Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
akke.beakke.be

Woordenlijst Nr 39: Vergelijken met iets anders

Aaltoopu: allemaal samen
Agturloop: moeite
Agturmukoör: na elkaar
Alumalu: allemaal
Bagtn du kasu guvoln: achter de kas gevallen
Beetur: beter

Beeturn: beteren
Biekaäns: bijna
Boovnzigtu: bovenzicht
Bridur: breder
Digtur: dichter
Doöbuutn: daarbuiten
Doöneevns: daarnaast
Doöragtru: daarachter
Doörin: daarin
Doöruut: daaruit
Doöteegn: daartegen
Doötusjhn: daartussen
Doövoörn: daarvoor

Dragtur: erachter
Drin: erin
Droendur: eronder
Drof: eraf
Droovur: erover
Drop: erop
Durboovn: erboven
Durnefu(n)s: ernaast
Durteegn: ertegen
Durtusjhn: ertussen
Durvooörn: ervoor
Eevungoeët: evengoed
Efnan: de één na de ander, het ene na het andere
Eëkovraaäns: elk op zijn beurt
Gin kloötun weërt: niets waard
Got sjho weeru komn? Vurzeekurs we!: Zal het mooi weer worden? Waarschijnlijk wel!
Gumakulik: gemakkelijk
Gliekug: gelijk
Grodur: groter
Groöt: graad
Guwentu: gewoonte
Ieërboovn: hierboven
Ieërnefuns: hiernaast
Ieëroendur: hieronder
Inuwoörs: naar binnen (van de straat weg)
Kart agtur du tweeën: kwart na twee
Kiefkief: gelijk, elk 50%
Klindur: kleiner
Koentukraafs: averechts
Kortur: korter
Langur: langer
Latstu: laatste
Leeëgur: lager
Lik van guwentu: zoals gewoonlijk
Meeër: meer
Meeërdureit: meerderheid
Meeërdurweërdu: meerderwaardig
Mindur: minder
Mindureit: minderheid
Mindurweërdug: minderwaardig
Moejlik: moeilijk
Moejluk: moeilijk
Nieëmundalu: niets
Novunant: volgens wat er gaat komen
Oendursjheit: onderscheid
Oendurstu: onderste
Oeënguliek: ongelijk
Omugudroöjt: omgedraaid
Omugukeeërt: omgekeerd
Oogur: hoger
Paroöduperutju: paradepaardje, het beste waarmee men kan pronken
Rijzu met: op gelijke hoogte van
Sligtur: slechter
Smalur: smaller
Stiksju: stukje
Suurtoe: vooral
Tseëfstu: hetzelfde
Tugliek: tegelijkertijd
Tureeku: achter elkaar
Tusjhn: tussen
Tweësdeuru: dwars doorheen
U sjheetu in u netzak: een storm in een glas water, een kleinigheid
Upkiekn: opkijken
Upziets: opzij
Vaaänsglieku: evenzeer
Van tieënu neegun: hoogstwaarschijnlijk
Veruut: veruit (de beste)
Vurbeetriengu: verbetering
Vurbie: voorbij
Vureuvurn: promoveren
Vurgliekiengu: vergelijking
Vurgliekn: vergelijken
Vurklinduriengu: verkleining
Vurklindurn: verkleinen
Vurklindurt: verkleind
Vurminduriengu: vermindering
Vuroogiengu: verhoging
Vurslapiengu: verslapping
Vursligtiengu: verslechting
Vurwiezn: verwijzen

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Woordenlijst Nr 38 Vragen en uitdrukkingen in dialogen Ja of Neen antwoorden in allerlei vormen

Agliek: toch
Aligowzeg: ’t is toch niet waar, hé

Alusiïns: in elk geval, ,alleszins
Amaj mu botn: amai, mijn knoken of benen
Apropoo: terloops gezegd
Bakndoeënieë: maar neen gij, dat doe ik niet
Bejaak gie: natuurlijk vind ik dat, doe ik dat
Benink: maar neen, ik niet
Benink gie: wat zeg jij nu, maar neen, ik niet
Betoeënieë: toch niet
Biena is veru vaän Sjiena: met 'bijna' ben jur niet
Da ku mu nie sjhiln: dat kan mij niet schelen
Da ku nie zien: dat kan niet
Da ku nie: dat kan niet
Da ku we zien: dat kan wel zijn
Da ku zien: dat kan zijn
Da kut: dat kan
Da doet nieët in: dat is gemakkelijk
Da ligt utwoösjun up mu zoldru of u twoörstn eldurs: dat ligt ergens op mijn zolder of ergens elders
Da niejee!: dat niet, hé!
Da toetur nie toe: dat geeft niet
Da werkt up mu zilmus: dat werkt op mijn znuwen
Dadis gin spek voe joen bek: dat is te hoog gegrepen voor jou
Dadis tjoenu: dat is van jou
Dadis va joen: dat is van jou
Dadis va mien: dat is van mij
Dadis va nundur: dat is van hen
Dadis va nuus: dat is van ons
Doe mo ju bestn: doe maar wat je kan
Doet dadu uki zeëvu: doe dat eens zelf (in plaats van iemand anders lastig te vallen)
Doödeuru: daardoor
Doömee: daarmee
Doörum: daarom
E kejal in gin eeëwu mi guzieën: en het is al een eeuw geleden dat ik je nog zag
E mo toeët gie: maar ja toch, gij
E we mirsie: bedankt, hoor!!
E worom dadu?: en waarom moet dat?
E worom nie(ë): en waarom niet
E wovooörn moeta dieën?: en waarvoor moet dat dienen?
Eëk weeërt em: iedereen doet zijn best
Eëk zu goestu: elk zijn goesting
Eëptuki: help eens
Esuzieda guzeit?: heeft zij dat gezegd?
Etnieda guzeit?: heeft hij dat gezegd?
Gartuki of gartjuki: ga eens uit de weg
Gie ziet u goejn: ji ben er mij één
Gloovu gie da?: geloof jij dat?
Gloovu gie da nie? Nink wi!: gelooft gij dan niet? Neen, hoor!
Go mu ki wedn da: willen we eens wedden dat
Godu kiruut du kant: ga eens uit de weg
Goeëtkomutuut utwa zegn: lukraak iets zeggen
Goj gie datoeën of ik(ke)?: doet gij dat of ik?
Goj u bitju zaagn joöju: ga je misschien een beetje zagen         
Gojmee: gaat ge mee
Got magt weetn: enkel God weet dat
Gotgoönjoöt: zal het gaan, ja
Guntur of ier?: ginder of hier?
Ik en u ki: ik heb eens
Is da woö?: bejoöt gie    is dat waar?: maar ja, gij
Is dadeur gelt, of tzienu, of tjoenu of tmienu: is dat haar geld, of het zijne, of het uwe of het mijne
Jaak: Ja ik
Jaam: ja wij
Jakundoeënie: nee, dat doe ik niet
Jatoeët: toch wel
Jatundoeët: toch niet
Jedoeëngliek: je hebt ongelijk
Jegliek: je hebt gelijk
Jet doö zeekr nie langu gubleevn: je bent daar zeker niet lang gebleven
Joög: ja gij
Joön: ja hij
Joöns: ja zij (mv)
Joös: ja zij
Ju guneërn: je amuseren
Ju ku nie misn: je kunt niets verkeerd doen
Ju meug gie da nie zegn, ju wit gie da nie: jij mag dat niet zeggen, jij weet dat niet
Ju meugtur preus op zien: je mag er fier op zijn
Ju moe ju muuloedn: je moet zwijgen
Ju stoöt in du weg: je staat in de weg
Ju wit noois: je kunt nooit weten
Juziegiezeekurzot: jij bent zeker zot
Juzieëtdavanieër: dat denk je wel
Kaan da nie gupeist: dat had ik niet gedacht
Kaan ju nie verkent: ik had je niet herkend
Ken da nieëvraans guvoeng: ik heb dat nergens gevonden
Kenik da mor apoef guzijt: ik heb dat zo maar gezegd
Kent get: ik heb het gehad
Kgloovn dank goön sjaansen: ik denk dat ik geluk zal hebben
Kgon ukir utwa zegn: ik zal eens iets zeggen
Kgont u ki toogn: ik zal het eens laten zien
Kiektuki: kijk eens    => No wadu? Naar wat?
Kontroörju: in tegendeel
Kpeizn van nie: ik denk het niet
Kuj gie da(du): kunt gij dat
Kwitzoendur: ik vraag me af
Kzien doö nie grust in: ik ben daar niet gerust in
Kzien tuus: ik ben thuis
Kzijn teegn em/eur: ik zei tegen hem/haar
Lat mo gletsn: laat maar glijden/gaan
Let morup: let maar op
Let up wienu daj zegt: let op wat je zegt
Luusturdu kirieër: luister eens
Mag ju gie da(du) -> nink, kmeugn da nie: Lust jij dat -> Neen, ik lust dat niet
Mag ju gie da? -> Jaak, keetn da geërn: Lust jij dat? -> Jaak, keetn da geërn
Mak ju nie vuul: maak je niet vuil
Makt daj weg ziet: ga maar vlug weg
Meedoeën voe spek en booön: zonder veel verwachtingen
Mein ju dadu?: je meent dat toch zeker niet?
Meugjugieda?: lust je dat?
Misan ut nie?: geeft het niet?
Mo bejoöt: toch wel, maar ja
Mo benint: maar neen, toch
Mo gie nie wi veugul: maar jij niet hoor, vogel
Mo gow zeg: maar komaan
Mo meëns tog: maar mens toch
Moe jiïn teegn ju muulu en: wil je dat ik op je muil sla
Moraligie: maar allez gij
Mu zien vors: we gaan weg
Mukoör: elkaar
Muzieëlugots: waarempel
Nateurluk: natuurlijk
Neeëg: neen gij
Neeën: neen hij
Ne, wieën da mu doör en: na, wie we daar hebben
Nie woöru dank nie moögun ee: ware het niet dat ik niet mag
Niïns: neen zij
Niju: neen, gij niet
Nink: neen, ik niet
Nis bluuvn plakn: hij is blijven hangen op café
Nooöit van zu leevn: nooit van zijn leven
Ochotuneeëru: och god de heer
Oedu u ki ju muulu: houd eens je mond
Oeë goöt ut me ju: hoe gaat het met je?      E me joen?: en met jou  Sava, dat gaat    Ot u bitju goöt: als het een beetje gaat
Oeëda? of Oëedadu?: hoe
Oedoejda: hoe doe je dat
Oedjan tgas: hou je vast/kloek
Oewu doej gie dadu: hoe doet gij dat
Oewu kata zien: hoe kan dat nu
Oewu zoeta komn: hoe zou dat komen?
Oeweeëtugie: hoe heet jij
Oewist meju: hoe gaat het met je    => goeët e mejoen?: goed en met jou
                                                        => goeët, maagur en toöj en geërn in du droöj
Oju gie da beetur wit: als gij dat beter weet
Oj gie peist dangkik: als jij denkt dat ik
Oju: als je
Ojmoginambrazet: als je maar geen moeilijkheden krijgt
Ojmogindustet: als je maar geen dorst hebt
Ojmoginmoejtet: als je maar geen moeite hebt
Ojmogoestet: als je maar goesting hebt
Ojmoleutet: als je maar plezier hebt
Ojmoroppast: als je maar oplet
Ojmoroptietrustet: als je maar op tijd rust
Ojmosjaaänset: als je maar geluk hebt
Ojtmowit: als je het maar weet
Omu wiedur da kun: als wij dat kunnen
Onkut goeët vooörn en: als ik het bij het rechte eind heb
Onzu ziedur da nie weetn: als zij dat niet weten
Ortu kirieër: luister hier eens
Ot da nie stom is: als dat niet dom is
Otmogoeëdis: als het maar goed is
Otmojuustis: als het maar juist is
Otmowoöris: als het maar waar is
Otn ie da zegt: als hij dat zegt
Pas op of keën ju vastu: pas op of ik geef je ervan langs
Pijsju gie dadu: denk jij dat
Pijsju giedur musjhieën: denken jullie misschien
Purtanks du woöreit: nochtans de waarheid
Sava: gaat het? Ça va?     Ot u bitju goöt!: als het een beetje gaat
Sjheur ju klootn: trap het af
Sjheur ju puustu: ga weg
Sjhuuft ukirup: schuif eens op
Stikt dadu ki weg: steek dat eens weg
Stopt uki me zaagun: houd eens op met zagen
Tgo nog nie zien: natuurlijk is het zo
Tienktmien da: me dunkt, ik denk dat
Tis a joen: het is jouw beurt
Tis a jundur: het is jullie beurt
Tis anem: het is zijn beurt
Tis aneur: het is haar beurt
Tis a nundur: het is hun beurt
Tis a nuus: het is onze beurt
Tis aal gin oör snieën: het is niet allemaal gemakkelijk
Tis agliek woö: het is toch waar
Tis giïn vetn: het is niet veel soeps
Tis ieëvraans roent Gent: het is ergens rond Gent
Tis lik of dankutik zegn: het is zoals ik het zeg
Tis meugluk: het is mogelijk
Tis mo dajt wit: opdat je het zou weten
Tis mor u weetu: je moet het maar weten
Tis nie aleeënu em: hij is het niet alleen
Tis purtangs/purtank woö: het is nochtans waar
Tis spietug: ’t is spijtig
Tis tjoenu: het is van jou
Tis undur gudagt teegn tuuzu: het is hun gedacht tegen het onze
Tis voe van omveru tu voln: zo verrast dat je ervan omver zou kunnen vallen
Tis weëlbustit: zoveel te beter, hij of zij heeft het zelf gezocht
Tis zoveru: het is zover
Tku beetur: het kan beter
Toetnoöstu ki: tot de volgende keer
Toetoeët: toch wel
Togt mien da: me dunkt, ik dacht dat
Toogn: tonen
Toogt dadukirieër: toon dat eens
Tspek a ju beeën en: problemen hebben
Tu woöru da: tenware dat
Va woör aalu gie da: waar hebt gij dat gehoord of gezien
Vaanzuneigun: vanzelfsprekend
Vala zi: ziedaar
Vaneiguns dadu: natuurlijk
Vantieënuneegn: negen keer op de tien
Vieng ju gie da nie: vind jij dat niet
Voeël juju nie goeët musjhieën: voel je je niet goed misschien?
Vurgit da mo: vergeet dat maar
Voewa of voewadu: waarom
Vurtelt da mo nie vors: vertel dat maar niet verder
Wadeju gie gufoeëlt oju da zag?: Nieëtunt!: Wat heb jij gevoeld toen je dat zag? Niets!
Wadeju gie gukogt? Niemundalu!: Wat heb jij gekocht? Niets!
Wa distur meju: scheelt er iets met je?
Wa moe jen: wat wil je
Wa peis ju gie dovan?: wat denk jij daarvan?
Wa stiku gie doö weg: wat verberg jij daar
Wa zeg ju?: Kuurjeusneuzen en vraagsteërtun: wat zeg je? kurieusneuzen en vraagstaarten
Wadej gie doö guroopn? Iku? Nieëtunt!: wat riep jij daar? Ik? Niets!
Watoej vandaagu? : wat doe je vandaag      Ijguntlik nieks: eigentlijk niets
Wa ziejantdoeën: wat ben je aan het doen
Wasoeënzu: wat zouden ze
Wasoek: wat zou ik
Wasoemu: wat zouden wij
Wasoetn: wat zou hij
Wat daj nu zegt: wat je nu zegt
Watoejgienu: wat doe jij nou
Wieën etur da meegubrogt?: wie heeft er dat meegebracht?
Wieën etur joen da guzijt of guvraagt: wie heeft er jou dat gezegd of gevraagd
Wieën zegtda: wie zegt dat
Wienu ej gie guzijt? Iku, nieëtunt!
Wienu zeg ju: wat zeg je
Wienu zegn zu?: wat zeggen ze?
Wienu zegtn: wat zegt hij
Wienu ziejantoeën te?: wat ben je aan het doen
Wienuzoenk: wat zou ik
Wil ju ki goön, joöju: wil je eens maken dat je weg komt, ja
Wodeuru komt da?: waardoor komt dat?
Womee kunk jeëpn?: waarmee kan ik je helpen?
Woö goj nortoe?: Waar ga je heen?     Nowurs: nergens
Woör ej gie da gaalt?: waar heb jij dat gehaald?
Woöristnoörtoeë: waar is hij naartoe?
Woöriszunoörtoeë: waar is zij naartoe?
Woörom vraag ju dadu? Waarom vraag je dat?    Azoomo: zo maar
Woözieënzunoörtoeë: waar zijn zij naartoe?
Wovooörn ejda nooödug?: waarvoor heb je dat nodig?
Woweunjugie: waar woont gij
Zeg ut em/eur mo: zeg het hem/haar maar
Zegduki: zeg eens
Ziej gie doör utwa mee?: kan dat nuttig zijn voor jou?
Zoej da gloovn: zou je dat geloven
Zoendur fowtu: zonder fout
Zoet da woö zien?: zou dat waar zijn?
Zot zien doe gin zeeër: zot zijn doet geen pijn

