bcf50f019ace68f36317697efa0bdb.JPG
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door rami om 10:01 Reageer op dit bericht

Meer van toen

↑ Terug naar de berichten