Onze vrienden de vogels

Valkparkieten
Uiterlijk
Een wildkleur valkparkiet is de meest voorkomende en heeft de volgende kenmerken: Grijs met witte vlekken op de vleugels, een gele kop met een gele kuif, en oranje oorvlekken. Er zijn ook andere kleurvariëteiten gekweekt, bv. de lutino, opaline(gepareld), en albino. Het geslachtsverschil is weinig opvallend - de mannetjes ('man') hebben een gele kop en kuif, het vrouwtje ('pop') heeft een minder gele kop, wat vooral bij onderlinge vergelijking van een paartje opvalt, en ook niet bij alle kleurvarianten zichtbaar is. Kenners kunnen het eerder aan bepaalde gedragingen zien, mannetjes vertonen machogedrag. Ze wegen 80 à 110 gram en zijn ongeveer 30 to 33 centimeter.
Valkparkieten kunnen goed als huisdier worden gehouden maar aspirant-valkparkiethouders moeten zich realiseren dat vooral de mannen erg luidruchtig kunnen zijn en de veren stof produceren. Vooral als ze in de eerste 8 levens weken veel met mensen in contact komen kunnen ze erg tam worden. Valkparkieten kunnen een aanzienlijke leeftijd bereiken (15-25 jaar). Ze komen in gevangenschap relatief gemakkelijk tot broeden.
Dieet
Ze eten voornamelijk grof parkietenzaad, daarnaast wordt het aangeraden om ook met grote regelmaat groenvoer aan te bieden. Er moet ook dagelijks vers drinkwater beschikbaar zijn. Naast grof parkietzaad kun je pellets aanbieden.
Kooi
Minstens 40x50x60 cm, en dan nog wel af en toe buiten de kooi laten vliegen. Tralies dienen horizontaal te lopen om klauteren mogelijk te maken. Natuurlijk is het beter om een ruimer onderkomen voor de valkparkiet te kiezen zodat deze volledig tot zijn recht komt. Een volière, buiten of binnen, is ideaal voor een valkparkiet, zodat deze ten allen tijden zijn vleugels kan strekken.
Als huisdier
Goed, als het stof en het lawaai geen bezwaar zijn. Ze kunnen erg tam worden en hebben meestal een zachtaardig karakter. Probeer altijd een jonge handtamme valkparkiet te kopen; een oudere valkparkiet is moeilijker en soms helemaal niet tam te maken. Tam maken begint met de vogel uit de hand te laten eten.
******************************************************************
Vogels in de natuur
De Groene specht
De Groene Specht laat zijn lach luid en duidelijk door het bos schallen. Het lijkt wel wat op de lach van de Zwarte Specht. Maar De Groene Specht is er in eens, terwijl de Zwarte Specht een aanloopje neemt.
Grootte: Een kopje groter dan de Grote Bonte Specht
Biotoop: gemengde en loofbossen, vooral op zandgrond en in de duinen, maar ook in halfopen bossige streken in cultuurgebieden. Groene spechten zijn standvogels van open loofbossen, hoogstamboomgaarden, parken en oude houtsingels. Als broedplaats verkiest de soort meestal een zelfgehakt hol in een oude loofboom. Het voedsel bestaat uit grote mieren (vooral rode bosmieren) en wordt meestal op de grond verzameld.
Territorium: -
Trekken of blijven: Blijven
Bedreigd of niet? De soort staat op de Rode Lijst omdat het aantal broedparen duidelijk is afgenomen en de verspreiding beperkt is.
De groene specht is na de grote bonte de meest talrijke en verspreide specht in ons land. Waarschijnlijk trad halverwege de eeuw al een afname op, vooral op de oostelijke zandgronden. Midden jaren zeventig broedden nog 6000-7500 paar in ons land. Daarna zette de afname duidelijk door, vooral in het oosten en zuiden. Rond 1985 waren nog 3000-4500 paar over. Sindsdien lijkt de populatie in Achterhoek en Zuid-Limburg iets te stijgen, terwijl het midden van het land, het rivierengebied, oostelijk Brabant en aangrenzend Limburg een verdere afname melden. In de duinstreek en in Zeeland wordt sinds midden jaren tachtig een duidelijke toename opgemerkt. Het totaal aantal broedparen lijkt sinds midden jaren tachtig stabiel te zijn.
De afname van de groene specht lijkt in de eerste plaats gerelateerd aan de problemen die bepaalde mieresoorten ondervinden bij de verzuring van bos en hei. De afname van dit stapelvoedsel leidt logischerwijs tot het verdwijnen van de mieren-predator. Een serieuze aanpak van de verzuring van ons milieu is dan ook de belangrijkste structurele oplossing voor de problemen van de groene specht. Op lokaal niveau speelt verder de afname van nestgelegenheid een rol. Te denken valt daarbij aan het verdwijnen van hoogstamboomgaarden in het rivierengebied. Daarnaast zou een meer natuurlijk bosbeheer ook de groene specht ten goede komen. Vooral het bevorderen van geleidelijke overgangen tussen bos en open veld en het handhaven van oude loofhoutopstanden spelen daarbij een belangrijke rol. Tot slot: Er zitten nogal wat gaten in onze kennis omtrent het wel en wee van de groene specht. Vogelwerkgroepen zouden onderzoek kunnen doen naar aantalsontwikkeling en biotoop- en voedselvoorkeur van de groene spechten in hun omgeving en naar de verspreiding van de hopen van de rode bosmier.
De Specht in volle natuur
De Mus
De straatmus
Velen onder ons kennen wel de tjilpende Huismussen die op de zomerse terrasjes ijverig de grond en de tafeltjes afschuimen op zoek naar etensrestjes. Daarbij zijn ze helemaal niet schuw van de mensen die van de zon en een drankje zitten te genieten. Mussen staan bekend als langslapers, maar als ze eenmaal wakker zijn wordt er - vooral in maart en april - heel wat afgetjilpt en kan je het aantal mussen in je omgeving vrij gemakkelijk tellen.
Slechts weinig mensen weten dat in ons land twee mussensoorten voorkomen, die allebei in de omgeving van de mens vertoeven, de huismus en ringmus. Het onderscheid tussen beide soorten is vrij gemakkelijk te maken. De Ringmus heeft een koffiebruin gekleurd schedeldak terwijl de Huismus een grijs kopje heeft. Verder heeft de ringmus een witte halsring die al van verre opvalt.
- De huismus
| De Huismus-man (Passer domesticus) heeft een mooie grijze kop, een zwarte bef, bleke wangen en een bleke borst. Het vrouwtje is iets meer lichtbruin met een opvallende lichte wenkbrauwstreep. Zij heeft, net als de jongen geen zwarte bef en is wat doffer van kleur.
Oorspronkelijk broedde de Huismus in kolonies en in bomen, maar geleidelijk heeft ze zich aangepast en is ze een bewoner van menselijke bouwsels geworden, met een voorliefde voor holten onder dakgoten en dakpannen. Hun vindingrijkheid kent geen grenzen! In steden vindt men ze vooral broedend onder dakgoten, verlaten panden, muurnissen, een dichte muurbegroeiing (klimop enz.)... Daarbij moet er toch steeds ook wat groen in de omgeving aanwezig zijn: struiken, grasperk, enkele bomen, een rommelhoekje... Voedsel: plantaardig en dierlijk voedselafval van de menselijke samenleving. Ook onkruid- en graszaden, granen. In de zomer ook insecten, spinnen, kiemplantjes, blad- en bloemknoppen. Kleine en grotere sappige vruchten aan bomen en struiken.
de hop vogel
|
De hop (Upupa epops) is een vogel uit de familie hoppen (Upupidae), ook wel bekend als stinkhaan.
Kenmerken
De hop is gemakkelijk te herkennen aan zijn roodbruine verenpak met een lange zwart gepunte opzetbare kuif. Een opvallende eigenschap is de uitgesproken stank die het dier verspreidt omdat enerzijds het nest nooit wordt schoongemaakt (afvalvoedsel en mest blijven achter) en anderzijds omdat het vrouwtje een klier heeft aan de basis van haar staart, die tijdens de broedtijd een zware stank verspreidt. De hop is een insectenetende weidevogel.