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 37 Vervoeging van werkwoorden

Hulpwerkwoorden (hulp bij het hoofdwerkwoord)

Blijven
Mu bluuvn guloovn: we blijven geloven
Nu/Zu bluuft ie/zie mo babuln: Hij/Zij blijft maar babbelen

Doen
Gudoön: gedaan

Je gie da gudoön: jij hebt dat gedaan
Kdijn: ik deed
Mu gon da nie doeën: we zullen dat niet doen
Nu deidie: hij deed
Zu deiszie: zij deed

Hebben
Eënzu of Eënzu ziedur: hebben ze
Eju: heb je
Ejundur: hebben jullie
Emu wiedur: hebben wij
En: hebben
Enkik of Enkiku: heb ik
Eënzuziedur: hebben zij
Emu: hebben we
Esu: heeft ze
Etn: heeft hij
Get: gehad
Jetrasan: je hebt er altijd
Ken da guzeit: ik heb dat gezegd
Kent get: ik heb het gehad
Meën wiedur: wij hebben
Net: hij heeft
Wemu wiedur: wij hebben
Wen da guzieën: wij hebben dat gezien
Zeën ziedur: zij hebben
Zet: zij heeft

Kunnen
Kuj gie of Kuju: kan je
Kuj gie da(du): kan jij dat
Kostun: ik kon
Kumuwiedur: kunnen wij
Kutnie daaänsun: kan hij dansen
Kuünzuziedur: kunnen zij
Kusuzie zieng: kan zij zingen?
Mu kostn wiedur da zieën van veru: wij konden dat zien van ver
Nu kostie nie voögn: hij kon niet volgen
Zu kostu zie nie zwiegun: zij kon niet zwijgen

Laten
Loötn gubeurun: laten gebeuren
Nu/Zu lat ie/zie nie van smooörn: hij laat het roken niet

Mogen
Gumeugn: gemogen
Ju magta gloovn: je mag dat geloven
Kmeugn up rijzu goön: ik mag op reis gaan
Meugn: mogen
Meukut zegn: mag ik het zeggen
Mu meugn anneemn: we mogen aannemen
Nu mag meedoeën: hij mag meedoen
Zu meugn binkomn: ze mogen binnenkomen

Schijnen
Nu/Zu sjhient tu gloovn: Hij/zij schijnt te geloven

Willen
Mu wiln zo loötu nie eetn: we willen zo laat niet eten
Nu wilt nie gloovn: hij wil het niet geloven
Zu wiln nie upstoön: ze willen niet opstaan
Zu wilt nie wakur wordn: ze wil niet wakker worden

Zijn
Guwist: geweest
Istun: is hij
Kziendur: ik ben er
Muziendur: we zijn er
Nis: hij is
Nistur: hij is er
Tziendrasan: er zijn er altijd
Zieënzu: zijn ze
Zieju: ben je
Ziejundur: zijn jullie
Ziemu: zijn we
Ziemur: zijn we er
Zien: zijn
Zienkik: ben ik
Zis of Zis zie: zij is
Zistur: ze is er
Zuziendur: ze zijn er
Zu zien ziedur nie tuus: ze zijn niet thuis

Zullen
Ju go gie tog we komn ee?: jij gaat toch wel komen, hé?
Ksoenik weggoön: ik zou weggaan
Nu/Zu go weerukomn: hij/ze zal terugkeren
Nu godie win: hij zal winnen
Tgo noojt gunoeg zien: het zal nooit genoeg zijn
Wa gotur gubeurn: wat zal er gebeuren
Zu gon dur zien: ze zullen er zijn
Zu goön ziedur da butaaln: zij zullen dat betalen
Zu gosie lijdn: zij zal leiden
Zu zoesie bleëtn: zij zou wenen

 

Vervoeging van hoofdwerkwoorden    ‘horen’   ‘houden’ ‘vinden’  ‘zeggen’     ‘zien’    

Horen
Gooört: gehoord
Jooört: je hoort
Kooörn: ik hoor
Mooörn: we horen
Nooört: hij hoort

Ooörn: horen
Ooörn kik: hoor ik
Zooörn: ze horen 

Vinden
Da vienk goeët: dat vind ik goed
Guvoeng: gevonden
Viendn ziedur da tbestu?: vinden zij dat het beste?
Viengu gie dadu?: vind gij dat?Vient zu zie da goeët?: vind zij dat goed?
Vient zu zie dadu?: vind zij dat?
Vientnie da sligt?: vind hij dat slecht?

Zeggen
Guzeit: gezegd
Kseinik: ik zei
Zeinkik: zei ik
Zeisuzie: zei zij
Zeitnie: zei hij

Zien
Guzieën: gezien
Zieënkik: zie ik
Zieënmuwiedur: zien wij
Zieënzuziedur: zien zij
Zieësuzie: ziet zij
Zieëtnie: ziet hij

Andere
Droej: draaide

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 36 Voornamen van personen en Plaatsnamen

Personen

Ajis: Agnes
Arie: Henri
Ben: Benjamin
Bertn: Albert of Robert
Boetn: Boudewijn
Dies: Désiré
Doöf: Adolf
Dooör: Isidoor
Dree(tun): André
Endriek: Hendrik
Erman: Armand of Herman
Fienu: Adolphine of Josephine
Fikn: Victor
Firu: Ferdinand of Freddy
Flupu: Philippe of Filip
Foeëns: Alfons
Fretn: Alfred
Gastong: Gaston
Guustn: August
Jisju: Agnes
Koörul: Karel of Charles
Kries: Chris, Christiaan
Leena of Lijnie: Helena of Hélène
Lieëvu: Godelieve
Liezaa: Elisabeth of Eliza
Liks: Alexander
Long: Leon
Loru: Laurent
Lotu: Charlotte
Lowie: Louis of Lodewijk
Luusu: Lucien
Magrietu: Margareta, Margriet
Maaänsu: Emmerence of Florence
Marie of Mietu: Maria
Miel: Kamiel of Emiel
Miestn: Maurice of Maurits
Mirtn: Omer
Mong: Raymond
Neetn: René
Nitu: Antoinette
Pieër: Pierre of Petrus
Raf: Rafaël
Reinu: Irène
Riek: Hendrik
Roel: Raoul
Rolu: Roland
Satn: Charles
Serfien: Serafien
Siesn: Frans
Sjeëntn: Lucien
Sjoörul: Charles of Karel
Staf: Gustaaf, Octaaf
Stantn: Constant
Stef: Stefaan
Sting: Stijn
Suus: François
Tei(fiel): Theo(phile)
Teur: Arthur
Tij: Theofiel
Tjepn: Joseph of Jozef
Tjinu: Etienne
Tom: Thomas
Tooönu: Antoine of Antoon
Treezu: Marie-Thérèse of Thérèse
Turtn of Teur: Arthur
Vonu: Yvonne
Wartn: Edward
Wiestn: Aloïs
Wiezu: Louise of Marie-Louise
Zinubie: Zénobie
Zjeetn: Roger
Zjielu: Gilbert
Zjuultn: Jules

 

Plaatsen
Antzaamu: Handzame
Baaltju: Sin-Idebaldes
Bagtn du Kuupu: gebied tussen de IJzer, de kust en de Franse grens  
Beëst: Beerst
Bings (du): westende bad
Binustat: binnenstad
Blanknbergu: Blankenberge
Breeëniengu: Bredene
Bruslu: Brussel
Dunoönu: De Haan
Diksmuudu: Diksmuide
Doö: daar
Doöbie: daarbij
Du Panu: De Panne
Duungkerku: Duinkerke
Eeërnugem: Eernegem
Eist: Heist
Gistlu: Gistel
Guburtu: buurt
Ieëvuraaäns: ergens
Kleeën Westendu: Klein Westende
Knoku: Knokke
Koksiedu: Koksijde
Kookuloöru: Koekelare
Koöskerku: Kaaskerke
Krokodielu: Crocodile
Leeku: Leke
Lefiengu: Leffinge
Lombartsiedu of Lombardieë: Lombardsijde
Manutjusfeeru: Mannekensvere
Marjakerku: Mariakerke
Milukerku: Middelkerke
Niepooört: Nieuwpoort
Nowurs: nergens
Oedunburg: Oudenburg
Oödiengkerku: Adinkerke
Osduunkerku: Oostduinkerke
Ostendu: Oostende
Proviïnsju: provincie
Purviezju: Pervijze
Ramskapul: Ramskapelle
Ratuvolu: Rattevalle
Raavusiedu: Raversijde
Sintjoories: Sint-Joris
Sintpieëturskapelu: Sint-Pieterskapelle
Sjhooöru: Schore
Sjhorbaku: Schoorbakke
Sliepu: Slijpe
Snoöskerku: Snaaskerke
Spirmaalie: Spermalie
Steeënu: Stene
Toe tjundurs: bij jullie thuis
Toe tundurs: bij hen thuis
Toe tuuzunt; bij ons thuis
Toeroet: Torhout
Utwoösjhun: ergens
Vladjeeëlu: Vladslo
Wenduunu: Wenduine
Westeëns: westends
Westendu: Westende
Wilskerku: Wilskerke
Wolpijieë: Wallonië
Wuüpn: Wulpen
Woöbie: waarbij
Zarn: Zarren
Zeeëbrugu: Zeebrugge
Zuunkerku: Zuinkerke

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 35: Muziek Instrumenten Kunst Film Toneel Show

Aänsaamblu: gezelschap     Fr ensemble
Akordeejong: trekharmonica             Fr accordéon
Aktuür: acteur
Arpu: harp
Bandupneemur: bandopnemer
Banjo: banjoo
Baritong: bariton

Barokkuünstu: barokkunst
Batrieë: slagwerk                                   Fr  batterie
Beeltowur: beeldhouwer
Beeltowwerk: beeldhouwwerk
Bierolu: bijrol
Bijoört: beiaard
Blokfluutu: blokfluit
Bloöskapelu: blaaskapel
Bombardong: bombardon
Bugleidiengsmuuziek: begeleidingsmuziek
Daaänsmuuziek: dansmuziek
Deekoör: toneelomlijsting                Fr   décor
Dieskzjoki: diskjockey
Djoeboks: jukebox
Doeëdulzak: doedelzak
Dokuumentiïru: (niet) gespeelde film over ware gebeurtenissen    Fr documentaire
Drama: drama
Droöjorgul: draaiorgel
Fielmu: film
Fluutu: fluit
Garduroöbu: kleedkamer    Fr garderobe
Guzelsjhap: gezelschap
Gietaar: guitaar
Gietariest: guitaarspeler
Kastanjitn: castagnettes
Klarienetu: klarinet
Klaroeën: klaroen
Klugt: klucht
Koeliesu: beweegbaar toneelscherm         Fr coulisse
Komeedju: komedie
Kontrabas: kontrabas
Koönseër: muzikale voordracht                    Fr concert
Ksieloofoon: xylofoon
Kuünstsjhildur: kunstschilder
Loozju: schouwburgplaats      Fr loge
Luudur zetn: luider zetten
Mandolienu: mandoline
Marsjmuuziek: marsmuziek
Moentarmoonieka: mondharmonica
Moentmuuziek: mondharmonica
Muuziekfistieval: muziekfestival
Muuzieknootu: muzieknoot
Neurjun: neuriën
Ofspeeln: afspelen
Ofzetn: afzetten
Ooftrolu: hoofdrol
Ooörspel: hoorspel
Oopura: opera
Oopuretu: operette
Orgul: orgel
Orkest: orkest
Piejaanoo: piano
Pïrsonaazju: figuur                    Fr personnage
Potpoerie: potpourri
Prumjiïru: eerste opvoering   Fr première
Reezjiesuür: toneelmeester, filmleider      Fr   régisseur
Riputiesju: herhaling, oefening    Fr répétition
Rufring: refrein
Saksofong: saxofoon
Siemfonie: strijkconcert           Fr  symphonie
Sienuma: cinema
Sjhildurieë: schilderij
Sjhuufletu: fluit
Sjhuuftrompetu: schuiftrompet
Sjow: show
Soefluür: souffleur
Sopraan: sopraan
Stiksju speeln (in u): toneel spelen
Stildur zetn: stiller zetn
Teenoör: tenor
Toneeël: toneel
Toneeël speeln: toneel speeln
Toneeëlsjhoolu: toneelschool
Toneeëlsjhrievur: toneelschrijver
Toneeëlstik: toneelstuk
Trageedie: treurspel    Fr tragédie
Trekorgul: accordeon
Trekzak: accordeon
Triejangul: triangel
Tromul: trommel
Tromuln: trommelen
Trompetu: trompet
Upvoeëriengu: opvoering
Viedjo-iïnstaloösju: video-installatie
Viedjoteeku: videotheek
Viejoolsnoöru: vioolsnaar
Viejoolu: viool
Virniesaazju: opening van een kunsttentoonstelling    Fr vernissage
Vols zieng: vals zingen
Vooörsteliengu: voorstelling
Vriekartju: vrijkaartje
Vurtoökiengu: vertolking
Vurtooöniengu: vertoning
Zanglesu: zangles
Zangur
Zanguresu: zangeres
Zieng: zingen
Zoomurkoönseër: zomerconcert

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 18:21 Reageer op dit bericht

Enkele moppen op zijn Westends

Alles is weer in orde gekomen. Bertn is bekomen van de mokerslag op 14 oktober 2018 en hij gaat weer samen met zijn vriend Juultn een pintje drinken. Er is weinig nieuws, vooral omdat de politieke gesprekken zoveel mogelijk vermeden worden. Er is enkel het verdwijnen van de tram die op 16 mei 2019 voor het laatst hun geliefd dorp aandeed. Maar dat is geen mop! Ziehier drie Westendse moppen:

Biekan oendurtjoör
Up tendu van du mesu vraagt du pastur:
“Oeveelu van jundur endur undur vijandn vurgifunisu gusjhoenkn?”
Tachuntug pursent stikt zu nant up.
De pastur driengt an.
“Oeveelu van jundur endur undur vijandn vurgifunisu gusjhoenkn?”
Iedreeën stikt zu nant up uutgunoomn u noet vintju up deeërstu reeku.
Du pastur vraagt em worom datn zu vijandn nie vurgift.
Worop dadut kroönug manutju antwooört: “Ken ik gin vijandn”
Du pastur gulooft zu nooörn nie en vraagt ‘oewoet ziej gie?’
“Kzien ik 99 joör en eëf moöndn”
Al du kerkgangurs klakn in undru andn en wensjhun em profiesjat.
Mo du pastur zet deuru:
“Da kan tog gin woö zien, zowoet en egt gin vijandn?
”Worop du griezoört met u lagsju roent zu moent, antwooört: “Zu zien alumalu dooöt”

Vertaling: Bijna honderd jaar oud
Aan het eind van de mis vraagt de priester:

"Hoeveel van jullie hebben hun vijanden vergiffenis geschonken ?"
80 % steekt een hand op.
De priester herhaalt zijn vraag met aandrang :
"Hoeveel van jullie hebben hun vijanden vergiffenis geschonken ?"
Iedereen steekt een hand op, behalve een oud mannetje op de eerste rij.
De priester vraagt hem waarom hij zijn vijanden niet vergeeft.
Waarop het kranig kereltje antwoordt : "Ik heb geen vijanden".
De priester gelooft zijn oren niet en vraagt ‘hoe oud ben jij?
"Ik ben 99 jaar en 11 maand".
Alle kerkgangers klappen in hun handen en prevelen "Proficiat".
Maar de priester zet door:
"Dat kan toch niet waar zijn, zo oud en echt GEEN vijanden ?"
Waarop de grijsaard met een glimlach om de mond antwoordt: "Ze zijn allemaal dood !"

Rieku en fieër
U rieku en stief deftug uutzieëndu madam komt bie du dokteur. Zaa naamuluk gustookn guwist deur u wespu.
Dokteur: ‘Woö juustu e ju gustookn guwist, madam?’
Madam:  ‘Oo, doktur, da kanukik joen nie zegn want kzien dur veel tu busjhaamt oovur.’
Dokteur: ‘Mo madam, kmoeëtn da wel weetn ee, andurs kunkju nie eëpn’
Madam: ‘Neeën doktur, ot ur dadeeën meëns moestu weetn, wordunk uutgulachun en kzoen mu dooöd sjhaamn.”
Dokteur: ‘Luusturt u ki, madam, ken ik u zwiegpligt en kgon ik egt teegn nieëmant zegn woö daju gustookn ziet’
Madam: Oke tonu, … twas onk uut du naldi kwaamn

Vertaling: Rijk en Fier
Een rijke zeer deftig uitziende madam komt bij de dokter. Ze werd namelijk gestoken door een wesp.

Dokter: "Waar juist bent u gestoken mevrouw?"
Vrouw: "Oh dokter, dat kan ik u niet zeggen, want ik ben er veel te beschaamd voor."
Dokter: "Maar mevrouw, ik moet het toch echt weten hoor, anders kan ik u niet helpen."
Vrouw: "Nee dokter, moest er dat één mens weten, dan word ik uitgelachen en ik zou me doodschamen.
Dokter: "Luister eens mevrouw, ik heb een geheimhoudingsplicht, dus zal ik echt tegen niemand zeggen waar u gestoken
               bent."

Vrouw: "Oke dan, ... het was bij het verlaten van de Aldi.

 

Ju kient u naamu geevn
U vint wilt zu pasguboorn derdu zeunu insjhrievun bie du buvoegdu dieënstn vaan uuzu weunplatsu.
Du namtunoöru vraagt em oewu da zu kient got eeëtn.
“Euro” zegt du vint.

Du namtunoöru pakt zu grooöt boek met du toeguloötn naamun. ‘Tspiet mu, muneëru, zegtn, mo ‘Euro’ kunk nie aaänveërdun.
Doörup zegt du voödur: “Worom nie? Dadis straf. Bie mu neeërstu zeunu Mark en bie mu twidu zeunu Frank, woörun dur we gin probleemn…”   

Vertaling: Jouw kind een naam geven
Een man komt zijn pasgeboren derde zoon inschrijven bij de bevoegde diensten van onze woonplaats. De ambtenaar vraagt hem hoe zijn kind zal heten. "Euro", zegt de man. De ambtenaar neemt zijn groot boek met de aanvaardbare namen. "Het spijt me meneer", zegt hij, "maar Euro kan ik niet aanvaarden." Waarop de vader antwoordt: "Waarom niet?Dat is straf. Bij mijn eerste zoon Mark en mijn tweede zoon Frank, waren er wel geen problemen..."

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 34 Houdingen fysisch en karakterieel

Aaänveërdunt: aanvaardend
Agtroovurvoln: achterovervallen
Anoedun(t): volhouden(d)
Art zien: hard zijn
Boös maakn: baas spelen
Boösmaakur: iemand die die zich opdringt als baas
Brosun: spijbelen
Bukn: bukken of koppig zijn
Buslisunt: beslissend
Buugiengu: buiging
Dankboörijt: dankbaarheid
Deurubuugn: doorbuigen 
Du bendu vaan smeërup: bende van gemene mensen
Du grooötn ofgeevn: zich hoogmoedig gedragen
Du grooötn uutang: de grote Jan uithangen
Eeërbieëdug: eerbiedig
Eetiekitu: etikette
Eevunwigtu: evenwicht
Fliksieëbul: flexibel
Frikln: onrustig bewegen
Gasreert: stoutmoedig      Fr assuré
Grots: hoogmoedig
Gudroeng: gedrongen
Guslootn: gesloten
Guvoln: gevallen
In plang loötn: in steek laten
Ju booöntjus drop te weeëkn legn: erop rekenen
Ju mindurweërdug voeln: je minderwaardig voelen
Ju regtoedn: je rechthouden
Ju rik regtun: je rug rechten
Ju va nieks antrekn: je nergens van aantrekken
Karotrekurieë: plantrekkerij
Kloör voe teëpn: klaarstaan om te helpen
Knieëln: knielen
Koentukraafs: juist omgekeerd
Kraafs: averechts
Kruupn: kruipen
Kstoengdoö: ik stond daar
Me zu klaku durnoö smietn: met zijn pet ernaar gooien, niet zijn uiterste best doen
Me zu pies in du wient: dikke nek
Meewerkunt: meewerkend
Mildu: mild, genereus
Mukn: koppig in een hoekje zitten en op niets willen reageren
Muulupeëru: valpartij
Ne gin klop gudoön: hij heeft niet gedaan, hij is nalatig of lui geweest
Needurug: nederig
Neeruligun: neerliggen
Nie gintriseert: niet geïnteresseerd
Nie zinduluk zien: niet kieskeurig zijn
Nu of zu stoentdoö: hij of zij stond daar
Oenafankuluk: onafhankelijk
Oenandug: onhandig
Oendurstuboovn: onderste boven
Oetjantgas: zet je schrap

Omuvoln: omvallen
Omoogoedn: omhooghouden
Oopn: open, bereid om te luisteren
Oörminoörmu: gearmd
Optiemiesmu: optimisme
Ovrendu: overeind
Pisiemiesmu: pessimisme
Plat up ju buuk: plat op je buik
Poerun: gebaren, doen alsof
Preus lik veeërtug: zeer fier
Reejaliesties: realistisch
Regtoedn: rechthouden
Regtukruupn: rechtkruipen
Regtustoön: rechtstaan
Riesjhieërn: riskeren
Sarkasmu: sarcasme
Sarkast; sarcast
Sjhaveiln: regelen, in orde brengen
Sjheërulduwiet: wijd opengespreid, schrijlings
Slabakn: iets traag uitvoeren, uitstellen
Smeërlapurieë: smeerlapperij
Steërling kiekn: strak kijken
Stief: stijf
Stilulign: stilliggen
Stilustoön: stilstaan
Stoön: staan
Struukuln: struikelen
Stuupn: bukken
Tis va wiln en kunieë: willen maar niet kunnen
Toegeevun an utwieën: toegeven aan iemand
Truntun: aarzelen
Tuumuletu: tuimeling
U neegatievu oediengu: een negatieve houding
U neutraalu oediengu: een neutrale houding
U posietievu oediengu: een positieve houding
U tuksju doeën: een tukje doen
Up ju buuk ligun: op je buik liggen
Up ju/zu gat zitn: op je achterste zitten
Up ju/zu kop stoön: op je hoofd staan
Up ju/zu nan stoön: handenstand
Up ju/zu nuk zitn: gehurkt zitten
Up ju/zu rik lign: op je rug liggen
Up ju weeroedn zien: je niet laten verrassen
Up ju/zu ziedu lign: op je zij liggen
Vantweëstun: dwars
Vastbuslootn: vastbesloten
Veelu tralala maakun: veel spel maken
Vijandug: vijandig
Vorzigtug: voorzichtig
Vrieënduluk zien: vriendelijk zijn
Vul vurtrown: vol vertrouwen
Vuloedn: volhouden
Vurantwooörduluk: verantwoordelijk
Vurdraagzaam; verdraagzaam
Vurtrown: vertrouwen
Voln: vallen
Vroenk: wrong
Zjaloezieë: jaloersheid

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 33: Water en vuur, vliegen, sporen, wegen, fiets

Water
Ankur: anker
Ankur (t) uutsmietn: het anker uitgooien
Bakbooört: bakboord
Bareeëlu: bareel, spoorwegoverweg
Basing: waterbekken    Fr bassin
Bediengu: bedding
Benu vis: mand vis
Binvoörn: binnenvaren (in de haven)
Blusjhn: blussen
Boovn woötur komn: boven water komen, tevoorschijn komen
Brandoet: brandhout
Brantsjhaa: brandschade
Brantstigtiengu: brandstichting
Brantvrie: brandvrij
Brantvurzeekriengu: brandverzekering
Brugu: brug
Bumaniengu: bemanning (van schip)
Buspujtn: bespuiten
Buutnbooörtmotuür: buitenboordmotor
Buuzu van u vieloo: buis van een (mannen)fiets
Buvloejiengu: bevloeing
Buvogtugiengu: bevochtiging
Da folt int woötur: dat valt in het water, dat mislukt
Dek: dek (van een schip)
Distakoödun: staketsel
Doom: damp
Drievun: drijven
Du kastanjus uut vieër aaln: de kastanjes uit het vuur halen, gevaarlijke toestand oplossen
Du kruuku go zo langu tu woötur toeta zu bast: de kruik gaat zo lang te water tot ze barst, bij verdere risico’s gaat het ooit wel mis
Eeët woötur: heet water
Eërdu: aarde
Eluvieër: hellevuur
Gin rook zoendur vieër: geen rook zonder vuur
Golvn: golven
Goözuvieër: gasvuur
In brandu sjhieëtn: vuur vatten
In brandu stoön: in brand staan
Kampvieër: kampvuur
Kanongusjhut: kanonvuur
Koet woötur: koud water
Kooltju vier: stuk brandende kool
Koturn: rakelen (in een vuur)
Leeëgwoötur: laagwater
Leevn lik u vis in twoötur: leven als een vis in het water, onbezorgd leven
Lik u paalu boovn twoötur stoön: als een paal boven water staan, niet aan twijfel onderhevig
Low woötur: lauw water
Maalboot: mailboot
Me vieër speeln: met vuur spelen, gevaarlijk spel, risico’s nemen
Moendiengu: monding (van een rivier)
Oendurgoön: ondergaan (in water)
Oentplofiengu: ontploffing
Oetvieër: houtvuur
Ofvloejn: afvloeien
Ofvoeërn: afvoeren
Oogwoötur: hoog water
Oolie up tvieër gieëtn: olie op het vuur gieten, verergeren, ophitsen
Oörtvieër: haardvuur
Oovurstroomiengu: overstroming
Up mukoör guliekun lik twi drupuls woötur: op elkaar gelijken als twee druppels water
Reegnwoötru: regenwater
Reeliengu: reling
Sasun: sassen
Sietukaru: motor met zijspan       Eng: sidecar
Sjhipvoört: scheepvaart
Sjhoepurn: licht verbranden
Slipbooöt: sleepboot
Sluuzn: sluizen
Sluuzu: sluis
Spervieër: spervuur
Stilu woöturs, dieëpu groendn: stille waters, diepe gronden
Stoöntje va ju vieloo: inrichting vooraan of achteraan om bagage of kind te vervoeren
Stroojviertju: een strovuurtje
Stroomiengu: stroming
Stuurbooört of stieërbooört: stuurboord
Tooft boovn twoötur oedun: het hoofd boven water houden, financieel juist rondkomen
Troebul woöter: troebel, onzuiver water
Tvieër an du sjheen legn: het vuur aan de schenen leggen, onder druk zetten
Tvieër veust nog: het vuur smeult nog
Twarm woötur eruutvieng: het warm water heruitvinden, iets wat al langer bestaat voorstellen   als origineel
Twoötur komt an du lipn: het water komt aan de lippen, er bestaat groot gevaar
Twoötur lopt altiet no du zeeë: het water loopt altijd naar de zee, zij die al het meeste hebben krijgen nog het meeste
U doovunt viertju: een dovend vuurtje
U loopnt viertju: een lopend vuurtje, snel verspreidend nieuws
U steeku oendur woötur geevn: een steek onder water geven
U stormu in u glas woötur: een storm in een glas water, je druk maken om niets
Uutmoendn: uitmonden
Vaaguvieër: vagevuur
Varutju: vaart
Vieër: vuur
Viertju stookn: vuurtje stoken, ophitsen
Vievur: vijver
Visjhursaavn: vissershaven
Vispersu: vispers
Visvievur: visvijver
Vlamu: vlam
Vloeët: vloed
Vloeiboör: vloeibaar
Vloeistofu: vloeistof
Voenku: vonk
Voörn: varen
Voört: vaart
Vreugduvieër: vreugdevuur
Vurbievoörn: voorbijvaren
Vurbran: verbranden
Vurdrienkn: verdrinken
Vurdroenkn: verdronken
Vursjhoepurn: verschroeien
Vursmooörn: verdrinken
Vurzuupn: verdrinken
Warm woötur: warm water
Woö datur rook is, istur vieër: waar er rook is, is er vuur
Woötru of woötur: water
Woötur en vieër zien: tegenstellingen
Zeeë: zee
Zeeëgat: haven, zeegat
Zeeëwoötru: zeewater
Zo rooöt of vieër: vuurrood

 