Verspreiding
In Nederland is hij een zeldzame doortrekker die er een enkele keer ook wel broedt. In België wordt broeden ook sporadisch gesignaleerd. Hij komt ook in Afrika en Azië voor.
Algemene informatie
| De hop is een vogel van open tot halfopen, liefst droge terreinen, die broedt in boomholtes, rotsen en oude gebouwen. Het voedsel bestaat vooral uit grote insekten als meikevers en veenmollen. Het zijn zomervogels die de winter doorbrengen in tropisch Afrika. Hoppen zijn onmiskenbare vogels. De vlinderachtige, dwarrelende vlucht trekt onmiddelijk de aandacht en de gebandeerde, ronde vleugels zijn met geen andere vogelsoort te verwarren. Het meerst bizarre aan de hop is nog wel de prachtige kuif, die de vogel op kan zetten. Deze kuif heeft een sociale betekenis; er worden allerlei emoties mee gecomminiceerd. |
Status:
Doortrekker. Onregelmatige broedvogel / als broedvogel uit Nederland verdwenen
Trek/stand/winter:
Doortrekker en zomergast
Trend en aantal:
In de middeleeuwen was de hop waarschijnlijk een verspreide broedvogel in ons land. Tegen het eind van de negentiende eeuw was de soort zeldzaam geworden, al werd nog wel in de meeste provincies gebroed. Na 1900 heeft de afname zich, op wat oprispingen na, doorgezet. Sinds de jaren zestig broedt de hop nog slechts incidenteel in ons land.
Foerageer- en broedbiotoop:
Open bossen tot grassteppen en woestijnachtige omgevingen. Hoppen zoeken vooralnaar grotere insecten, welke ze met hun relatief lange snavel tussen stenen en in kieren in bomen en rotsen zoeken.

|
|


