Wegen, spoorlijnen, luchtwegen

Vliegen

Bagaazjuruumtu: bagageruimte
Balong: ballon
Balongvoört: ballonvaart
Boejieng: boeing
Bumaniengu: bemanning (vliegtuig)
Eeërstu klasu: eerste klasse
Eeliekoptur: hefschroefvliegtuig            Fr hélicoptère
Jagtvlieëgtuug: jachtvliegtuig
Kokpiet: cockpit
Landiengsbonu: landingsbaan
Landiengsgustel: landingsgestel
Landiengu: landing
Lugtaavun: luchthaven
Lugtvoört: luchtvaart
Lugtvurkeeërslijdiengu: luchtverkeersleiding
Lugtvurkeeërslijdur: luchtverkeersleider
Lugtzak: luchtzak
Nooötlandiengu: noodlanding
Oriezon(g): horizon
Otomoötiesjhu pieloot: automatische piloot
Radaar: radar
Ruumtuvoört: ruimtevaart
Sjartur: charter
Sportvlieëgtuug: sportvliegtuig
Startboönu: startbaan
Straalvlieëgtuug: straalvliegtuig
Toeriestuklasu: toeristenklasse
Vijlugijtsgordul: veiligheidsgordul
Vlieëgbaazies: vliegbasis
Vlieëgn: vliegen
Vlieëgmasjien: vliegmachine
Vlieëgoogtu: vlieghoogte
Vlieëgpling: vliegplein
Vlieëgtuug: vliegtuig
Vlieëgtuugoeënguluk: vliegtuigongeluk
Vlieëgtuugrampu: vliegtuigramp
Vlieëgvelt: vliegveld
Vurbievlieëgn: voorbijvliegen
Vurkeeërstoorn: verkeerstoren
Zweefvlieëgtuug: zweefvliegtuig

Sporen

Boemultring: boemeltrein
Boovunlijdiengu: bovenleiding (voedt elektrische spanning)
Dendurn: denderen, geluid van de trein op de sporen
Dieënstreegliengu: dienstregeling
Dubuldektring: dubbeldekstrein
Iezurweg: spoorweg
Intursietie: intercity (stopt in alle grote steden)
Koesjitu: liplaats op trein      Fr couchette
Kompartiement: treincoupé    Fr compartiment
Lokoomotief: locomotief
Midungank: middengang tussen de zitplaatsen
Nagttring: nachttrein
Oendurgroeënsjhu: ondergrondse
Pirong: bordes, stoep     Fr perron
Rils: spoorstaven     Eng rails
Rilu: rail
Slaptring: slaaptrein
Sneltring: sneltrein
Spooörlienu: spoorlijn
Stoösju: station
Stoptring: stoptrein, die in alle stations stopt
Traveër: overweg        Fr travers (dwars oversteken)
Tring: trein
Tringrampu: treinramp
Tringroetu: spoorbaan
Tringstaakiengu: treinstaking
Tringstel: treinstel
Tringstoösju: treinstation
Wagong: treinwagen      Fr wagon

Wegen

Binuboönu: binnenbaan
Boönvak: baanvak
Boeëruslag: landweg
Boelvaar: hoofdweg     Fr boulevard
Bordeuru: stoeprand            Fr bordure
Bugoönboör: begaanbaar
Dorpskomu: dorpskom
Dorpspling: dorpsplein
Dorpstroötu: dorpsstraat
Groötu bonu: 
Indurnisu: hindernis
Kapoo: motorkap (van een auto)
Kasieë: kassei
Makadamboönu: asfaltweg
Omutoeër: omweg
Ooftbonu: hoofdbaan
Otostraadu: autobaan, autostrade
Platsu: dorpplaats
Pling: plein
Plingsju: pleintje
Riebonu: rijbaan
Rieën: rijden
Rooö lugt: rood licht      => tis rooöt of oranju of groeënu
Smeërn: smeren (auto)
Startbonu: startbaan
Stoötsbonu: staatsbaan
Stroötu (uuzu stroötu): straat (onze straat)
Suugistiestrooku: suggestiestrook voor fietsers
Terumak: asfalt       Fr  tarmac
Tvooörlant of trotwaar: voetpad                 Fr trottoir
Varutju: vaart
Voeëtpat: voetpad
Vooörrank en: voorrang hebben
Vooörranksbort: voorrangsbord
Vooörranksweg: voorrangsweg
Vurbridiengu: verbreding
Vurkeeër: verkeervursmaliengu: versmalling
Ziestroötu: zijstraat

Fiets

Banduspaniengu: bandenspanning
Bantbreukn: bandbreuken
Bantbreuku: bandbreuk
Belu: bel
Binubant: binnenband
Buutubant: buitenband
Buuzu: buis
Dirajuür: versnellingsapparaat van fiets                  Fr dérailleur
Foersju: vork                           Fr fourche
Fringn: remmen werkwoord     Fr freiner
Frings: remmen        Fr freins
Garduboe: spatbord                   Fr garde-boue
Giedong: stuur                       Fr guidon
Keetn: ketting
Rijongs: spaken                      Fr rayon
Ruustienutju: klever om een gat in een fietsband te dichten
Sjiekuplat: helemaal plat (een band bvb)
Soepapu: ventiel                     Fr soupape
Stoöntju: pakjesdrager
Trontinitu: step                   Fr trottinette
Vieloo: fiets
Vieloobonu: fietsbaan
Vieloopompu: pomp om banden te vullen met lucht
Vieloorek: fietsrek
Vielooroetu: fietspad
Vieloospelu: fietsspeld
Vieloostoön(tju): bagagedrager op de fiets
Vietisn: versnellingsapparaat aan fiets of auto      Fr vitesse
Vooörwieël: voorwiel
Zantu: velg
Zoötu: zadel

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 32 Geluid produceren door mensen Taal

Agturzegn: nazeggen
Aksent: accent
Art deur mukoör klapn: luid door elkaar praten
Babuliengsju: babbeltje
Babuliengu: gepraat, gebabbel
Babuln: praten
Babultju sloön: babbeltje slaan
Bieguluut: bijgeluid
Biejeeënroepn: bijeenroepen
Bijbie die bleët: huilende baby
Bijbie die sjhreeëmt: huilende baby
Bloözn: blazen
Boekubong: boekenbon
Boekulieëfebur: boekenliefhebber
Boekupries: boekenprijs
Boekuvurzaamuloöru: boekenverzamelaar
Boenkn: bonken op een deur bvb
Brieësjhn: luid zijn woede uiten
Broebuln: zeveren
Bruln: brullen
Bruusjhn: geluid van lopend water
Buuk ramult: buik rammelt
Buruln: brullen, luid roepen
Busjhaadugdu ooörn: beschadigde oren
Buusjhn: hard kloppen (op tafel of op deur)
Deesiebil: decibel, eenheid voor geluidsterkte
Dieskuuteern: discuteren
Druk vurkeeër: druk verkeer
Drupuln: het geluid van neervallende waterdruppels
Duuts: Duits
Fluusturn: stilletjes spreken
Fraäns medoör up: Frans met haar op, slecht Frans
Gaapn (luudu): luid gapen
Gieërundu ban van u noto die fringt: gierende banden van remmende auto
Grugtu: geluid, lawaai
Grugtu maakn: lawaai produceren
Guluut: lawaai
Guramul me sjhutuls: gerammel met afwas
Guroeëzumoeës up u rusepsju: geroezemoes op een receptie
Ienguls: Engels
Iezoomoo die krakt: krakende piepschuim
Ietaljoöns: Italiaans
Kient die kriest: kind dat weent
Klakubusu: toestel om geluid te maken
Klakn: applaudisseren
Klapn: spreken
Klapn en brijn: als je aan ‘t werken bent, dan mag je wel spreken maar je moet ondertussen verderwerken
Klapn zoendur vel up ju buuk: zeveren
Kloöru taalu spreekn: klare taal spreken
Klopn up meetaal: kloppen op metaal
Knapurugu tjieps: knapperige chips
Koetunaänsju: dialoog
Koetparlee: lange uitleg  Fr coup de parler
Kowgom known: kowgum knauwen
Kriesjhundu kiendurs: krijsende, wenende kinderen
Kuchun: kuchen
Lachun: lachen
Leevn: lawaai
Leevn maakn: geluid voortbrengen
Luudn of luujn: luiden (klok bvb)
Luudu klapn: luid praten
Luudu muuziek: luide muziek
Luutrugtug: luidruchtig
Meespreekn: meespreken
Misklapn: verspreken
Moeëdurtaalu: moedertaal
Moendulienk: mondeling
Moentvul: mondvol
Mooruln: schreeuwen als vermoord
Needurlaäns: Nederlands
Neuzu upaaln: neus ophalen
Oeëstun: hoesten
Oet zaagun: hout zagen
Ofroepn: afroepen
Omuroepn: omroepen
Oorn gutuut: gevoel als men over jou spreekt
Oovurdundurn: overdonderen
Oovurlast van du grugtu: geluidsoverlast
Parlasantn: rond de pot draaien, niet rechtdoor gaan
Plat vlams: dialect
Plat Westeëns: dialect van Westende
Ritsuln me papieër: ritselen met papier
Sieriïnu van du poliesju of van u nambuulaaänsu: sirene van de politie of van een ambulance
Sjheëfurn: schril geluid maken
Sjheetu: wind
Sjhuufletu: fluitje
Sjhuufuln: fluiten
Sjhruuwul: schreeuw
Sjhruuwuln: schreeuwen
Sleepunt guluut van slufurs oovr du groent: pantoffels die slepen over de grond
Slurpun: slurpen
Snikun: snikken
Snurkun: snurken
Speelundu luutrugtugu kiendurs: spelende luidruchtige kinderen
Spoöns: Spaans
Staamurn: stamelen
Stormwient: stormwind die huilt
Taalu nog teeëkn van utwieën vurneemn: taal noch teken van iemand vernemen (=niets van iemand horen/zien)
Teegnprutuln: tegenspreken
Tieërun: tieren
Tikn me ju viengurs up taaful: tikken met de vingers op tafel
Toeëturundu otoo(s): toeterende auto
Triliengu: trilling met snerpend geluid
Tromulvlieës: trommelvlies
U deuru art toesmietn: een deur hard dichtklappen
U loopundu kroönu: een lopende kraan (vooral druppel per druppel)
U potju klapn: een gesprek voeren, een beetje pratenU zaagsju span: zagen
Upgufoktu bromur: opgefokte brommer
Uutlangn: verklappen
Va ju latu geevn: snel en luid spreken
Van u sjheetu u dundurslag maakn: van een mug een olifant maken
Vieërwerk: vuurwerk
Viengurnaagul of stuk krijt die krasun up u bord: vingernagel of stuk krijt die krassen op een bord
Vlams klapn: Vlaams spreken
Vloekn en keturn: luid en hevig protesteren
Voeërtaalu: voertaal
Vurkloörn: verklaren
Vurstoönboör: verstaanbaar
Vurtelument: verhaal, vertelling
Vurteliengu: vertellingVurzwiegn: verzwijgen
Wient loötn: wind laten vliegen
Zwiegn: zwijgen
Zwoör oösumn: zwaar ademen

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 31: Geschriften Berichten Mededelingen

Aaänmoöniengu: aanmaning
Aaänslagbieljet: aanslagbiljet
Aaänvraagu: aanvraag
Aaänvuliengu: aanvulling
Aänvlopu: envelop, omslag
Agenda: agenda
Aktu: akte
Antboek: handboek
Antlijdiengu: handleiding
Antsjhriftu: handschrift
Anteeëkuniengu: handtekening
Arsjief: archief
Atmieniestroösju: administratie
Atvurteënsju: advertentie
Bekup: veiligheidsafschrift      Eng: backup
Biedraagu: bijdrage (tekst aan krant of boek)
Biedrukn: bijdrukken
Bielaagu: bijlage
Blatvuliengu: bladvulling
Blatwiezur: bladwijzer
Blatziedu: bladzijde
Blindusjhrift: blindenschrift
Booötsjhap; boodschap
Brieëf: brief        =>    u brieëf sjhrievn: een brief schrijven
Brieëfpapieër: briefpapier
Brieëfwisuliengu: briefwisseling
Brosjeuru: brochure
Bustant: bestand
Bustek: bestek
Bustelbong: bestelbon
Buzwoörsjhriftu: bezwaarschrift
Calpingsju of Kalupingsju: zakboekje, notaboekje      Fr calepin
Dagboek: dagboek
Dagvoördiengu: dagvaarding
Databank: gegevensbank
Dateeriengu: datum op plaatsen
Deeveedee: DVD
Deurbloörn: doorbladeren
Deurslag: dubbel
Deurstreepn: doorstrepen
Diegietaal: digitaal
Dieja: diapositief beeld
Digtn zoendur ju gat up tu ligtn: iets zeggen wat op zich wel juist is, maar waar de ander niets aan heeft
Digtur: dichter, poëet
Dokuument: document
Dooöbrieëf: rouwbericht
Dosieër: dossier
Drukfowtn: drukfouten
Dubul: dubbel
Eetiekitu: etikette
Fakteuru: factuur
Fiïrpaar: aankondiging                    Fr faire-part
Foldur: folder
Formoöt: formaat
Formulieër: formulier
Gazetu: gazet, dagblad
Grafiek: grafiek
Iedentiefiekoösju: identificatie
Iemeel: e-mailbericht
Iïnformoötieka: informatica
Iïnformoösju: informatie
Iïnsjhrieviengu: inschrijving
Iïnsjhrievun: inschrijven
Iïnspeksju: inspectie
Iïnspriengn: inspringen
Iïnstruuksju: instructie
Iïnventoöries: inventaris
Inbuwoöriengeevieng: inbewaringgeving
Indiks: index
Inoet: inhoud
Joörvurslag: jaarverslag
Kalk: aftreksel       Fr calque
Karbongpapieër: doorschrijfpapier
Kartong: karton
Katalooguus: catalogus
Kestkartju: kerstkaartje
Kestkoörtu: kerstkaart
Klapur: klapper, inhoudstafel
Klat: klad
Klatpapieër: kladpapier
Koleksju: verzameling               Fr collection
Koörtsiestiïm: kaartsysteem
Koörtu: kaart
Kopie: copie
Krabuln: haastig noteren
Krijong: potlood
Leeziengu: lezing
Liestu: lijst
Lijowt: layout
Loötn weetn da: laten weten dat
Marzju: marge
Meeltju: kort e-mailbericht
Meldiengu: melding
Model: model
Naamkartju: naamkaartje
Naamliestu: naamlijst
Nuumuriengu: nummering
Oendurteeëkn: ondertekenen
Oendurteeëkniengu: ondertekening
Oendurzoek: onderzoek
Oenderzoekn: onderzoeken
Ofdruk: afdruk
Ofkortiengu: afkorting
Ofleevrieng: afleveringen
Ofleevriengu: aflevering
Ofsjhriftu: afschrift
Omslag: omslag
Ootuür: dader, schrijver                     Fr auteur
Papieër: papier
Paraf: paraaf
Parafeern: paraferen
Parlasanten: niet noodzakelijke, onnutige mededelingen
Paspoör: paspoort
Penutrek: pennetrek
Pisjudraagur: bode die berichten aan huis brengt/bracht      Fr dépêche
Plang: plan
Plangs: plannen
Poolies: polis
Post: post
Profiel: profiel
Program: programma
Projikt: project
Proseeduuru: procedure
Prosesvirbaal: proces-verbaal
Protukol: protocol
Puubliekoösju: publicatie
Pursooönsgugeevuns: persoonsgegevens
Pursooönsliestu: persoonslijst
Putiesju: verzoekschrift, petitie
Raamiengu: raming
Raport: rapport
Reekniengu: rekening
Riebuwies: rijbewijs
Riglument: reglement
Romang: roman
Roötpleegiengu: raadpleging
Roötpleegn: raadplegen
Rugiestur: register
Rukomandee: aangetekende brief        Fr recommandé
Ruproduuksju: reproductie
Ruubriek: rubriek
Sierkuuliïru: circulaire
Sirtiefiekoöt: certificaat    Fr certificat
Sjheema: schema
Sjhriefpapieër: schrijfpapier
Sjhrievn: schrijven
Sjhriftuluk: schriftelijk
Skan: scan
Speliengu: spelling
Statuut: statuut
Stempul: stempel
Stik: stuk (document)
Stoöt: staat (document)
Suleksju: selectie
Surieë: serie
Taalu: taal
Tabel: tabel
Teeëkniengu: tekening
Tembur: postzegel        Fr timbre
Tiepfowtu: tikfout
Tietsjhriftu: tijdschrift
Tietul: titel
Tilufong: telefoon
Tilugram: telegram
Tistament: testament
Upsjhriftu: opschrift
Uutdrukiengu: uitdrukking
Uutgeevurieë: uitgeverij
Uutsjhrievn: uitschrijven
Uuttreksul: uittreksel
Uutvuln: uitvullen
Versju: versie
Volshijt in gusjhriftu: valsheid in geschrift
Vormu: vorm
Vulmagt: volmacht
Vulsjhrievn: volschrijven
Vurguniengu: vergunning
Vurjoördagskartju: verjaardagskaartje
Vurjoördagskoörtu: verjaardagskaart
Vurkloöriengu: verklaring
Vurmeldiengu: vermelding
Vurslag: verslag
Vurslaggeeviengu: verslaggeving
Vurtaaliengu: vertaling
Vurzeeguliengu: verzegeling
Vurzeekriengu: verzekering
Vurzen: verzenden
Vurzoeksjhrift: verzoekschrif
Wagtliestu: wachtlijst
Wareern: de ronde doen (een bericht, een ziekte)
Weëns: wens
Weënsjun: wensen
Wepsaajt: website
Wooört: woord
Woöturmerk: watermerk
Zakboeksju: zakboekje
Zantju: prentje
Zinu: zin

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 30: Geestesgesteldheid Verstand

Agturluk: geestelijk gehandicapt
Beeltvormiengu: beeldvorming
Biebliejooteeku: bibliotheek
Bieleeërn: bijleren
Bloemleeziengu: bloemlezing
Boeëruvurstant: zonder scholing toch slim zijn
Boovunkaamur: bovenkamer, hersenen
Brijn: brein
Bugriepuluk: begrijpelijk
Bugriepn: begrijpen
Bukwaamijt: bekwaamheid
Bukwaamu: bekwaam
Bunul: benul
Busef: besef
Busiefurn: becijferen
Busjhaaft: beschaafd
Busjhaaviengu: beschaving
Busjhrieviengu: beschrijving
Busjhrievn: beschrijven
Buslisiengu: beslissing
Busluutn: besluiten
Buspreekiengu: bespreking
Bustuudeern: bestuderen
Buteeëkunisu: betekenis
Butuugiengu: betuiging
Butwiefuln: betwijfelen
Butwistboör: betwistbaar
Buvestugiengu: bevestiging
Buvlieëgiengu: bevlieging
Buwies: bewijs
Buwiesvoeëriengu: bewijsvoering
Buwiezn: bewijzen
Buwustzien: bewustzijn
Buzieëliengu: bezieling
Buzienkn: bezinken
Dooötdoeëndur: dooddoener, argument van weinig waarde
Du nuul van tspil zien: de dupe zijn
Du slimn uutang: de slimste willen zijn
Duur du komprunuur: lang nodig hebben om iets te verstaan
Dwaaliengu: dwaling
Eësuns: hersenen
Ervoöriengu: ervaring
Fraäns klapn medoör up: slecht Frans spreken
Geeëst: geest
Goeët pijzun: diep nadenken
Guvroeng zitn met utwa: geen oplossing vinden voor een probleem
Kenesu: kennis
Koönfureënsju: conferentie         Fr  conférence
Koöngres: congres
Koönsentroösju: concentratie
Meeëniengu: menin
Meënsjhukenesu: mensenkennis
Misu: vergissing
Nes/zes zu nie alumalu mi: hij/zij is niet meer bij zijn/haar volle verstand
Net/zet u meemoorie van u gernoöru: slecht geheugen
Net u slag van du meuln get: hij kreeg een slag van de molen, hij is zijn verstand kwijt
Net u viezu los: hij heeft niet al zijn zinnen
Net ur gin koös van geetn: hij heeft er geen kaas van gegeten, hij kent er niets of niet veel van
Nis gin klooötn weërt: hij is niets waard
Nis gin sjieku tuubak weërt: hij is niets waard
Nis/zis zo dom lik tagturstu van u koeë: hij/zij is zeer dom
Oenbugriepuluk onbegrijpelijk
Oendurviendiengu: ondervinding
Oendurzoek: onderzoek
Oentleediengu: ontleding
Oovurleg: overleg
Oovurpeizn: overpeinzen
Raamiengu: raming
Ratsul: raadsel
Reeduvoeëriengu: redevoering
Roendu: dom
Roön: raden
Rudunoösju: redenering
Spreuku: spreuk
Steliengu: thesis, bewering
Suleksju: selectie
Tis u stievu slimn: het is een zeer slimme
Toogu wooört voeërn: het hoge woord voeren
Tu dom voer ooi teetn: zeer dom
Tvurstant komt met du joörn: het verstand komt met de jaren
Twieful: twijfel
Twiefuln: twijfelen
Upfrisjhiengu: opfrissing
Uplosiengu: oplossing
Upvatiengu: opvatting
Upzoekiengu: opzoeking
Uutreekn: uitrekenen
Uutvien(g): uitvinden
U grooötu lanteërn met u kleeën lugtju: een grote lantaarn met een klein lichtje
U keeml sjhieëtn: een vergissing begaan
U misu bugoön: een vergissing begaan
U slag van sliengurs meuln en: niet goed bij zijn verstand zijn
Utwadu an utwieën zu vurstand brieng: iets aan iemand zijn verstand brngen
Utwoö vurstant van en: ergens verstand van hebben
Van lotju gutikt zien: van lotje getikt zijn, gek zijn
Van toetn nog bloözun weetn: van toeten noch blazen weten
Van utwa vurstant en: verstand hebben van iets
Veijlugeitsoovurweegieng: veiligheidsoverwegingen
Vieërtaalug: viertalig
Vooörbureidieng: voorbereidingen
Vooörgusjhieëdunisu: voorgeschiedenis
Vooörnleezn: voorlezen
Vooöroentwerp: voorontwerp
Vooörnzegn: voorzeggen
Vooörstudie: voorstudie
Vooörwoördu: voorwaarde
Voruutkiekn: vooruitkijken
Voruutzieëndu: vooruitziende
Voruutzigtu: vooruitzicht
Vorzieën: voorzien
Vraagteeëkn: vraagteken
Vurmiedn: vermijden
Vurvoegiengu: vervoeging
Wiesijt: wijsheid
Zjeenie: genie
Zu vurstant gubruukn: zijn verstand gebruiken

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 29 Leger Oorlog Wapens

Aaänsjieën: oudgediende           Fr ancien
Aaänsteliengu: aanstelling
Aaänvoln: aanvallen
Aaänvolsplang: aanvalsplan
Aakunkruus: hakenkruis
Aalftrak: halfrupsvoertuig                      Eng half-track
Aalmoeëzunieër: aalmoezenier
Afuut: affuit
Agturoedu: achterhoede
Ambuulaansu: ziekenwagen                               Fr ambulance
Antgrunoötu: handgranaat
Antiepursoonsmienu: antipersoonsmijn
Antietankkanong: antitankkanon
Antietankmienu: antitankmijn
Antietankwaapn: antitankwapen
Artielurieë: artillerie
Artieluriesjhoolu: artillerieschool
Artieluriest: artillerist
Artielurievier: artillerievuur
Artieluriewoörneemr: artilleriewaarnemer
Atmieniestroösju: administratie
Atmieraal: admiraal
Atoombomu: atoombom
Bajonetu: bajonet
Bakboört: linkse kant van schip
Baliestiek: balistiek
Baretu: baret
Bataljong: bataljon
Batrieë: batterij
Bazoeka: bazouka, antitankwapen
Bem: stafbrevethouder                                                 Fr breveté d'état-major
Bievak: bivak
Binudieënst: binnendienst
Bleëndiesieëdu: blindicide, antitankwapen
Boebietrap: valsstrik                                      Eng boobytrap
Bombardument: bombardement
Bomu: bom
Botien: bottines
Briegadieër: brigadier
Briegaadu: brigade
Brugunooft: bruggenhoofd
Buleeguriengu: belegering
Bumaniengu (van vliegtuig of tank)
Bunoemn: benoemen
Burgurdieënst: burgerdienst (in plaats van militaire dienst)
Burgurleevn: burgerleven
Busjhieëtiengu: beschieting
Busluupn: besluipen
Bustormiengu: bestorming
Butaalmeeëstur: betaalmeester
Buunkur: bunker
Buvelebur: bevelhebber
Buwaapniengu: bewapening
Buwient: bewind
Dagmarsj: dagmars
Deefielee: défilé
Deefieleern: defileren
Deezirsju: desertie
Deezirtuür: deserteur
Dekofiesier: dekofficier, officier bij de zeemacht
Dieënstiet: diensttijd, periode militaire dienst
Dievieszju: divisie
Dragt van u waapn: dracht, reikwijdte van een wapen
Drienkubusu: drinkbus
Droon: drone         Eng: drone
Eeënijt: eenheid
Eeëru buwiezun: eer bewijzen
Eeëruteeëkn: ereteken
Eepolitn: schouderstukken    Fr épaulettes
Eesjulong: echelon
Flankaaänvol: flankaanval
Flankdekiengu: flankdekking
Foerieër: foerier belast met ravitaillering (eten, kledij, uitrusting)
Froent: front
Fusulieër: fusilier
Galauunieformu: galauniform
Gamilu: gamel, eetketeltje
Garniezoeën: garnizoen
Geeneeraal: generaal
Geeneeraalu staf: generale staf
Granoötu: granaat
Groeëtn: groeten
Groöt: graad
Grunadier(s): Grenadier(s)
Gulit: gelid
Gupakt guwist van du goözu: gepakt geweest van het gas
Guvegt: gevecht
Guweëru: geweer
Guweërukooglu: geweerkogel
Iïnfanturiest: infanterist
Indurlaagu: hinderlaag
Iskadrong: escadron
Jieëp: jeep
Ju dieënst doeën: je militaire dienst doen
Kaamurwagt: kamerwacht
Kaazumatu: gewelfde kamer voor beschermde opslag, accomodatie, eventueel met kijkgat
Kaliebur: kaliber
Kamiejong: camion
Kamjonitu: camionette
Kamoefleern: camoufleren             Fr camoufler
Kanong: kanon
Kanongboeër: misprijzende naam voor een artillerist
Kanongvieër: kanonvuur
Kanonieër: kanonnier
Kapieting: kapitein
Karabienu: karabijn
Karabienieër: karabienier
Karjiïru: loopbaan     Fr carrière
Kartoesju: huls            Fr cartouche
Kasjot: cachot
Kasku: helm             Fr casque
Kavalurieë: cavalerie
Kavaluriest: cavalerist
Kazeërn: kazerne
Keepie: kepi
Kolonel: kolonel
Kolonu: kolonne
Komandant: commandant
Komandeern: commanderen, bevelen
Komietee: jury die beslist over bevorderingen van hoofdofficieren
Kompanieë: compagnieKooglu: kogel
Koönzjee: verlof        Fr congé
Korvee: karwei              Fr corvée
Kriegsguvang: krijgsgevangenen
Kriegsguvangunu: krijgsgevangene
Kriegsroöt: krijgsraad
Kruusraketu: kruisraket
Ku Im: QM, bevoorrader
Kwartieërmeeëstur: kwartiermeester
Leegurdieënst: legerdienst
Leegurkoör: legerkorps, grote eenheid
Leeguroefuniengu: legeroefening
Leegurstok: legerstock
Leegurtentu: legertent
Logiestiekur: van de logistieke dienst
Loop van u kanong: loop van een kanon
Luutnant: luitenant
Manuüvurs: maneuvers
Marien: marinetroepen, zeemacht
Marsj: mars
Marsjeern: marcheren
Masjienuguweëru: machinegeweer
Matrooözu: matroos
Mazjor: majoor
Mieliesju: militie
Mienu: mijn
Mienujaagur: mijnenjager
Mienuvaagur: mijnenvager
Mienuvelt: mijnenveld
Mietrajeuzu: mitrailleuse
Mietrajitu: mitraillette
Mikn up u doeël: mikken naar een doel
Mis: lokaal of gebouw waar officieren de maaltijden nemen          Eng mess
Mobieliezoösju: mobilisatie
Mortieër: mortier
Munoözju: huishouding    Fr ménage
Muuniesju: munitie
Muuniesjudiepoo: munitiedepot
Muutoösju: mutatie, verandering van garnizoen, eenheid
Na
gtvurguniengu: nachtvergunning
Neerusjhieëtn: neerschieten
Obuus: obus
Oedstriedur: oudstrijder
Oefnmuuniesju: oefenmunitie
Oendurluutnant: onderluitenant
Oendurofusier: Onder-Officier
Oentplofiengu: ontploffing
Ofdeeëlieng: afdelingen
Ofdeeëliengu: afdeling
Ofeënsief: offensief
Ofsjhieëtn: afvuren
Ofusier: officier
Ofzwoöjn: afzwaaien
Omsienguln: omsingelen
Ooörlogvoeëriengu: oorlogsvoering
Ooörlogstiet: oorlogstijd
Ooörlogsvurkloöriengu: oorlogsverklaring
Ooörloogu: oorlog
Opuroösju: operatie
Owitsur: houwitser
Parasjuutu: valscherm      Fr parachute
Paroödu: parade
Patroeju: patrouille
Patroejusjhip: klein marineschip ontworpen voor kustdefensie
Patrooön: patroon, kogel
Pieket: piket
Pielooöt: piloot, vliegtuigbestuurder
Piestoolu: pistool
Pijuür: betaalmeester           Fr payeur
Pit e staaku: verdediging tegen paras en lichte vliegtuigen (bvb op het strand)
Plantong: planton
Platgusmeetun: platgesmeten (gebouwen)
Poliesjukaamur: politiekamer, straf 's nachts in cachot doorbrengen
Preesenteern: presenteren
Pulutong: peloton
Raketu: raket
Ravietajeerun: bevoorraden       Fr ravitailler
Reezjiement: regiment 
Riebruvet: rijbrevet
Riesjhoolu: rijschool
Riglument: reglement
Rigtn: richten (met een wapen)
Rukruut: rekruut
Rumorku: aanhangwagen                             Fr remorque
Rupsu: rups, tankwiel
Ruvolvur: revolver
Salueern: groeten               Fr saluer
Sijnpiestoolu: seinpistool
Seksju: sectie
Siebul: doelschijf op schietstand
Sjhieëtn: schieten
Sjhieëtstant: schietstand
Sjieneesjhu vriewilugur: Chinese vrijwilliger, aangeduid voor vervelende karwie
Sjhot: schot
Sjhrapnilu: schrapnel
Slagvelt: slagveld
Sneuvuln: sneuvelen
Soldoöt: soldaat
Soldu: soldij
Standoört: standaard, vaandel van een eenheid
Stekurdroöt: prikkeldraad
Stoöt van buleg: staat van beleg
Strafu: straf
Stuurbooört: rechtse deel van schip
Surzjant: sergeant
Tankiest: iemand die ingelijfd is bij een pantsereenheid
Teegunaaänvol: tegenaanval
Tentu: tent
Traaänsjees: loopgraven    Fr tranchées
U nantgrunoötu: een handgrenaat
U noogukop vant leegur: een militair met een hoge graad
Ulzu: huls van een patroon
Uunieformu: uniform
Up kamp goön: op kamp gaan
Up wagt stoön: op wacht staan
Upbloözn: opblazen, doen ontploffen
Updragt: opdracht
Upguroopn: opgeroepen (voor de dienst)
Vaandrieg: vaandrig, officier bij de zeemacht
Veltkeukn: veldkeuken
Vestiengu: vesting
Vieër: vuur
Vieërlienu: vuurlijn
Vlagugroeët: vlaggegroet
Vlamuwerpur: vlammenwerper
Vleuguladjuudant: vleugeladjudant
Vooöroedu: voorhoede
Vooörpost: voorpost
Vrie van dieënst: vrij van dienst
Vriesteliengu: vrijstelling
Vurdeediegiengu: verdediging
Vurguniengu: vergunning
Vurkeniengu: verkenning
Vurnieëliengu: vernieling
Vuroovuriengu: verovering
Vursloön: verslaan
Waapnmagazien: wapenmagazijn
Wagtmeeëstur: wachtmeester (bij artillerie en tanks)
Wagtukotju: wachthuisje
Zantstuuvur: infanterist
Zieëkuwaagun: ziekenwagen
Zjeenie: genie
Zjeeniejak: ingelijfd bij een Genie-eenheid

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 28: Bloemen, planten, bomen, gewassen, tuin, grond

Aagusjhoöru: haagschaar
Alukaru: aaltkar, mestkar
Anjur: anjer
Astur: aster, herfstbloem
Baloo strooöj: baal stro
Bedupisur of Beduzeeëkur: paardenbloem
Beeëtn: bieten
Berku: berk
Bieslook: bieslook
Bloeëjn: bloeien
Bloejtiet: bloeitijd
Blomu: bloem
Blomumart: bloemenmarkt
Bloörn: bladeren
Boekee: boeket
Bonzaaj: bonsai
Boomsjhorsu: boomschors
Boomstroenku: boomstronk
Boomtju (u): een boompje
Bubosiengu: bebossing
Budeëvn: bedelven
Bugieëtn: begieten
Bugoonieja: begonia
Bugroejt: begroeid
Bumestiengu: bemesting
Buplantn: beplanten
Buplantiengu: beplanting
Busjhn: bossen
Busproejn: besproeien
Busproejiengu: besproeing
Buturblomu: boterbloem
Buuksuus: buxus
Buzoöjn: bezaaien
Daalieja: dahlia
Dasjhn: dorsen
Distul: distel
Djeeëzumien: jasmijnen
Du nof: de tuin
Eedulwijs: edelweiss
Fiekuus: ficus
Foeksieja: fuchsia
Forsietja: forsythia
Gas: gras
Gas ofmojn: gras afmaaien
Gas ofrieën: gras maaien
Gasmasjienu: grasmaaier
Gasperk: grasperk

Gaspling: grasplein
Gassprieëtu: grasspriet
Gasvodu: graszode
Gaszoöt: graszaad
Gazong: gazon
Gladiejoolu: gladiool
Groent: grond
Groön: graan
Hiejasintu: hyacint
Hulst: hulst
Kangkurblomu: papaver
Katusteërt: onkruidplant in droge grond of staart van de kat
Klaavur: klaver
Klaprooözu: klaproos
Klietu: klei
Klimop: klimop
Koejumest: koeienmest
Kompost: kompost
Koniefeerun: coniferen
Kortuwaagun: kruiwagen
Kriezantu: chrysant
Laaänsu: tuinslang
Lavendul: lavendel
Leelie: lelie
Leevunsboom: levensboom (haag)
Lieguustur: liguster
Logtienk: tuin
Lootuus: lotus
Lowrieru: laurier
Madulieftjus: madeliefjes
Magrietun: margrieten
Majies: maïs
Mesienk of Meszoötu: mesthoop
Meststofu: meststof
Mijkloksju: meiklokje
Naagu (u): een haag
Narsiesun: narcissen
Netul(s): brandnetel(s)
Oenkruut: onkruid
Oenkruutvurdelgur: onkruidverdelger
Ofmoöjn: afmaaien
Ofrieën: afrijden (het gras)
Ofsnieën: afsnijden
Omijniengu: omheining
Omuspitn: omspitten
Ooj: hooi
Orchiedeejun: orchideeën
Ortaansu: hortensia
Papaavur: papaver
Patatuloof: aardappelloof
Peërdubloemu: paardenbloem
Peërdumest: paardenmest
Pisublomu: paardenbloem
Pooötn: poten
Populiëeru: populier
Raapn: rapen
Radiezu: radijs
Riebus: ribes
Roodoodendron: rhododendron
Rooözun: rozen
Salvieja: salvia
Sanseeveerieja: sanseveria
Sjhaaduw: schaduw
Sjheutu: scheut
Sjhorsu: schors
Sjiekongs: witloof
Sliek: slijk
Snoeëjn: snoeien
Stienkurs: afrikaantjes, tagetes
Stienkurtju: tagetes
Strooj: stro
Struuksju: struikje
Struuku: struik
Taksju: kleine tak
Terwu: tarwe
Tuinujsju: tuinhuisje
Tulpn: tulpen
Tusjhnterwu: maïs
Ulst: hulst
Uutgudroogt: uitgedroogd
Uutspitn: uitspitten
Viejooltju: viooltje
Vulgroejt: volgroeid
Vurniengt: vergif
Vumu: hooimijt
Vurplantn: verplanten
Vurplantiengu: verplanting
Vurslookurn: verflensen
Vurtakiengu: vertakking
Wienturart: winterhard
Wisu: wilgentak
Zeëvugukwikt: zelfgekweekt
Zjeeraaniejoms: geraniums
Zoöjn: zaaien
Zoöt: zaad
Zunubloemu: zonnebloem

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 27: Kinderen Verzorging Speelgoed

Agturkomurtju: geboren vele jaren na broers of zusters
Adopsju: adoptie
Baarmoeëdur/-moeëdru: baarmoeder
Bavetu: bavet
Bijbie: baby
Bijbieklirtjus: babykleertjes
Bijbiesietn: babysitten
Bijbiesietur: babysit
Bijbievoeëdiengu: babyvoeding
Blokdoozu: blokkendoos
Bolu: bal
Booörlienk: boorling
Bostvoeëdiengu: borstvoeding
Broekvintju: klein kind (dat nog de korte broek draagt)
Bubbel: klein kind
Budorvun: bedorven
Buutnegtluk kient: buitenechtelijk kind
Buvoliengu: bevalling
Dooödgubooörn: doodgeboren
Drieëlienk: drieling
Driewieëlur: driewieler
Du bost geevn: borstvoeding geven
Duuvulskiend: duivelskind
Eeënandug: eenhandig
Futeuru: kinderwagen
Futu: fopspeen
Iïn slaapu wieëgn: in slaap wiegen
Joeëns: kinderen
Joeënsnaamu: jongensnaam
Juutukako: schommel
Kadee: kleine
Kakstoeël: kinderstoel
Kakurnesju: kakkernestje, jongste kind
Kepukient: dat door iemand het liefst gezien wordt
Ketn: knikkers 
Ketu: knikker
Keuntju: konijntje
Kiendurbedu: kinderbed
Kiendurbieslag: kinderbijslag
Kiendurfuteuru: kinderwagen
Kiendurjoörn: kinderjaren
Kiendurspeelgoeët: kinderspeelgoed
Kiendurziektu: kinderziekte
Kient: kind
Kient in uus zien: kind in huis zijn
Kient nog kroöjen: op niemand meer kunnen rekenen, alleen op zichzelf
Kient van du reekniengu zien: kind van de rekening zijn
Kijzursnee: keizersnede
Kleurboek: kleurboek
Kleutur: kleuter
Kleuturjinu: kleuteronderwijzeres
Kleutursjhoolu: kleuterschool
Knuful: knuffel
Koeveuzu: broedmachine     Fr couveuse
Kriesjhun: krijsen, wenen
Krisju: kinderkribbe, opvang     Fr crèche
Kwielubabu: slabbetje
Leeërn loopn: leren lopen
Leeftiet: leeftijd
Leegoo: lego
Meisjusnaamu: meisjesnaam
Mindurjoörug: minderjarig
Moeëdurmeëk: moedermelk
Moeëdursjhooöt: moederschoot
Moeëdurskientju: volwassen maar nog steeds verwend kind
Moeëduruus: moederhuis
Moeëtn is dwang en bleëtn is kiendurguzang: het wel willen doen maar niet als het verplicht wordt
Moeëtuwerk: moeten trouwen omdat je zwanger bent
Muziekdoozu: muziekdoos
Nog kient nog kroöjen: geen kinderen hebben
Oogapul: oogappel
Ot kient mor u naamet: als het kind maar een naam heeft
Otootju: autootje
Pampur: pamper
Papflesjhu: papfles
Papkient: papkind, bedorven
Pekln: bikkelen
Peutur: peuter
Piejaanoo: piano
Pleegguzin: pleeggezin
Pleegmoeëdru: pleegmoeder
Pleegoedurs: pleegouders
Pleegvoödur: pleegvader
Plijmobiel: playmobil
Poepunolutju: achterwerk van een kind
Potju: pis- en kakpot voor kinderen
Poziesju: toestand van zwangerschap
Prentuboek: prentenboek
Pupu: pop
Pupukasu: poppenkast
Puuzul; puzzel
Ramuloöru: rammelaar
Rotbudorvn: rotbedorven
Seultju: emmertje
Siendroom van Down: Mongool
Siendroom van Toerit: syndroom van Tourette
Sjaritu: kinderwagen
Sjheptju: schepje
Sjhooltiet: schooltijd
Sjhreeëm: wenen
Slierboönu: glijbaan
Snotneuzu: klein kind
Speelgoeët: speelgoed
Speelpleku: speelplaats in een school
Spoörpotju: spaarpot
Staapulblokn: stapelblokken
Step: autoped
Taafulfoetbal: tafelvoetbal
Teërlienk: teerling
Tkient bie du naamu noemn: het kind bij de naam noemen, zeggen waar het op staat
Tkient van du reekniengu: het kind van de rekening, enige die schade lijdt
Tkient wegsmietn met tbatwoötur: het kind weggooien met het badwater, samen met het slechte ook het goede weggooien
Toetur: schommel
Trampolienu: trampoline
Tring: trein
Tromul: trommel
Trontienitu: autoped       Fr trotinette
Tweeëlienk: tweeling
U boertju: een puf vóór het slapengaan
U budorvn stroent: een bedorven kind
U kiendurant is gow guvult: een kinderhand is rap gevuld
U kient koopn: een kind krijgen/baren
U polutju geevn: een handje geven
U zundagskient: een zondagskind, iemand die altijd veel geluk heeft
Up zu potju goön: op zijn potje gaan
Upvang: opvang
Upvoeëdiengu: opvoeding
Uut du kleeënu kindurs zien: de kinderen zijn groot/volwassen/uit het huis
Van kientsbeeën of: van kindsbeen af
Vielootju: fietsje
Vieërlienk: vierling
Voendulienk: vondeling
Voogdieë: voogdij
Vooörkient: voorkind
Vooörligtiengu: voorlichting
Vroetvrowu: vroedvrouw
Vroeggubooörtu: vroeggeboorte
Vroegriepu: vroegrijp
Vulgroejt: volgroeid
Vurtroeëtuln: vertroetelen
Vurwagtiengu: verwachting
Vuuflienk: vijfling
Weezu: wees
Weezukient: weeskind
Weezuus: wezenhuis
Wieëgu: wieg
Wieëgulietju: wiegenlied
Wupplanku: schommel, wipplank
Zu keelu oopnzetn: zijn keel openzetten, hard schreeuwen
Zundagskient: zondagskind (dat altijd veel geluk heeft)
Zuuglienk: zuigeling

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Tjestug joôr gutrowt

Du vuftieënstn juunie was Juultn tjestug joör gutrowt me zu Madliïnu. U geeël endu, ee?
Du drie kiendurs, die nie in du streeku weun, woörn ton ook van plang om dur u grooötu feeëstu van tu maakn.
Zu moestn eeëst en voral u neetabliesument viengn, lieëfst nie tu veru weg, wo daan zu zeevun kaamurs kostn voorbugoedn, wo daanzu goeët kostnn eetn e wo daan zu u natraksju kostnn upvoeërn en wo daan zu u daansju kostn plaseern. E ja, nie tu vurgeetn, du twi joendn van eeën van du kiendurs moestn toeguloötn wordn.
Nie gumakuluk, wi, kgon meër zegn, oenmeugluk i Midulkerku. I Niepooört gieng ta wel, gulukug.
Tkomtropan vandrop tiet bie tu zien, ee?
Zaan ziedur nateurluk du noöstu famielju uutgunooödugt mor ook u poör gubeurs wo daan zu goeët mee ovreeënkom e wo daan zaltiet kun up reekn. Bertn e Marie woörn dur ook nateurluk. Altugoöru woörn zu me dertug man.

Zen tog zuku sjhooönu kartjus get met weënshn lik ‘goeju guzoentijt verdru’ of ‘nog u naantal guzoendu joörn tugoöru’ mor ook omdat du feeëstu goeët zoe slaagn. Juultn e Madliïnu wierdn ook nog gulooft voer undur ‘goeju ijgunsjhapn’ e voer oendurtprosent ofgusjhildurt as vooörbeeldn voer undur noökomuliengn.
Da dijt undur egt veelu deugt. Zadnt vurdieënt!
Madliïnu die nie beetur wist, vurshoot nog gin bitju oön zu tilugram kreegn van du keunienk. Zu vroegdaan Juultn: ‘Ken ju gie em misjhieën goeët?’

Ook du burgumeeëstur en du sjheepns weënstn undur veelu guluk. Moestn zu guldugt wordn int gumeeëntuus of bie undur tuus, wieërt undur guvraagt. Zadn tlatstu gukoozn en zu zaatn fieër lik twi giëters in undur zeetlu met dotorietijtn roent undur, voe du fotoo in du gazetu, Madliïnu met eur boekee blomn en neevns undur u kadoo van du gumeeëntu, u sjhooönu voözu.
Nateurlik droenkun zu ton u gloözutju up 'doedu’ trowurs en iedreeën was gulukug.
Du feeëstu was guslaagt en tzij zeëfs utwieën “Up no du vuuvuntjestug!’



Vertaling

Jules is zestig jaar getrouwd.

De vijftiende juni was Jules zestig jaar getrouwd met zijn Madeleine. Een lange tijd, hé.
De drie kinderen, die in de streek wonen, waren dan ook van plan om er een groot feest van te maken.
Ze moesten eerst een instelling vinden, liefst niet te ver weg, waar ze zeven kamers konden voorbehouden, waar ze lekker konden eten en waar ze een attractie konden opvoeren en waar ze eens dansje konden doen. En niet te vergeten, de twee honden van één van de kinderen moesten ook toegelaten worden.
Niet eenvoudig, hoor, ik zal zelfs meer zeggen, onmogelijk in Middelkerke. In Nieuwpoort kon dat wel, gelukkig maar.
Het komt erop aan er op tijd bij te zijn, hé?
Zij hadden natuurlijk de naaste familie uitgenodigd maar ook een paar buren waar ze goed mee overeenkomen en waar ze altijd kunnen op rekenen. Albert en Marie waren er ook natuurlijk. Alles samen waren ze met dertig personen.
Wat hebben ze toch mooie kaartjes gekregen met wensen zoals ‘goeie gezondheid verder’ of ‘nog een aantal gezonde jaren samen’ maar ook opdat het feest goed zou slagen. Jules en Madeleine werden ook nog geloofd voor hun ‘goede eigenschappen’ en voor honderd percent afgeschilderd als ‘voorbeelden voor hun nakomelingen’.
Dat deed hen echt veel deugd. Ze hadden het verdiend!
Madeleine die niet beter wist, verschoot nog geen beetje toen ze een telegram kregen van de koning. Ze vroeg aan Jules ‘Ken jij hem misschien goed?”
Ook de burgemeester en de schepenen wensten hen veel geluk. Moesten ze gehuldigd worden in het gemeentehuis of bij hen thuis, werd hen gevraagd. Ze hadden voor het laatste gekozen en ze zaten fier gelijk twee gieters in hun zetel met de autoriteiten rond hen, voor de foto in de krant. Natuurlijk dronken ze dan een glaasje op de ‘oude’ trouwers en iedereen was gelukkig.
Het feest was geslaagd en er zei zelfs iemand ‘Op naar de vijfenzestig!’

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 11:18 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 26: Gereedschap Materialen Bouw Allerlei

Aamur: hamer
Aksju: haakje
Alaam: gereedschap
Alumienjom: alluminium
Arduun: arduin
Asjhun: as
Baksju: bakje
Bakuliet: bakeliet
Bakursoovn: bakkersoven
Bakploötu: bakplaat
Bakvormu: bakvorm
Balaaänsu: balans
Baladeuzu: looplamp
Baskuulu: bascule
Basing: grote kuip
Bazasu: rugzak
Beezum: bezem
Biedong: beton
Bielu: bijl
Blek: blik
Blekndoozu: blikken doos
Bloksju: blokje
Boöku: balk
Bobienu: bobijn
Boeërukaru: boerenkar
Booöru: boor
Bowkroönu: bouwkraan
Brantslangu: brandslang
Bratpanu: braadpan
Briekuljong: steenafval
Briekurieë: steenbakkeij
Brijnaaldu: breinaald
Brikiezur: breekijzer
Buuldoozur: bulldozer
Buuzu: buis
Dermu: slang
Dieng: dingen
Dienk: ding
Drendul: lange draad
Droöt: draad
Eetaazju: verdieping    Fr étage
Ekn: hekken
Gasmasjien(u): grasmachine
Gasmoöjur: grasmaaier
Gassjhoöru: grasschaar
Gravee: grind
Iezur: ijzer
Iezurdroöt: ijzerdraad
Iezurzaagu: ijzerzaag
Kaavu: schoorsteen
Kajoetjoedermu: rubberen darm
Katjoe: caoutchou
Karbongpapier: carbonpapier
Kartong: karton
Kartongdoozu: kartonnen doos
Kasiesteeën: kasseisteen
Katukop: meervoudig stopcontact
Keësu: kaars
Keetn: ketting
Kobujaagur: ragebol
Koerang: stroom    Fr  courant
Koesju: laag (verf)   Fr couche
Koevoeët: koevoet
Kolu: lijm     Fr colle
Kontrolulamtju: controlelampje
Kork: kurk
Kortuwaagn: kruiwagen
Kripu: crèpe
Kroönu: kraan
Lakvervu: lakverf
Lanteërn: lantaarn
Latu: latLeeëru: ladder
Liem: lijm
Masjienu: machine
Moeëru: moer
Moenteuru: monture
Nulu (u): deksel
Nulutju (u): een dekseltje
Oetunaamur: houten hamer
Oetuwerk: houtwerk
Oogspaniengu: hoogspanning
Oolievervu: olieverf
Ooparluür: luidspreker                            Fr haut parleur
Otomoöt: automaat
Piejosju: pikhouweel                   Fr pioche
Pielampu: zaklamp
Pielu: batterijtje                      Fr pile
Poönu: fluweel
Posturtju: beeldje op schouw of tafeltje
Pulu: bidon
Puuneisu: duimspijker                       Fr punaise
Rekul: elastiek
Roendilu: rond metaaltje om vijzen vaster te helpen aanspannen
Rusor: veer                               Fr ressort
Santuboetiek: rommel, allerlei gerief
Seulu: emmer
Sjetu: breigaren
Sjhaavu: schaaf
Sjheurpapieër: scheurpapier
Sjhievu: schijf
Sjhoöru: schaar
Sjhoeblienk: schoensmeer
Sjhroevu: schroef
Sjhutuldoek: schoteldoek
Sleutur: sleutel
Slootur: sleutel
Sluutspelu: veiligheidsspeld, toespeld
Spaa: spade
Staaku: staak
Staksju: staakje
Stekurdroöt: prikkeldraad
Stofoösju: materiaal
Stofzuugur: stofzuiger
Stoksju: stokje
Stoovoet: stoofhout
Supapu: ventiel                                    Fr soupape
Toernavies: schroevendraaier                    Fr tournevis
Toespelu: sluitspeld
Trekiezur: magneet
Trektuür: tractor                        Fr tracteur
Trekur: aftrekker
Up travoo: op de werf                         Fr travaux
Vakboent: vakbond
Veiliengu: veiling
Verukiekur: verrekijker
Vervu: verf
Vervubustul: verfborstel
Veugulkooöju: vogelkooi
Vielu: vijl
Vienguroeët: vingerhoed
Viezu: vijs
Vintielatuür: ventilator        Fr ventilateur
Visbenu: vismand
Visjhurieë: visserij
Viskaru: viskar
Vismart: vismarkt
Visristorang: visrestaurant
Visvangstu: visvangst
Viswienkul: viswinkel
Vlieëguvangur: vliegenvanger
Vulpenu: vulpen
Vurnis: beschermende stof als bovenlaag    Fr vernis
Vurnisjhun: vernissen
Vuulblek: vuilblik
Vuulkaru: vuilkar
Wasspelu: wasspeld
Wiezur: wijzer
Wulu: wol
Zaagu: zaag
Zeisu: zeis
Zikul: sikkel
Zil: zeil
Zwientju: handveegborstel

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 25: Afmetingen Hoeveelheden Tekeningen Vormen Getallen en Cijfers

Aaänsvul: handvol
Aal bie mukoör: alles bijeen
Aaltoopu: allemaal samen
Akuvietju: kleinigheidje
Aludrieë: alledrie
Alumalu: allemaal
Aluvieëru: alle vier
Alutweeë: alletwee
Aluzessu: alle zes
Anutjusnest (geil dun): alles
Bataklang (geil du): alles
Boogsjheutu: boogscheut
Booörduvul: boordevol
Booört: boord
Breeët: breed
Breuku: breuk
Bridur: breder
Britu: breedte
Budeeëliengu: bedeling
Bunoödriengu: benadering
Buperkiengu: beperking
Busiefurn: becijferen
Buutnmoötu: buitenmate
Deeëlboör: deelbaar
Deeëliengu: deling
Deëëln: delen
Dieëpu: diep
Dinu: dun
Dogtu: de hoogte
Driejoek: driehoek
Duust (1000), twiduust (2000), vuufduust (5000), twientugduust (20.000), oendurtduust (100.000)
Eëlt: helft
Eeën (1), tweeë (2), drieë (3), vieëru (4), vuuvu (5), zesu (6), agtu (8)
Eevun: evenErteëln: hertellen
Geeëlu noop (u): een hele hoop
Geeëlugaaäns: helemaal
Grodur: groter
Grotu: grootte
Gudoeftu: iets log, zeer groot
Ienkul: enkel
Ikstra: extra
In dogtu: in de hoogte.
In du dieëpn: in de diepte

In du langdu: in de lengte
In du vertu: in de verte
Inoet: inhoud
Kart: kwartier, kwart
Kieloomeetur: kilometer
Klieku: kliek
Klindur: kleiner
Langdu: lengte
Lank: lang
Leeëgu: laag
Leksju: likje, laagje (verf bvb)
Letur: weinig
Ligiengu: ligging
Meeër e meeër: steeds meer
Midulienu: middellijn
Midulmoötu: middelmaat
Mieljaar: miljard
Mieljoeën: miljoen
Mielu: mijl
Moötu: maat
Naänsvul (u): een handvol
Neëlt (du of u): de helft
Nieks: niks, niets
Nieëmundalu: niets
Nievoo: peil, hoogte
Noövn (u): een halve
Nuumuroo: nummer
Oendurt (100), twijoendurt (200), driejoendurt (300), vuuvoendurt (500)
Oendurtuust: honderdduizend
Oendurvurdeeëliengu: onderverdeling
Oeneevun: oneven
Oenpoör: onpaar
Oentsiefurn: ontcijferen
Oeveelu keeërs: hoeveel keer
Ofguroent: afgerond
Ofmeetn: afmeten
Ofneemn: afnemen
Ofroendn: afronden
Oftrekn: aftrekken
Ofsplitsn: afsplitsen
Ogtu: hoogte
Olugoöru of Oltugoöru: allemaal samen
Oöf e noöf: half en half, fifty-fifty
Oöfleeg: halfleeg
Oöfvul: halfvol
Oörbritu: haarbreedte
Oovren: overhebben
Oovurvloeët: overvloed
Potlooöt: potlood
Promielu: per duizend
Pursies: precies
Reeku: rij
Rijong: gebied
Rijzu (met): op gelijke hoogte van, gelijklopend met
Rjeën du knots: niemendal     Fr rien
Roendu: rond, toer
Roenduut: ronduit
Santuboetiek: alles wat er samen ligt of samen staat
Siefur: cijfer
Sjharding: kleinigheid
Stief: zee
Stief veelu: zeer veel
Stik: stuk
Stiksju: stukje
Strieëpu: streep
Surieë: reeks
Teeëkniengu: tekening
Teeën en tandur: het een en het ander
Tieënu (10), Eëvu (11), twoavu (12), veeërtieënu (14), vuftieënu (15), zestieënu (16), zeevuntieënu (17), ….
Tis mor u sjhortu grooöt: het is niet groot
Tjokuvul: bomvol
Tsjhildu gi noör: het scheelde geen haar
Tsjhildu moör u sjharding: het scheelde maar een kleinigheid
Tsjhildu mo letur: het scheelde maar weinig
Tseëfstu: hetzelfde
Tunuptelu: met klein overschot, om af te ronden
Tweeënoöf: twee en half
Twoöfnoöf: twaalf en half
Twi man en u peërdukop: weinig volk
Twientug (20), veeërtug (40), fuftug (50), tjestug (60), tjeevntug (70), tachuntug (80), tneegntug (90)
Upteln: optellen
Upteliengu: optelling
Upurvlaktu: oppervlakte
Utsukluts: alles bijeen
Uutdin: uitdunnen
Uutdroöjn: uitdraaien
Uutsjhuuvn: uitschuiven
Vaneënsteëns: over de gehele lijn
Veelvowt: veelvoud
Veugulvlugt: vogelvlucht
Vieërdubl: vierdubbel
Vieërkant: vierkant
Vieëroek: vierhoek
Vooörlatstn: voorlaatste
Vormugeevn: vormgeven
Vormugeeviengu: vormgeving
Vul: vol
Vulang: volhangen
Vulloön: volladen
Vurdeeëliengu: verdeling
Vurdubliengu: verdubbeling
Vurgrooötglas: vergrootglas
Vurgrooötiengu: vergroting
Vurgrooötn: vergroten
Vurmeenugvuldiegiengu: vermenigvuldiging
Vurmindriengu: vermindering
Vuroediengu: verhouding (breuk)
Vuroogn: verhogen
Vuroogiengu: verhoging
Vurvormiengu: vervorming
Vurvormn: vervormen
Vurwiediengu: verwijding
Vurwiedn: verwijden
Vuuvoek: vijfhoek
Wienkulaak: winkelhaak
Winug(u): weinig(e)
Zantju: prentje

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 24: Toestanden

A mukoör ang met aakn e noogn: aan elkaar hangen met haken en ogen
Agturgroent: achtergrond
Agturstu: achterste
Akuwerie: bedoening (een hele)
Ambjaaänsu: stemming
An du noöls brieng: kapot maken
An du noöls komn: kapot aan het gaan
Avaaänsu: vooruitgang
Bataklang: alles wat erbij hoort (negatief)
Biebluuvn: bijblijven
Biejoedn: bijhouden
Binustu: binnenste
Blekn: blinken
Bluuvn: blijven
Boendug: bondig
Boovustu: bovenste
Budekiengu: bedekking
Busjhikboör: beschikbaar
Busjhikiengu: beschikking
Bustoön: bestaan
Buutnguweunu: buitengewoon
Buutnkaaänsu: buitenkans
Buutnstoön: buitenstaan
Buutukant: buitenkant
Buutuleevn: buitenleven
Buutustu: buitenste
Buwoöriengu: bewaring
Da zieëtur lieëf uut: dat ziet er niet goed uit
Dade gi naamu: dat heeft geen naam, dat is ongehoord
Dekiengu: dekking
Derdu ki goe ki: derde keer goeie keer
Deurwikt: doorweekt
Doenkur: donker
Du veugul is goön vlieëgn: de dader is er vandoor
Duustur: duister
Elusteekudoenkur: zeer donker
Flutsu: mislukking, flop
Geeël tanutjusnest: iedereen
Gledug: glad
Groendug: grondig
Gruus: stofferig overblijfsel
Gupateilt zien: er slecht uitzien na ongeval of vechtpartij
Guvinugt: bedorven
Guweunu: gewoon
In du foelu van tvoök: in de massa       Fr foule
In du miezeerju zitn: problemen hebbenIn du naap gulogeert zien: in de aap gelogeerd zijn, slecht af zijn
Ju botn dran vaagn: er je voeten aan vegen
Ju vastoedn antgas: op je weerhouden zijn
Keemul: vergissing
Koentukraafs: ondersteboven
Krempn: krimpen
Krotu en kompajieë: armoede

Kurumul: kruimels, zaagmeel
Lienksju: linkse
Lik oörieng in u tunu: als haringen in een ton, erg dicht op elkaar
Nanutjusnest (u) : een vervelende toestand
Natugeit: nattigheid
Ne nog kient nog kroöju: geen kinderen hebben
Nie mi weetn van wufur oet pieln maakn: geen uitweg meer kennen uit de armoede
Nieëwugeit: nieuwigheid
No du klooötn goan: kapotgaan
O ju ju gat vurbrant moejop du bloörn zitn: wie zijn gat verbrandt moet op de blaren zitten
Oenbuwakt: onbewaakt
Oentknoopiengu: ontknoping
Ofbieng: afbinden
Ofbluuvn: afblijven
Ofsjhafn: afschaffen
Ofwagtn: afwachten
Ofwiekn: afwijken
Ofwisuln: afwisselen
Oenkruut vurgoö nie: onkruid vergaat niet
Oeënvurdieënt: onverdiend
Oeënvurmieduluk: onvermijdelijk
Oeënvurmietboör: onvermijdbaar
Oendurstu: onderste
Omuwisuln: omwisselen
Oöfdooöt: halfdood
Oopunboör: openbaar
Oörmoeë: armoede
Oovrendu: overhoop
Oovroop: overhoop
Oovurbluuvn: overblijven
Oovurdrievn: overdrijven
Oovurgank: overgang
Oovurleeviengu: overleving
Oovursjhaakuln: overschakelen
Oovursloön: overslaan
Oovurwientriengu: overwintering
Optju: hoopje
Ovrendu (aal): overhoop
Rampu: ramp
Regsju: rechtste
Riemram: nutteloze aanvullingen
Sietuuwoösju: toestand           Fr situation
Sleetu: slijtage
Sligt: slecht
Smeeërboeël: smeerboel
Soöj: saai
Spilument: zaak
Stampunduvul: stampvol
Steeg: stijf, niet glad
Stekudoenkur: stikdonkerien
Stienkn van u neuru veru: van ver reeds een slechte geur afgeven
Stooöriengu: storing
Straaliengu: straling
Tagsturstu: het achterste
Tbinustu: het binnenste
Tboovustu: het bovenste
Tbuutustu: het buitenste
Tgot do gin oönu no kroöjn: daar zal geen haan achtur/naar kraaien, niemand interesseert zich daarvoor
Tis aatunt tseëfstu: het is altijd hetzelfde
Tis an/voe du wup: het is verloren, kapot
Tis gin avaaänsu: het brengt niets op
Tis gin vetn: het betekent niet veel
Tis in du sakosj: het is geregeld
Tlienksju: het linkse
Tligdaal oovrendu; ales ligt overhoop
Toedoeën: toedoen
Toeë: toe
Toendurstu: het onderste
Toet nieëtn in: het houdt niets in
Toopangn met aakn en oogn: aan elkaar hangen met haken en ogen
Topoovurklooötn: rommelig
Tradiesju: traditie
Tregsju: het rechtste
Tshjildu mor u noör: het scheelde maar een haar
Tsjhildu mor u sjharding: het kwam maar op een kleinigheid aanTweëns deuru: dwars door
Tvooörstu: het voorste
Tzieë zwart van tvoök: het ziet zwart van het volk
U busjheetn komisju: een netelige kwestie
U sjheetu in u netzak: een storm in een glas water
Up u vrimdu: weg van zijn land, van thuis
Utsukluts: boeltje
Vastugroejn: vastgroeien
Veruguvordurt: vergevorderd
Veruguzogt: vergezocht
Veuzun: smeulen
Vieng: vinden
Vogtugeit: vochtigheid
Voldoeëndu: voldoende
Vooörnen: voorhebben, gebeuren
Vooörnvoln: voorvallen
Vooörstu: voorste
Vooörtbrieng: voortbrengen
Vorsbustoön: blijven bestaan
Vorsdeurn: voortduren
Vulweërdug: volwaardig
Vurandriengu: verandering
Vurasiengu: verrassing
Vurdin: verdunnen
Vurduustriengu: verduistering
Vurfrisjhiengu: verfrissing
Vurfient: verfijnd
Vurkeeërt: verkeerd
Vurlooörn: verloren
Vurmoeëduluk: vermoedelijk
Vurnestult: verstrikt
Vurnieëwiengu: vernieuwing
Vurnowiengu: vernauwing
Vursjherpn: verscherpen
Vursjhien: verschijnen
Vursjhoepurt: verschroeid
Vurslapiengu: verslapping
Vursnipuriengu: versnippering
Vursoepliengu: versoepeling
Vursperiengu: versperring
Vurspreidiengu: verspreiding
Vursterkiengu: versterking
Vurvangiengu: vervanging
Vurvesjhiengu: verversing
Vurwagtiengu: verwachting
Vurwariengu: verwarring
Vurwarmiengu: verwarming
Vurwisuliengu: verwisseling
Vurwisuln: verwisselen
Vurzaamuliengu: verzameling
Vurzaamuln: verzamelen
Vurzaamulplatsu: verzamelplaats
Vurzetn: verzetten
Vurzogtn: verzachten
Vurzwakiengu: verzwakking
Vurzwoöriengu: zwaarder maken
Woendur: wonder
Zwienuboeël: chaos

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 23: Persoon – Soorten Nationaliteiten

Aaänguspoeëldn: tweede verblijver
Agturkomurtju: nakomertje
Ameeriekoön(dur): Amerikaan
Baakurmatu: bakermat
Bergbuweunur: bergbewoner
Bojeemur: zigeuner
Broeëru: broer
Bulastiengbutaalur: belastingbetaler
Burgur: burger
Burgurbuvoökiengu: burgerbevolking
Burgurieë: burgerij
Buroemteit: beroemdheid
Busjhermulienk: beschermeling
Buutulant: buitenland
Buutulandur: buitenlander
Buvoökiengu: bevolking
Buvoökiengssiefur: bevolkingscijfer
Dakloozun: dakloze
Drieëlienk: drieling
Du voentusmet en: aarden naar zijn peter of meter
Duuts: Duitser
Fraaänsman: Fransman
Grotmoeëdru of grooötmoeëdru: grootmoeder
Grotvoödru of grooötvoödru: grootvader
Ieleegaaln: illegale, die onwettig in ons land verblijft
Iengulsman: Engelsman
Ietaljoöndur: Italiaan
Indjoön: indiaan
Japanees: Japanner
Joeëns: kinderen
Joengn: jongen
Joenk: meisje
Joengkeit: jongeling, jongman
Joenkman: niet-getrouwde man
Kafeekenesu: iemand die men kent uit het café
Kakurnesju: de jongste van een reeks broers en/of zusters
Kalant: cliënt
Kamuroöt: kameraad
Kenesu: kennis
Kleeënzeunu: kleinzoon
Kniïkur(s): kind(eren)
Koekutieënu: lief, schatje, minnares
Komisjunoöries: boodschapper

Kozien: kozijn, neef
Lantloopru: landloper
Mamzil: mademoiselle, juffrouw
Manumeëns: mannelijk persoon
Meëns: mens
Metu: grootmoeder of meter
Metulap: meter tweede of derde keuze
Moeëdru: moeder
Moku: meisje/vriendin
Moöt: maat, kameraad
Mumee: oma
Nieëwulienk: nieuweling
Niepooörtunoöru: Nieuwpoortenaar
Noenklu: nonkel, oom
Noökomulienk: nakomeling
Oedur: ouder
Oedu doozu: oude vrouw       =>  u noedu doozu
Oedu vint: oude man
Oet wuuf: oude vrouw
Ofstamiengu: afstamming

Ofstamn: afstammen
Ofstamulienk: afstammeling
Olandur: Hollander
Oöfbroeëru: halfbroer
Oöfzustru: halfzuster
Oomoo: homosexueel
Oöngaar: Hongaar
Oosturiekur: Oostenrijker
Oovurgrotmoeëdru: overgrootmoeder
Oovurgrotvoödru: overgrootvader
Opkomurtju: opschieteling
Ostendunoaru: Oostendenaar
Petu: grootvader of peter
Poolu: Pool
Portuugees: Portugees
Preematuur: vroeggeborene
Pupee: opaPurnukul: klein mannetje/kindje
Rasiest: racist
Ruus: Rus
Sjhooönbroeëru: schoonbroer
Sjhooöndogtru: schoondochter
Sjhooönmoeëdru: schoonmoeder
Sjhooönvoödur: schoonvader
Sjhooönzeunu: schoonzoon
Sjhooönzustru: schoonzuster
Sjhreevu: grens tussen 2 landen
Sjienees: Chinees
Sjhot: Schot
Sjokoo: homoseksueel
Spanjoört: Spanjaard
Stiefdogtru: stiefdochter
Stiefmoeëdru: stiefmoeder
Stiefvoödru: stiefvader
Stiefzeunu: stiefzoon
Suultang: sultan
Toeriest: toerist
Tweeëlienk: tweeling
Upurooft: opperhoofd
Upshieëtulienk: opgroeiend kind
Vintju: manneke, troetelnaam voor echtgenoot
Vintn: venten
Vlaamienk: Vlaming
Vlieëgtuugpasazjieër: vliegtuigpassagier
Vlugtulienk: vluchteling
Voödru: vader
Vooörntrekn: voortrekken, bevoordeligen
Vooöroedur: voorouder
Vooörtzegn: verderzeggen
Vooörzitur: voorzitter
Vorstnpoör: vorstenpaar
Vrieëndinu: vriendin
Vrieënduluk: vriendelijk
Vrieënt: vriend

Vrieguzel: vrijgezel
Vrimdu: allochtonen of personen die hun vakantie aan de kust doorbrengen
Vrimdulienk: vreemdeling
Vromeëns: vrouw
Vrovoök: vrouwvolk
Vulwasn: volwassen
Vulwasunu: volwassene
Vurasiengu: verassing
Vurwuuft: verwijfd
Waalu: Waal
Weewoöru: weduwnaar
Weewu: weduwe
Weezu: wees
Wuuf: vrouw, wijf
Wuuvutju: vrouwtje
Wuuvn: vrouwen
Zeunu: zoon
Zustru: zus
Zweet: Zweed
Zwitsur: Zwitser

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 22: Natuur Hemellichamen Milieu Verschijnselen Weersomstandigheden

Aaguln: hagelen
Aagulsteeën: hagelstenen
Baagumesu: zeer slecht weer met storm; men zegt dat de paling dan aan de oppervlakte zwemt
Baromeetur: barometer
Bietndu koet: het is erg koud
Biet vieër oj koet et: bijt vuur als je koud hebt
Bloeëdeeët: bloedheet
Buutn: buiten
Buutn (du): buiten(de)
Buutntempurateuru: buitentemperatuur
Buvang: bevangen
Daglugt: daglicht
Diekdeurbraaku: dijkdoorbraak
Dooötvrieëzn: doodvriezen
Driefzant: drijfzand
Drogtu: droogte
Du zunu sjhienkt: de zon schijnt
Dundurn: donderen
Eemul: hemel   => du neemul: de hemel
Eërtbeeviengu: aardbeving
Eeët: heet
Eevunoöru: evenaar
Erfst: herfst
Erfstweeru: herfstweer
Ies: ijs
Ieskoet: ijskoud
Iezuln: ijzelen
Grooötu beër: grote beer
Kliemoöt: klimaat
Kliemoötvuranduriengu: klimaatverandering
Koet: koud
Leeëgwoötur: laagwater
Lentuweeru: lenteweer
Lentuwirtju: lenteweertje
Lugt: lucht
Meewient: wind van achter
Miljeuvrieënduluk: milieuvriendelijk
Moönsvurduusturiengu: maansverduistering
Moönu: maan
Moönusjhien: maneschijn
Molujoeng reegn: zeer hard regenen
Nateuru: natuur
Nooördn: noorden
Oavu moönu: halvemaan
Oenweeru: onweer
Omuwoöjn: omwaaien
Oogwoötur: hoogwater
Ooöstn: oosten
Oovurstroomiengu: overstroming
Oozonlaagu: ozonlaag
Orkoön: orkaan
Planeetu: planeet
Puupusteërtn: pijpenstelen (regen)
Reegn: regenen
Reegnvlaagu: regenvlaag
Riem: rijm
Rutuln van du koedu: bibberen van de kou
Salaavlaagsju: korte regenvlaag, juist voldoende om de salade de besproeien
Seejootweeuutstoot: CO2-uitstoot
Sjheemuriengu: schemering
Sjhien: schijnen
Sjhowtu: schaduw
Sjhooön weeru: mooi weer
Slagwoötur gieëtun: zeer hard regenen
Sligt weeru: slecht weer
Smooör: mist
Smuuk(n): motregen(en)
Sneeëw: sneeuw
Sneeëwstormu: sneeuwstorm
Sneeëwvint: sneeuwman
Sneeëwvlaagu: sneeuwvlaag
Sneeëwvlokn: sneeuwvlokken
Spriengtieë
Steekudoenkur: zeer donker
Steru: ster
Stikeeët: stikheet
Stormu: storm
Stormopzeeë: storm op zee
Tis kerumesu in delu: het regent maar de zon schijnt erdoor
Tis koet wi: het is koud, weet je
Tis twientug groön: het is twintig graden warm
Treegnt oedu wuuvn: het regent oude wijven
Trek: tocht  door de wind
Trekgat: waar het bijzonder erg tocht
Trekn: tochten
Trekt ier: het tocht hier
Trekt up: het (weer) klaart op
Tsjhilt u vestu: warmer of kouder dan voorheen
Tsoenaamie: tsunami
Tun uutkantu: op de buiten
Tuusvuul: het huisvuil
Tvoln van du bloörn: het vallen van de bladeren
Tvrieëst dat krakt: het vriest dat het kraakt
Tzunutju doet deugt: het zonnetje doet deugd
Upwarmiengu van deërdu: opwarming van de aarde
Uutzigtu: uitzicht
Vastuvrieëzn: vastvriezen
Vlaagu: vlaag
Vostsjhaa: vorstschade
Vrieëzn: vriezen
Vrieëskoedu: vrieskoude
Vulu moönu: volle maan
Vurdrienkn: verdrinken
Vurkoedn: kouder worden
Vurniengt: vergif
Vurstievn: verstijven
Vurwarmiengu: verwarming
Vuulkaru: vuilniswagen
Vuulkoön: vulkaan
Vuulugeit: vuiligheid
Waktu: vochtigheid
Weeru: weer
Weerlugt: bliksem
Wervulwient: wervelwind
Westn: westen
Wiendagtur: wind mee
Wiendup: wind op kop
Wiendagtur: rugwind
Wient: wind
Wientstootu: windstoot
Wientureuru: winteruur
Wienturmoönt: wintermaand
Wienturtiet: wintertijd
Wienturweeru: winterweer
Woöjn: waaien
Woöku: wolk
Zandstormu: zandstorm
Zeeëwient: zeewind
Zieduwient: zijwind
Zigtboörijt: zichtbaarheid
Zoomureuru: zomeruur
Zoomurtiet: zomertijd
Zoomurweeru: zomerweer
Zoomurwient: zomerwind
Zoomurwirtju: zomerweertje
Zunsvurduusturiengu: zonsverduistering
Zunu: zon
Zunubrant: zonnebrand
Zunubril: zonnebril
Zunusjherm: zonnescherm
Zuudn: zuiden

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten