Naar de inhoud

Woordenboek Westends Dialect

Laten we dat niet verloren gaan
seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Woordenlijst Nr 5: Persoon – eigenschappen/gebreken

Aapujoenk: meisje dat het zotje uithangt
Aapukalu: iemand die ’t zotje uithangt
Aapukop: apenkop
Alkoliekur: alcoholicus
Aluweetur: allesweter, wijsneus
Ankurn: bedelen
Babuletu: babbelaarster
Babuloöru: babbelaar
Barong: baron
Baronesu: barones
Barzju: gildig vrouwmens
Bastoört: bastaard
Bedupisur: iemand die nog in zijn bed plast
Beedloörieë: bedelarij
Beedloöru: bedelaar
Beeduln: bedelen
Bieërdrienkur: bierdrinker
Blaguür: stoefer, opschepper                    Fr blageur
Blagoöjmaakur: blagaaimaker, opschepper
Bleët(u)koesu: iemand die veel weent
Bleëtur: die veel klaagt
Bloeëtzuugur: bloedzuiger
Bloentju: blondje
Bloentu: blonde
Bloözur: opschepper
Blutsukakur: bloodaard
Boeërudogtru: boerendochter
Boeërumeëns: boerenmens
Boeërunofkomstu: boerenafkomst
Boeëruvoök: boerenvolk
Boeëruzeunu: boerenzoon
Boeëzumvrieënt: boezemvriend
Boemuloöru: boemelaarBoerinu: boerin
Boertju: boertje
Booönustaaku: bonenstaak
Boturiek: botterik
Brakuvoök: volk dat in een barak woonde, maar dan met negatieve ondertoon
Broeksjhietur: bangerd
Broekvaagur: die zich niets aantrekt
Broekvintju: broekventje
Brokuloöru: sukkel, onhandige, knoeier
Bruutzak: bruute persoon
Budorvn sjheetu: fel bedorven kind
Budrieëgur: bedrieger
Bugunulienk: beginneling
Bujoört: bejaard
Buklopt: gek
Bulubak: bullebak
Bunowduriek: bangerik
Buslagmaakur: beslagmaker
Buukspreekur: buikspreker
Buutubintju: buitenbeentje
Buutumeëns: buitenmens
Buwoenduroöru: bewonderaar
Deugnieët: deugniet
Deugnietrieë: bedrog
Deurubietur: iemand die niet snel of zelfs nooit opgeeft
Deurudroöjn: niet meer bij zijn verstand zijn
Deurujaagru: iemand die veel eet en toch niet dik wordt
Dikudeëvur: iemand die veel kan eten
Dikuneku: hoovaardig mens
Dikzak of Vetzak: zeer dikke persoon
Domuklooöt: dommerik
Domukoentu: dom meisje
Domuriek: dommerik
Domutrienu: domme vrouw
Dooödeeërluk: doodeerlijk
Dooödoörmu: doodarm
Dooöt: dood
Dopur: stempelaar
Droengku: zat, bedronken
Droengku lutu: dronken vrouw
Droengkuleëtu: vrouw die veel drinkt
Droengkoört: dronkaard
Droevoört: stouterik
Duumuzuugur: duimzuiger
Duuflinu: duivelin
Dweësligur: dwarsligger
Dwoözu kalu: dwaas, dom vrouwmens
Eeënboög: egoïst
Eksuvel: onsympathieke vrouw
Ertufretur: hartenvreter
Ertulukn (un): een hartelijke, rare
Fanatiekur: fanaticus
Fieloe: leperd             Fr filou
Fientug: smal, slank
Fiesjow: lepe man
Flapuut: iemand die er zo maar alles uitsmijt wat hij/zij denkt
Flowuriek: flauwerik
Foefuln: prutsen
Foefuloöru: prutser
Fortzak: vuilaard
Frankutootu: brutaal in uitspraken
Frutsuloöru: die overal graag aan prutst
Galjaar: durver, deugniet        Fr gaillard
Gasgeeëtu: vrouw waarvoor men geen sympathie heeft
Gatlekur: vleier
Geeëstugoört: komiek
Geltjoodu: gierigaard
Gin klooötn weërt zien: niets waard zijn
Gildugoört: dik iemand
Gledur: kletskop
Grapugoört: grappenmaker
Gustamtu boeër: onbeleefderik
Guweldugoört: geweldenaar
Iezurbietur: norse introverte man
Joengu dogtru: ongehuwde vrouw
Kakmadam: hooghartige vrouw
Kakurnest: laatst geboren kind
Kalu: scheldnaam voor domme, onhandige vrouw
Karotjee: plantrekker
Kastaar: durver
Kazakudroöjur: kazakdraaier, iemand die steeds zijn mening wijzigt voor wat hem of haar het bes uitkomt
Kepu of kepukientju: lieveling (die je het liefste hebt)
Kieëkn zoendur kop: iemand die onbesuisd te werk gaat
Kienukalu: met kinderachtig gedrag
Kiesak: vuilaard, viezerik
Kiesakrieë: smeerlapperij
Kletsukoesu: die veel babbelt
Kloefu: klomp of domme vrouw
Kloefukapur: domme man, lomperik
Kloekuboetn: gespierde man
Klotzak: klootzak
Klow: clown
Klugtugoört: komieke man
Kluntn: lomp en onhandig persoon
Kluutubietur: gierig mens
Knegtubraku: meisje met jongensmanieren
Koboj: cowboy
Kodugoört: plezante man
Koekulul: te braaf, die zich laat doen
Koerskeemul: domme man
Komeeru: roddelaarster
Komeern: roddelen
Kop oovur klootn: een niemendal
Krabukookur: idioot
Krabur: die niet veel kan
Krapuul: uitschot, tuig               Fr crapule
Krebubietur: iemand die niet veel heeft of bezit
Krieëpn: zeuren
Krieëpu: iemand die altijd zeurt of klaagt
Kul: zever
Kurjeuzuneuzu of kurjeusneuzu: nieuwsgierige van aard                 Fr curieux
Kweenu: vrouw die geen behoefte heeft aan een man
Kwiestubiebul of kwiestunbiebul, lichtjes op zijn kop gevallen, niet ernstig te nemen persoon
Langu swiesul: lange slungel
Leeëpn (u): een lepe, sluwe
Leegoört: luierik
Lul: schoelie
Lutu: karakterloos vrouwmens
Luuzug: luizig, lui
Luuzugoört: luierik, smeerlap
Luuzuvestu: luierik
Maboel: gek                              Fr maboul
Masjhur: schijnheiligaard
Meëkmuulu: melkmuil
Moeftu: onsympathiek mens
Moejal: moeial
Moodupupu: modepop
Mooösjhur: die dom doet, niet ernstig persoon
Munoözjuwuuf: huisvrouw
Muulutrekur: schijnheiligaard
Naagulbietur: nagelbijter
Naamu: naam
Neeëmboög: egoïst
Neetubuk: eigenzinnig persoon
Nieëweërt: persoon die niets waard is
Nu zoet u frang in tweeën bieten: hij is zeer gierig
Oedn: oude
Oedu doozu: oude vrouw
Oedurdom: ouderdom
Oedujoengudogtur: oude vrijster
Oeënguluk: ongeluk
Oeërujoenk: jong en lichtzinnig meisje
Oeërusjaaänsu: veel geluk
Oendurkruupur: onderkruiper
Omukomn: omkomen
Oördugoört (un): een rare
Oörmoeëzoöjur: iemand die niets heeft
Panulatu: lange, dunne man
Parogjustieër: die in de parochie bekend staat als iemand die zot is van de vrouwen
Pasjakroet: iemand die lui is en het werk door andere laat doen
Peezuweevur: die op alles iets aan te merken heeft
Piekuzot: zot, dwaas, clown
Pietzak: iemand die veel geluk heeft
Pluku zot: helemaal niet meer bij zijn/haar verstand
Potuul: zeer dom mens
Pregu: gierige vrouw
Preus: trots
Preus lik veeërtug: zeer trots
Profietugoört: iemand die op zijn centen kijkt
Purluut: onbenullig persoon
Reeëwol: die niet kan stilzitten
Rieftjuraftju: gemeen volk
Rotzak: smeerlap
Rutuloöru: iemand die graag en veel reclameert
Rutuln i ju vel: zeer mager zijn
Seutu: dom vrouwmens
Sinkurduping: vitter, slechtgezind persoon
Sinkurpingkun: zijn slecht humeur uiten
Sjaaänsaar: gelukzak, geluksvogel, bofkont                 Fr chançard
Sjheeëvu lavabo: niet normale
Sjhermienkul: lelijke vrouw
Sjhienilugoört: schijnheiligaard
Sjhietur: schijter, bangerik
Sjhooönu moku: mooi meisje
Sjhurtugoört: iemand die ontstuimig, wild is
Sjhuuwu burgur: wildebras
Sjhuuwu tutu: vrouw die graag uitgaat
Sjieku tiepn: deftige heren
Sjiesjie en kaka: hoovaardigheid, stoefen
Slaavutju: slaafje
Slaavu: slaaf
Slak: lenig
Slakn (u): iemand die lenig is

Slepudraagur: persoon zeer aanhankelijk tegenover baas, meerdere
Slibudilu: die met vele verschillende mannen optrekt
Slimsowsu: ‘slimme’ ironisch bedoeld
Sloöru: meelijdenwekkende vrouw
Sluünsu: vod of onverzorgde vrouw van lichte zeden
Smeërlap: smeerlap
Smeërlaprieë: smeerlapperij
Smoeëltrekur: die schijnheilig doet
Smoetzak: vuilaard
Snelu poeëzu/moku: mooi meisje
Snetsu: levendig meisje dat graag babbelt
Sneukulgat: snoeper
Sneukuloöru: die graag snoept
Snotneuzu: verwijt naar jonge man of kind
Soepukieëkn: iemand die graag zwanst, flauwerik
Spekujoodu: gierigaard
Stiengkoört: stinkerd
Stoet: stout
Stoetugeit: stoutheid
Stokoet: stokoud
Stopuzot: compleet gek
Stroentraapur agtur du tring: nietsnut, laagste van alle beroepen
Stroötudrendul: die graag uithuizig is, niet graag thuis blijft
Stuutusjhooöjur: boterhammenbedelaar, arme
Subututu: seut
Sukuloöru: sukkelaar
Teëtuweëtu: babbelkous
Teevu: teef, scheldnaam voor een vrouw
Tetulokur: zwakkeling, die nog teveel afhangt van zijn moeder
Tis asan u ditju of u datju: die weet altijd iets aan te merken
Tis gin tu rapn. het is geen te slimme
Tjieputjow: rare, komisch
Tjoeëtn: rare
Tjootuloöru: sukkelaar
Toörtuklooj: onnozelaar, idioot, kwibus
Tootutrekur: schijnheiligaard, huichelaar
Torudroöjur: iemand die gemakkelijk van gedachte verandert 
Truntu of truntukoesu: die met alles inzit
Tu
dom voer ooi teetn: zeer dom
Tutu: vrouwmens
U dwoözu gasgeeëtu: een domme grasgeit
U maaguru tetienk: zeer mager persoon
U noedu joenkijt: vrijgezel op zekere leeftijd
U tangu van u wuuf: een zeer onvriendelijke vrouw
U viezu napostul: onberekenbaar persoon
Uutbliengkur: uitblinker
Uutooörn: uithoren
U
uturstu bestu doeën (zun): zijn uiterste best doen
Utwieën aaln met du witu perutjus: iemand naar het gekkenhuis brengen
Vaaguboent: vagebond
Veugullieëfebur: vogelliefhebber of iemand die graag de liefde bedrijft
Vislutu: vrouw die werkt in de visnijverheid
Visjhursvrowu: vissersvrouw
Viswuuf: viswijf
Voeëtgangur: voetganger
Voeëtspooör: voetspoor
Voeëtstik: voetstuk
Voeëtvoök: voetvolk
Volsjhoört: valsaard
Voöksjoeng: volksjongen
Vooörgangur: voorganger
Vooörguslagt: voorgeslacht
Vooörnaamu: voornaam
Vraagsteeërt: die veel vragen stelt
Vriemetsuloöru: vrijmetselaar
Vroetzak: gierigaard
Vrowuluk: vrouwelijk
Vurjoeng: verjongen
Vuroödur: verrader
Vuulumuulu: iemand die graag vuile praat vertelt
Vuuluwulu: iemand die niet zorgzaam is op zichzelf
Vuuloört: onverzorgde mens
Weegoördu: gelijkgestemde
Winoöru: winnaar
Wuuvuzot: die graag de vrouwtjes ziet
Zaagu: zaag
Zakzeeëkur: flauw, raar persoon, zeveraar
Zeeëvroöru: zeveraar
Zet u muulu va lintjus: ze babbelt zeer veel
Zeuroöru: bedrieger in ’t spel
Zurkultrutu: onsympathiek mens
Zuupsjheutu: die veel drinkt
Zuupteeëlu: die veel drinkt
Zwiekzwak: lang, mager persoon
Zwienusjhoeë: nietdeug
Zwoöpei: persoon die de reputatie heeft zich vaak doelloos en/of in beschonken toestand van hier naar daar te begeven (of van café naar
              café)
Zwoötuloöru: zonder werk of toekomst

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 4: Beroepen Werklust Handigheden Handelszaken

Aaänsteliengu: aanstelling
Aalmoezunieër: aalmoezenier
Aavunmeeëstur: havenmeester
Aavunwerkur: havenwerker

Agturmaakn: namaken
Akrobaat: acrobaat
Akrobaatu: acrobate
Amtunoöru: ambtenaar
Anbieëdiengu: aanbieding
Antiekanduloöru: antiekhandelaar
Antiekbeuzu: antiekbeurs
Apoteekur:apotheker
Arsjievoöries: archivaris
Anduloöru: handelaar
Anisteeziest(u): anesthesist(e)
Antaavu (deug nie): geen handeling hebben van iets (van handhaven)
Antiekiïr: antiquair
Arsjietikt: architect
Arsjietikt voe du nof: tuinarchitect
Artiest-u: artiest-e
Astronowt: astronaut
Avukoöt(u): advokaat/ advokate
Azjent: agent
Baarkieëpur: barman
Baarman: barman
Baarmijsju: barmeisje
Baarmijt: barmeid
Badmeeëstru: badmeester
Bagurbudrief: baggerbedrijf
Bagurn: baggeren
Bakur: bakker
Bakurieë: bakkerij
Bakn: bakken
Baletdaansur: balletdanser
Baletdaansuresu: balletdanseres
Bandufabriekant: bandenfabrikant
Bankbudieëndu: bankbediende
Bankdieriktuür: bankdirecteur
Banketbakur: banketbakker
Bankieër: bankier
Bareeëlwagtru: bareelwachter
Bazinu: bazin
Beeënowur: beenhouwer
Beeënowrieë: beenhouwerij
Beeëstudokteur: veearts
Beeëstukopman: beestenkoopman
Beeëstumart: beestenmarkt
Beeltowur: beeldhouwer
Bergiengsbudrief: bergingsbedrijf
Bergiengu: berging
Biebliejoteekoöries: bibliothekaris
Biedjop: bijjob
Bieërbrowur: bierbrouwer
Bieërbrowurieë: bierbrouwerij
Biejoloog: bioloog
Biejoloogu: biologe
Biejuus: bijhuis
Biekoopn: bijkopen
Bijoördieër: beiaardier
Binudieënst: binnendienst
Binusjhipur: binnenschipper
Blomanduloöru: bloemenhandelaar
Blomukweeëkur: bloemenkweker
Blomukweeëkurieë: bloemenkwekerij
Blomuwienkul: bloemenwinkel
Boeër: boer
Boeërdurieë: boerderij
Boeëruboent: boerenbond
Boeërumart: boerenmarkt
Boefur: beroepsmilitair
Boekandul: boekhandel
Boekanduloöru: boekhandelaar
Boekbiendur: boekbinder
Boekiengu: boeking
Boekuwienkul: boekwinkel
Boekoedur: boekhouder, accountant
Boekuutgaavu: boekuitgave
Boekuutgeevur: boekuitgever
Boekuutgeevurieë: boekuitgeverij
Boerinu: boerin
Bojkot: boycot
Boomkweeëkur: boomkweker
Boomkweeëkurieë: boomkwekerij
Booöriengu:boring
Boös: baas
Bordeeël: bordeel
Bordeeëloedstur: bordeelhoudster
Bordeeëloedur: bordeelhouder
Bordeurn: borduren
Boswagtru: boswachter
Bowbudrief: bouwbedrijf
Bowkundugeënzjeenijeur: bouwkundig ingenieur
Bowkundug teeëkunoöru: bouwkundig tekenaar
Bowvakur: bouwvakker
Bowvurlof: bouwverlof
Bradurieë: braderie
Brankardieër: brankardier
Brantblusjhun: brandblussen
Brantweerman: brandweerman
Briekubakur: arbeider in steenbakkerij
Briekurieë: steenbakkerij
Brooötwiniengu: broodwinning
Budieëndu: bediende
Budieënoöru: bedienaar
Budrief: bedrijf
Budriefsfeeëstu: bedrijfsfeest
Budriefslijdur: bedrijfsleider
Budriefsluutiengu: bedrijfssluiting
Budriefsuutbrijdiengu: bedrijfsuitbreiding
Budriefsvestugiengu: bedrijfsvestiging
Budriefszeetul: bedrijfszetel
Bugangur: behanger
Bugraaviengsoendurneemur: begrafenisondernemer
Bujoördunelpstur: bejaardenhelpster
Bujoördunvurzorgstur: bejaardenverzorgster
Bulastiengkontroluür: belastingscontroleur
Bunoemiengu: benoeming
Bunoemn: benoemen
Buoefn: beoefenen
Buooördeeëln: beoordelen
Burgurbusjhermiengu: burgerbescherming
Buroepsleevn: beroepsleven
Busjhilduriengu: beschildering
Busteldieënst: besteldienst
Busteliengu: bestelling
Butlur: butler
Butrekiengu: betrekking
Buturmart: botermarkt
Buuroo: bureau, mensen die er werken
Buuroosjif: bureauchef
Buutusmietur: buitenwipper
Buvoegtijt: bevoegdheid
Buvorduriengu: bevordering
Buwaakiengsdieënst: bewakingsdienst
Buwaakiengu: bewaking
Daaänsleeëroöru: dansleraar
Daaänsleeëroresu: danslerares
Daaänssjhoolu: dansschool
Dacheuru: dagloon
Dasjhun: dorsen
Dasmasjienu: dorsmachine
Deediktievu : detective
Deekoratuür: decorateur                             Fr décorateur
Deekoratriesu : decoratrice
Deurbooörn: doorboren
Deuruvurkoopn: doorverkopen
Deurwoördur: deurwaarder
Dieën: dienen
Dieënst: dienst
Dieënstmijsju: dienstmeisje
Dieënsttiet: diensttijd
Diejamantanduloöru: diamanthandelaar
Diejamantiïr: diamantair
Diejeetiest-u: diëtist-e
Dieplomoöt: diplomaat
Dieskzjoki: diskjockey
Dikuroösju: eervolle onderscheiding
Doewanieër: douanier
Doewoönu: grenswacht                       Fr douane
Dokteur: arts, dokter
Dokturesu: vrouwelijke dokter
Dopn: stempelen, gesteund worden met werklozensteun
Dopur: diegene die stempelt
Drogiest: drogist
Droogurieë: drogerij
Droöjbank: draaibank
Droöjur: draaier
Drukur: drukker
Drukurieë: drukkerij
Dur me ju klaku no smietn: er met je pet naar gooien, niet je best doen
Dur nie veelu an dooötdoeën: niet veel uitrichten
Dur u potju van maakn: er niet veel van terecht brengen
Dur weunt gin boeër zolangu up zu nerf of datie werkn deurn: er is geen boer die zo lang op zijn erf woont, als die werken duren
Eedoflegiengu: eedaflegging
Eënfiermjee: verpleger                   Fr infirmier
Eënzjienjuür: ingenieur                   Fr ingénieur
Eeëruboeër: herenboer
Eigunandug: eigenhandig
Eigunoöru: eigenaar
Eigunoresu: eigenares
Erbergieër: herbergier
Ersteëln: herstellen
Ervoörn: ervaren
Faktuür: postbode                                                 Fr facteur
Fasoödukletsur: huisschilder
Fietrienu: vitrine
Fikuln: knutselen
Fielmreezjieseur: filmregisseur
Foetbaliest: voetballer
Foetbaltrijnur: voetbaltrainer
Fototrekur: fotograaf
Gardu: veldwachter
Garazjiest: garagehouder
Garsong: ober, opdiener
Gazetumarsjang: krantenverkoper
Gazetuwienkul: dagbladenhandel
Geejoloog: geoloog
Geemiekuus: chemicus
Gieneekoloog: gynecoloog
Glasbloözur: glasblazer
Gloözumaakur: glazenmaker
Gloözuwasjhur: glazenwasser
Goetsmit: goudsmid
Goochuloöru: goochelaar
Graafiekuus: graficus
Graafies oentwerpur: grafisch ontwerper
Grafdelvur; grafdelver
Griefieër: griffier
Groönanduloöru: graanhandelaar
Groeënsulmarsjang: groentehandelaar
Grooöt woörunuus: grootwarenhuis
Grooötandul: groothandel
Grooötanduloöru: groothandelaar
Grooötu boös: grote baas
Gukuust: gekuist
Guvangbuwoördur: gevangenisbewaarder
Iemkur: bijenhouder
Iestooriekuus: historicus
Iezurbiendur: ijzerbinder
Iezurmarsjang: ijzerhandelaar
Iezurvlegtur: ijzervlechter
Iezurwienkul: ijzerwinkel
Iïnstruumentumaakur: instrumentenmaker
Ijurboeër: eierboer
Ilutriesjeën: electricien
Ikspiïr: expert
Jagtupzigtur: jachtopzichter
Ju botn ofdroöjn: zeer hard werken
Ju kietn iïnsmoetn of iïnsmeërn: zich goed voorbereiden op iets
Ju kl… ofdroöjn voe dun drol: hard werken zonder dat het resultaat oplevert
Juudooleeëroöru: judoleraar
Kafee: café
Kafeebazinu: cafébazin
Kafeeboös: cafébaas
Kafeeoedur: caféhouder
Kalant: cliënt
Kamiejonuür: vrachtwagenchauffeur
Kamuraman: cameraman
Kamuravrowu: cameravrouw
Kardiejoloog: cardioloog
Kartjuknipur: kaartjesknipper op tram of trein
Keunuginu: koningin
Keunienk: koning
Keurmeeëstru: keurmeester
Kieneeziest: kinesist
Kisjiïru: kasbeheerster                   Fr caissière
Klandiezu: geheel van cliënten
Klantukoörtu: klantenkaart
Kleeërmaakr: kleermaker
Kleuturlijtstur: kleuterleidster
Kloefukapur: klompenmaker maar ook iemand die niet echt slim is
Kloefumaakur: klompenmaker
Klokumaakur: klokkenmaker
Klow in du sierk: circusclown
Koeruür: renner
Koetsieër: koetsier
Komersju: handel
Komersju doeën: handel drijven                     Fr commerce
Komirsant(u): handelaar(ster)                        Fr commerçant
Komisju: boodschap     => u komisju doeën: een boodschap doen
Komputeënsju: competentie                         Fr compétence
Konduuktuür: begeleider van tram of trein        Fr conducteur
Koönzjee: verlof                                  Fr congé    
Koönsjirzju: huisbewaarder                   Fr  concierge
Koolmarsjang: kolenhandelaar
Koolmienu: koolmijn
Kongkuureënsju: concurrentie
Koösmaakur: kaasmaker
Koösmarsjang: kaashandelaar
Koreejoograaf(u): choreograaf/choreografe
Kroönumazjieniest: kraanmachinist
Kroepjee: croupier
Kruudunier(stur): kruidenierster
Kurwiju: karwei
Kuumuul: cumul
Kuünstshildur: kunstschilder
Kuusjhiengu: opruiming
Kuusjhun: kuisen
Kuuswuuf: werkvrouw, kuisvrouw
Kwafeusu: kapster                                         Fr coiffeuse
Kwafuür: kapper                                        Fr coiffeur
Laborant: laborant
Lantmeetur: landmeter
Lantwerkur: landarbeider
Lasur: lasser
Leeëroöru: leraar
Leeëroresu: lerares
Loots: loods
Loogoopeediest: logopedist
Looötgieëtru: loodgieter
Lugtvurkeeërslijdur: luchtverkeersleider
Maakuloöru: makelaar
Magazien: magazijn
Magazienieër: magazijnier
Manazjur: manager
Maniekeuru: manicure
Manukeën: mannequin
Marsjang: handelaar          Fr marchand
Marktkraamstur: marktkraamster
Martkraamur: marktkramer
Masuür: masseur
Masjieniest: machinist
Matrooözu: matroos
Mazoetmarsjang: mazouthandelaar
Meëkboeër: melkboer
Meëkurieë: melkerij
Meëkroendu: melkronde
Meekaniesjieën: mecanicien, werktuigkundige
Meekaniekur: mecanicien
Meeteereejoloogu: meteoroloog
Mesusliepur: messenslijper
Metsnoörsdieëndur: metsersdiender
Metsnoöru: metser
Meubulmaakur: meubelmaker
Meuln: molen
Meulunoöru: molenaar
Midunstandur: middenstander
Mieniestru: minister
Mieneënzjienjuür: mijningenieur
Mienuwerkur: mijnwerker
Mitaalbuwerkur: metaalbewerker
Model: model
Modirniezeeriengu: modernisering
Moodu-oentwerpur: modeontwerper
Moodu-oentwerpstur: modeontwerpster
Moörtu: dienstmeid
Mooshun: prutsen, geen ernstig werk leveren
Moötsjhapieë: maatschappij
Moötsjhapuluk werkur: maatschappelijk werker
Munoöjugulp: huishoudhulp
Muutoösju: mutatie
Muuziekant(u): musicus
Muuziekleeëroöru: muziekleraar
Muuziekleeëroresu: muzieklerares
Nagtwaakur: nachtwaker
Ne nog nooöit gin strooöj van deërdu gurapt: nog nooit gewerkt
Ne nog nooöit nie veelu gin potn gubrookn: hij heeft nog nooit veel verwezenlijkt
Neurooloogu: neuroloog
Noöjeegu: naaister
Notoöries: notaris
Oeëtuwienkul: hoedenwinkel
Oendurneemur: ondernemer
Oenduroet: onderhoud
Oendurpastru: onderpastoor
Oendursjhijdiengu: onderscheiding
Oendurwiezur: onderwijzer
Oendurzoekur: onderzoeker
Oendustiel: ondankbaar beroep
Oenervoörn: onervaren
Oentreegliengu: ontregeling
Oentvangur: ontvanger
Oeëru: prostituée
Oet snieën: hout snijden
Oetmarsjang: houthandelaar
Oetzaagurieë: houtzagerij
Oevreuzu: dame die in bioscoop zitplaatsen aanduidt        Fr ouvreuse
Ofguwerkt: afgewerkt
Ofvloejn: afvloeien
Ofweegn: afwegen
Ofzaagn: afzagen
Okoözju: occasie       Fr occasion
Omroepur: omroeper
Oogarts: oogarts
Oovurkop goön: bankroet 
Oovurplatsn: overplaatsen
Oovurplatsiengu: overplaatsing
Opkoopur: opkoper
Optiesjieën: brillenmaker
Orlosjeur: horlogemaker
Orloozjumaakur: horlogemaker
Ostisu: hostess
Otilijgunoöru: hoteleigenaar
Otiloedur: hotelhouder
Otoobuuszjofeur: autobuschauffeur
Otulieër: hotelier
Ovunieër: hovenier    => u novunieër
Papierplakn: behangen
Papierplakur: behanger
Parkeerwagtur: parkeerwachter
Pastru: pastoor
Paswerkur: paswerker
Patiesjee: pastiebakker      Fr patissier
Peedagoog: pedagoog
Peediekuuru: pedicure
Penulekur: administratief bediende
Piejaanoostemur: pianostemmer
Pisjudraagr: bode bij de post om spoedberichten te bestellen
Plakur: stukadoor
Poelier: poelier
Polietiekur: politicus
Poliesju: politieagent(e)
Portieër: portier
Portretutrekur: fotograaf
Postmeeëstru: postmeester
Priïnsesu: prinses
Programuür: programmeur
Psiechiejaatur: psychiater
Psiecholoog: psycholoog
Reedurieë: rederij
Reejorganiezoösju: reorganisatie
Regtur: rechter
Rentnieër: rentenier
Rijong: gebied waarin iemand werkzaam is     Fr rayon
Rijslijdur: reisleider
Riparoösju: herstelling, reparatie        Fr réparation
Ristorangoedur: restauranthouder
Ruumtuvoördur: ruimtevaarder
Sasmeeëstru: sasmeester
Sieneejast(u): cineast(e)
Siepieër: gevangenisbewaarder
Sierkuusartiest(u): circusartiest(e)
Siezoeënarbijdur: seizoenarbeider
Sirveuzu: opdienster                         Fr serveuse
Sjhamatuür: goochelaar

Sjhildroöru: schilder
Sjhipur: schipper
Sjhoemaakur: schoenmaker
Sjhoewienkul: schoenwinkel
Sjhoolmeeëstresu: schoolmeesteres
Sjhoolmeeëstru: schoolmeester
Sjhoonijtsspeesjaliestu: schoonheidsspecialiste
Sjhoörusliep: schaarslijper
Sjhriewerkur: schrijnwerker
Sjieruurg(u): chirurg(e)
Sikrutaresu: secretaresse
Sikrutoöries: secretaris
Slagtur: slachter
Slagturieë: slachterij
Slameur: iets wat veel en lastig werk vergt
Sliepn: slijpen
Sloopursbudrief: slopersbedrijf
Sluünsumarsjang: voddenkoopman
Sluuswagtru: sluiswachter
Sluutiengsdag: sluitingsdag
Smisu: smidse
Snieën: snijden
Soldoöt: soldaat
Somulier: wijnkelner     Fr sommelier
Spiong: spion
Staakiengu: staking
Steeënbakurieë: steenbakkerij
Stielman: vakman
Stjoewart: steward
Stjoewardesu: stewardes
Stuukadoor: stukadoor
Taksiesjofeur: taxichauffeur
Tantiest(u): tandarts
Teeëkunoöru: tekenaar
Teeleefoniest(u): telefonist(e)
Teeleegrafiest(u): telegrafist(e)
Tiepiestu: typiste
Tietuuloöries: titularis
Tis van wiln en nie kun: wel willen maar niet kunnen
Tjoektjoek: die deur per deur tapijten aanbiedt
Toöku: tolk
Trambustieërdur: trambestuurder
Tringbustierdur: treinbestuurder
Triteur: traiteur
Tujnman: tuinman
Upasur: oppasser
Upvolgiengu: opvolging
Uusbazinu: huisbazin
Uusdokteur: huisdokter
Uusoetstur: huishoudster
Uusvrowu: huisvrouw
Uutboötur: uitbater
Uutsjheeën: uitscheiden
Uutviendur: uitvinder
Uutviengn: uitvinden
Vajazjuür: handelsreiziger               Fr voyageur
Vandiesju: openbare verkoop
Verusjhopn: ver brengen
Veugulanduloöru: vogelhandelaar
Veugulmart: vogelmarkt
Vieërtoruwagtur: vuurtorenwachter
Vieloomaakur: fietshersteller
Visanduloöru: vishandelaar
Visboeër: visboer
Visboerinu: visboerin
Visfabrieku: visfabriek
Visjhur: visser
Vismienu: vismijn
Vleeësgrooötandul: vleesgroothandel
Vleeësmeuln: vleesmolen
Vlieëgtuugfabrieku: vliegtuigfabriek
Vlieëgunieër: piloot
Vloeërlegur: vloerlegger
Vlooöjumart: vlooienmarkt
Voetsulbureidiengu: voedselbereiding
Voegur: voeger
Voropzeg: vooropzeg
Vorsvurkoopn: voortverkopen
Vroeëtvrowu: vroedvrouw
Vruuzur: verhuizer
Vureuvurn: bevorderd worden
Vurkoop: verkoop
Vurkoopur: verkoper
Vurmaakn: herstellen   => ne mu vielo vurmakt
Vurpleegstur: verpleegster
Vurpleegur: verpleger
Vurtaalur: vertaler
Vurteegunwooördiegur: vertegenwoordiger
Vurwarmiengsinstalateur: verwarmingsinstallateur
Vurwerkiengu: verwerking
Vurzeekuroöru: verzekeringsagent
Vuufdaagnweeku: vijfdagenweek
Vuulkaruvint: vuilnisman
Wasurituoedur: wasserettehouder
Weerman: weerkundige
Werkoeënguval: werkongeval
Wienkul of wienklu: winkel
Wienkulbudieëndu: winkelbediende
Wienkulier(stur): winkelier(ster)
Wienkulstroötu: winkelstraat
Wienkulwoöru: winkelwaar
Woörunuus: warenhuis
Woörzegstur: waarzegster
Zaagurieë: zagerij
Zaakunman: zakenman
Zeeëman: zeeman
Zilmaakur: zeilmaker
Zitstaakiengu: zitstaking
Zjeerant: zaakvoerder           Fr gérant
Zjoernaliest(u): journalist(e)

 

 



Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 3: Auto en andere voertuigen/rijtuigen met of zonder motor

Aaänriediengu: aanrijding
Aaänsjhoekasju: handschoenenkastje
Aaänsloön: aanslaan (motor)  
Agtruutkiekspeegul: achteruitkijkspiegel
Agtruutrieën: achteruitrijden
Agturdeuru: achterdeur
Agturlugtn: achterlichten
Agturruutu: achterruit
Aksiedent: ongeval       Fr accident
Ambrijoözju: versnellingspedaal      Fr embrayage
Amortiesuür: schokdemper     Fr amortisseur
Antfring: handrem
Baar(u)sjok: schokbreker, bumper   Fr pare-chocs
Batrieë: batterij
Bietankn: bijtanken
Binubant: binnenband
Binubuklidiengu: binnenbekleding
Binuvurlugtiengu: binnenverlichting
Binrieën: binnenrijden
Bloeëtproef: bloedproef
Blutsu: bluts            
Boeëtu: boete
Boezjies: ontstekingskaarsen       Fr bougies
Boksn: botsen
Booörtpapieërn: boordpapieren
Botsiengu: botsing
Bowjoör: bouwjaar
Budriefsoto: bedrijfsauto
Budriefswaagn: bedrijfswagen
Bumpur: schokbreker
Busteloto: bestelauto
Buutubant: buitenband
Deekapotaabul: met uitschuifbaar dak     Fr décapotable
Deepanuür: takelwagen                Fr dépanneuse
Deusjuvootju: 2 PK - tje    Fr deux chevaux
Diezul: diesel
Dooötriedur: doodrijder
Driejoek: driehoek, te plaatsen bij ongeval of panne
Eesjapment: uitlaatbuis                Fr tuyau d’échappement
Elmu: helm (voor de motocyclist)
Ersteliengu: herstelling
Faars: koplampen                   Fr phares
Fielu: file, aanschuiven in een rij wagens
Flisju uutsteekn: pinker aanzetten
Flitspaalu: flitspaal
Fringn: remmen
Futeuru: wagen        Fr voiture
Garaazju: garage               
Garduboe: spatbord     Fr garde-boue
GeePeeIs: GPS
Goözu geevn : gas geven
Goözupeedaalu : gaspedaal
Gordul : gordel (veiligheid)
Ienkulu rigtiengu : enkele richting
Iïnsjhrieviengsbuwies : inschrijvingsbewijs
Iïnspeksju: inspectie
Iïrkondisjunieng : luchtverversingssysteem       Eng air conditioning
Ilutrieku noto: elektrische wagen
Kaarwasj: autowasserij             Eng car wash

Kamjonitu: bestelwagen                 Fr  camionnette
Kamujong: vrachtwagen
Kapoo: motorkap                    Fr capot
Karbuuratuür: carburator               Fr carburateur
Karjot (oet): krakkemikkig voertuig
Karosurieë: koetswerk, chassis       Fr carrosserie
Keuriengu: keuring
Kieloomeetriek: kilometerteller
Kiendurslot: kinderslot
Kiendurstoeëltju: kinderzitje
Klaksong: toeter                     Fr claxon                                         
Klaksoneern: de claxon doen afgaan
Koeëliengu: koeling
Koepee: afdeling van een treinrijtuig      Fr  coupé
Kofur of Kofru: koffer
Koönduuktuür: treinbegeleider                   Fr conducteur
Koönvwajuür: begeleider, bijzitter (vooral bij vrachtwagens)         Fr convoyeur
Koplampn: koplampen
Kortuwaagun: kruiwagen
Kriek: krik, autoheffer
Kruuspunt: kruispunt
Leeslampu: leeslamp
Leeslamtju: leeslampje
Lugtfieltru: luchtfilter
Lugtn: lichten
Marsjarjiïru: in achteruit             Fr marche-arrière
Mistlugt: mistlicht
Moeëtn bloözn: politiecontrole tegen alcoholgebruik
Motusieklu of motusiekul: motorrijwiel
Motuür: motor
Motuürkapu: motorkap
Motuüroolie: motorolie
Naftu: benzine
Naftubak: brandstoftank
Naftupompu: benzinepomp
Nantfring (de): de handrem
Nooötlandiengu: noodlanding
Noto (u): een auto
Notootju (u): een autootje
Okoöju: occasie                                   Fr occasion
Omlijdiengu: omleiding
Ooftsteun: hoofdsteun
Oolievurvesjhun: olie verversen
Ooliefieltru: oliefilter
Ooliepijl: oliepeil
Ooliewisuliengu: oliewisseling
Omniejom: omniumverzekering
Otoo: auto
Otoobuus: autobus
Otookaar: autocar
Otoomatiek: automatische versnellingsdoos
Parkeermeetur of parkeermeetru: parkeermeter
Parkieng: parkeerplaats                Eng parking
Peërdukragt: paardenkracht
Pirttotal: niet meer te herstellen, wagen voor de schroothoop       Fr perte totale
Pienkur: pinker
Piestong: zuiger            Fr piston
Plak van unoto: nummerplaat van een auto
Platu bant: platte band
Platu batrieë: lege batterij
Portjiïru: deur van een wagen          Fr portière
Purses: proces-verbaal, bekeuring        Fr procès-verbal
Pwaanmoör: neutrale versnelling        Fr point-mort
Ramuln: lawaai maken
Riebuwies: rijbewijs
Rieën: rijden
Rieën lik du zotn: roekeloos rijden
Riejikzaam: rij-examen
Rielesu: rijles
Riesjhoolu: rijschool
Rietaks: rijtaks
Rumorku: aanhangwagen        Fr remorque
Ruutu: ruit
Ruutuwasjhurs: ruitenwissers
Sjarzubuuzu: uitlaatpijp
Sjasie: onderstel    Fr chassis
Sjhaakuln: schakelen
Sjetu geevn: rap rijden
Sjhooliengu: scholing
Sjhowiengu: keuring
Sjhrooöt: schroot
Sjieku futeuru: zeer mooie, dure wagen
Sjofuür: bestuurder    Fr chauffeur
Sjook: choke (Eng)
Sneeëwketieng: sneeuwkettingen
Sneltring: sneltrein
Soepapu: klep, ventiel        Fr soupape
Speegultju: spiegeltje voor de opmaak van de vrouwelijke begeleidster
Stantlugt: standlicht
Startkaabul: startkabel
Stier: stuur
Stijsjunwaagn: stationwagen
Stikkaru: een kar om voor u uit te steken
Stoomtring: stoomtrein
Stoöntju: bagagedrager op een fiets
Stoplugt: stoplicht
Taakulwaagn: takelwagen
Taksie: taxi
Tapietjus: tapijtjes
Toeëruntelur: toerenteller
Toeturn: claxonneren
Trieportuür: driewielenwagen       Fr triporteur
Tring: trein
Trontienitu: autoped             Fr trottinette
Ulpmotuür: hulpmotor
Up zu steërt duwn: volle gas geven
Upangienu: ophanging
Upstiegun: opstijgen
Uutloöt: uitlaat
Uutloötgoözu: uitlaatgassen
Uutloötpuupu: uitlaatpijp
Uutrieën: uitrijden
Uutstapn: uitstappen
Uutwiekn: uitwijken
Vastuloopn: vastlopen (motor)
Vies platienees: contactpunten
Vietisu: snelheid, versnelling          Fr vitesse
Vintieloösju: ventilatie
Vlugteuvul: vluchtheuvel
Vlugtlijdiengu: vluchtleiding
Voeërtuug: voertuig
Volang: stuur               Fr volant
Vooördeuru: voordeur
Vooöroentsteekiengu: voorontsteking
Vooörruutu: voorruit
Vooörwieël: voorwiel
Voruutrieën: vooruitrijden
Vurzeekriengu: verzekering
Vragtotoo: vrachtauto
Vragtwaagn: vrachtwagen
Vrangu: zwengel
Vultankn: voltanken
Vurbierieën: voorbijrijden
Vurbruuk: verbruik
Vuroeënglukn: verongelukken
Vursmietn van vietisu: veranderen van versnelling
Vursnelieng: versnellingen
Vursneliengu: versnelling
Vurzeekriengu: verzekering
Vuulkaru: vuilniswagen
Wegwiezur: wegwijzer
Wieël: wiel
Wieëln: wielen
Zantu of Zjantu: velg
Zeeëru rieën: snel rijden
Zeetul(s): zetel(s)
Zjarzjubuuzu: uitlaatbuis
Zjiriekan: benzinecontainer        Eng jerrycan
Zjofaazju: verwarming

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 2: Gezondheid (artsnamen staan bij beroepen)

Aaänzjien: keelontsteking
Aambijun: aambeien
Aaändoeëniengu: aandoening
Aaänguboorn: aangeboren
Aaänsteekuluk: aanstekelijk, besmettelijk
Ambuulaaänsu: ziekenwagen             Fr  ambulance
Amanguls: amandelen
Ampuuteern: amputeren
Amputoösju: amputatie
Andiekap: handicap
Andoeëniengu: hartaanval
Apandiesiet: blindedarmontsteking      Fr appendicite
Apses: abces
Apulflowtu: appelflauwte
Asjieluspeezu: achillespees

Asprienu: aspirine
Asjhun: as (overschot na verassing van een lichaam)
Asan du riepu of du sjhietu en: altijd iets mankeren
Ataku: (hart) aanval, trombose
Ataksju: lichte hartaanval
Baarmoeëdur: baarmoeder
Bakteerju: bacterie
Beeënbreuku: beenbreuk
Biekomn: bijkomen, ontwaken (na operatie bvb)
Biezieëndu: bijziende
Bliïnu: blaar        
Bloörn: blaren
Bloözn: blazen
Bloöru: blaar
Bloözoentsteekiengu: blaasontsteking
Bloeblïinu: bloedblaar
Bloeëdiengu: bloeding
Bloeëtdruk: bloeddruk
Bloeëtgroep: bloedgroep
Bloeëtneuzu: bloedneus
Bloeëtoörmoeë: bloedarmoede
Bloeëtproef: bloedproef
Bloëetsierkuuloösju: bloedsomloop         Fr circulation
Bloeëtspeegul: bloedspiegel
Bloeëtsuukurspeegul: bloedsuikerspiegel
Bloeëttraaänsfuuzju: bloedtransfusie
Bloeëtvurgiftiegiengu: bloedvergiftiging
Bloeëtvurlieës: bloedverlies
Blokjoörn: blokjaren, waarin je uitzet, dikker wordt
Blowu pleku: blauwe plek
Bobienu (mu) is up: ik ben doodmoe
Braakn: braken
Braankaar: brancard
Brantwoendn: brandwonden
Brantwoendu: brandwonde
Breuku: breuk
Broönsjiet: bronchite
Bruunvurbrant: bruinverbrand
Bugraaviengu: begrafenis
Buregtn: laatste sacramenten toedienen
Busmetiengsguvoör: besmettingsgevaar
Busmetiengu: besmetting
Busmetuluk: besmettelijk
Bustraaliengu: bestraling
Butraapuluk: besmettelijk
Buukloop: buikloop
Buukkrempu: buikkramp
Buukspieërn: buikspieren
Buukvlieësoentsteekiengu: buikvliesontsteking
Buulu: buil
Buwustuloos: bewusteloos
Buwustzien: bewustzijn
Buwustziensvurliëes: bewustzijnsverlies
Buzoektiet: bezoektijd (in hospitaal)
Dermbloeëdiengu: darmbloeding
Dermiïnfeksju: darminfectie
Diejeet: diëet
Doof zien: doof zijn
Dooön (u): een dode, overledene
Dooötgoön: sterven
Dooötvurkloörn: doodverklaren
Droöjiengu: draaiing
Du nuusdokteur: de huisdokter
Dur deuru komn: genezen   =>   Nis/Zis tur deuru: hij/zij is genezen => nu go tur nog deuru komn: hij gaat er nog doorkomen
Duuzuliengu: duizeling
Duuzuln: duizelen
Duuzulug: duizelig
Eësunbloeëdiengu: hersenbloeding
Eësunvlieësoentsteekiengu: hersenvliesontsteking
Ertaaänvol: hartaanval
Ertspeesjaliest: hartspecialist, cardioloog
Eupu: heup
Fleurusien: reumatisme
Foetbalknietju: voetbalknietje
Gabu: wonde  =>Net u grooötu gabu aän zu kop: hij heeft een grote wonde aan zijn hoofd
Galu: gal
Galusteeën: galstenen
Geelzugt: geelzucht
Gin steeku zieën: geen steek voor ogen zien
Guzoenteit: gezondheid
I ju bedu pisn: in je bed wateren
Ieksustraaln: x-stralen
Iïnfeksju: infectieIjds: aids
Iïngent: ingeënt
Inoösumn: inademen 
Jis/zis tgoön zegn: hij/zij is gestorven
Joörluksju kontrolu: jaarlijkse controle
Ju sjieku uutspuugn: sterven
Jukstu: jeuk
Kalorieën: calorieën
Katulam: doodmoe
Keunubloözu: vaak moeten plassen
Kienkoeëstu: kinkhoest
Klienieku: kliniek
Kloentur: klonter
Kmoeëtn spuugn: ik moet overgeven
Koedu: verkoudheid
Koönsuultoösju: raadpleging           Fr consultation

Koönu: wandelstok
Korsn: koorts
Korsubloözu: koortsblaas
Korsupuustu: koortsblaas
Korsn(s): koorts
Kozientjus: jicht
Kraambedu: bed waarin kind geboren wordt
Krabuln: krabben   
Krempu: kramp
Kruveern: kreperen
Kriku: kruk   
Liek: lijk
Liekdieënst: lijkdienst
Lieksjhowiengu: lijkschouwing
Liekwaagun: lijkwagen
Loengoentsteekiengu: longontsteking
Luumbagoo: lumbago
Maagbloeëdiengu: maagbloeding
Maagkangkur: maagkanker
Maagkrempn: maagkrampen
Maagliedur: maaglijder
Maagzeur: maagzuur
Maagzoet: maagzout
Maagzweëru: maagzweer
Maboel: getikt, zot
Mankn: manken
Me zu pekuls omoogu lign: overleden zijn
Meediekamentn: medicamenten
Meediekoösju: medicatie
Meediesienu: medicijn
Meezubeetu: muggenbeet
Met u kriku goön: stappen met behulp van een kruk (stok)
Mismeeësturt: verkeerd behandeld door de dokter
Misvol: miskraam
Mochul: fluim
Moeëtn spuugn: moeten overgeven
Moözuls: mazelen
Muuluplaagu: mondontsteking
Net asan du riepu of du sjhietu: er mankeert wel altijd iets aan zijn gezondheid
Net du sjhoolsjhietu: veinzen ziek te zijn om niet naar school te moeten
Net u sjheutu gukreegn: hij is fel gegroeid
Nieëru: nier
Nieërn: nieren
Nieërsteeën: niersteen
Nieëzun: niezen
Nie goeët ooörn: niet goed horen, doof zijn
Nis an zu nertu: hij heeft iets aan zijn hart
Nis in zu blokjoörn: jaren waarin je uitzet en dikker wordt
Nis slieku vet: hij is zeer dik
Nis sligt tu pooötu: hij heeft moeite om te stappen
No du wup goön: kapot gaan
Nu kent tendu van zu magt nie: hij is ijzersterk maar is zich daar niet altijd van bewust
Nu rutult in zu vel: hij is mager
Oendurdiekstraaln goön: radiologisch onderzocht worden
Oeënguzoent: ongezond
Oentsmetiengu: ontsmetting
Oentsteekiengu: ontsteking
Oeëst: hoest
Oeëstn: hoesten
Oeëstsieroopu: hoestsiroo
Ofgank: diarree
Ofguvoln: afgevallen, vermagerd
Ofgustorvn: afgestorven
Oftaakuln: aftakelen
Ofzetn: amputeren
Ofzieën: afzien
Ofzoenduriengu: afzondering, quarantaine
Ojmoguzoentziet: als ge maar gezond zijt
Oödur: ader
Oödurbreuku: aderbreuk
Oödurvurkoökiengu: aderverkalking
Ooftwoendu: hoofdwonde
Oogmeeëstru: oogarts
Ooöraparei: hoorapparaat
Ooöraparoöt: hoorapparaat
Ooörn loötn uutspuijtun: oren laten uitspuiten
Oördug zien: zich onwel voelen     => kvoeln mu lik oördug: ik voel me onwel
Oösum: adem
Oösumn: ademen
Oösumnoöt: ademnood
Opuroösju: operatie, heelkundige bewerking
Osan du riepu of du sjhietu en: altijd iets mankeren aan de gezondheid
Ospietaal: hospitaal
Ospietaalbedu: hospitaalbed
Ospietaalkaamur: hospitaalkamer
Ospietaalupnaamu: opname in het hospitaal
Ospietaliezoösju: hospitalisatie
Oovur eërdu lign: dood maar nog niet begraven
Oovurbrugiengu: overbrugging
Piekeuru: pikuur
Pijsmijkur: pacemaker                         Eng pacemaker
Pilu: pil
Plakiestur: pleister, plakker (op een wonde)
Ploöstur (in du): in het gips
Poziesju (in): zwanger
Potudoof: zeer doof
Puusju: puistje
Puustu: puist
Reeguls: ongesteldheid, maandelijkse menstruatie
Roötpleegiengu: raadpleging
Rolstoeël: rolstoel
Rooötvoenk: roodvonk
Rutuln i ju vel: mager zijn
Rutuln uut ju kleeërn: het koud hebben
Rutuln van du koedu: zeer koud hebben
Ruuzuldoof: erg doof
Sjheetu: wind, scheet
Sjheutu i ju rik: plotse pijnsteek in de rug
Sjhietu: afloop, buikloop, diarree
Sjhramu: schram
Skanur: scanner
Sliekuvet: zeer dik
Sligt tu pooötu: die moeilijk gaat
Sliem i ju keelu: keelslijm
Snotubelu of Snotukeësu: lopende neus
Snotukalu: neusvocht
Snotvoliengu: snotvalling
Spakn: hinken
Spaku: iemand die hinkt
Speen: aambeien
Spoeëtupnaamu: spoedopname
Steeg: stijf
Steeg van ofgoön: moeilijke stoelgang hebben
Steekublint zien: iets niet zien, zonder dat de ogen daarom slecht zijn
Stievu neku: stijve nek
Stroent in zu nooörn/noogun en: niet goed horen/zien
Sus (vaaän zu): bewusteloos
Suukurziektu: suikerziekte
Tantpienu: tandpijn
Tendu noösum zien: buiten adem zijn
Tenturdjot: jodiumtinctuur                        Fr   teinture d’iode
Tinieseluboogu: tenniselleboog
Tis u veugul voe du katu: er is niets meer aan te doen
Tis veru va ju gat, ju moetur nie op zitn: reactie op pijn of kwetsuur
Tjukt: het jeukt
Trutulap: maandverband
U kient koopn: bevallen
U puut in ju keelu: een kikvors in je keel, hees zijn
Upnaamu: opname
U sjheutu gukreegn en: fel gegroeid zijn op korte tijd
Uutlet: uit het lid
Uutoösumn: uitademen
Variezu: spatader                    Fr varice
Variezukoesu: spataderkous
Veru dooöt: op sterven liggen
Vieruus: virus
Vieruusiïnfeksju: virusinfectie
Vietamien: vitamines
Vogtvurlieës: vochtverlies
Voliengu: verkoudheid
Voöksguzoenteit: volksgezondheid
Vooörnsjhrievn: voorschrijven (medicijn)
Vors sukuln: verdersukkelen
Vul zitn: zwanger zijn
Vurasjhn: verassen
Vurbantkisju: verbandkistje
Vurdikn: verdikken
Vurdooviengu: verdoving
Vurdoovn: verdoven
Vurekiengu: verrekking
Vurfeln: feller, dikker worden
Vurkoedn: verkouden
Vurlamiengu: verlamming
Vurmaaguriengskeuru: vermageringskuur
Vurmaaguriengu: vermagering
Vurmaagurn: vermageren
Vurmoejteit: vermoeidheid
Vurslaaviengu: verslaving
Vursmagtn: versmachten
Vurstikiengu: verstikking
Vurstuukingu: verstuiking
Vurstuukn: verstuiken
Vurveeln: vervelen
Vurveln: vervellen
Vurzorgiengu: verzorging
Vurzwakiengu: verzwakking
Vurzweëriengu: verzwering
Vurzweërn: verzweren
Wareern: rondlopen (vb de griep)
Woendu: wonde       
Wortu: wrat
Zeeër en: pijn hebben
Zeeër i ju buuk: buikpijn
Zeeër i ju nooft: hoofdpijn
Zeeër i ju rik: rugpijn
Zeeër i ju tan: tandpijn
Zieëk voln: ziek vallen
Zieëk zien: ziek zijn
Zieëkuboent: ziekenbond
Zieëkufoeëns: ziekenfonds
Zieëkukasu: ziekenkas
Zo zieëk of u noent: zo ziek als een hond
Zoövu: zalf
Zotukot: tehuis voor mentaal gehandicapten
Zu bobienu is of: zijn krachten zijn uitgeput
Zu sjieku uutspuugn: sterven
Zweeëtn: zweten
Zweërn: zweren
Zweëru: zweer
Zwienusteeku: oogongemak

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Woordenlijst Nr 1: sport - spel - kermis

Sport – spel - kermis (en het speelgerief dat ermee gepaard gaat)

Aaänklampn: aanklampen
Aaänsluutiengsgol: aansluitingstreffer, als ploeg die 2 treffers achterstaat een tegengoal maakt
Afsijt: buitenspel bij voetbal, ook ofsijt         Eng off-side
Agturstoön: achterstaan (in de score)
Agturwieël: achterwiel
An du boom sjhudn: harder rijden om tegenstanders te lossen 
Ankomstu: aankomst
Antbal: handbal
Aplowsvurvangiengu: voor einde van een wedstrijd een speler vervangen om zijn uitstekende wedstrijd in de verf te zetten
Arbietru of arbietur: scheidsrechter
Arievee: aankomst (van een koers)    Fr arrivée
Asiest: voorzet waaruit een medespeler scoort     Eng-assist
Atlutiek: atletiek

Awoeë roepn: uitschelden van een speler
Bakaree: afgebakend stuk terrein bij voetbal     Eng back area
Bantbreuku: bandbreuk
Bantstooötn: bandstoten (biljart)
Baskitn: basketball spelen
Baskitur: basketballspeler
Batmienton(g): badminton
Beekur: beker
Beekurfoetbal: bekervoetbal
Beekuroedur: bekerhouder
Beekurwetstriet: bekerwedstrijd
Beekurwinoöru: bekerwinnaar
Bergkeunienk: bergkoning (wielrennen)
Bergwanduliengu: bergwandeling
Biedong: drinkbus                     Fr bidon
Bieljoörn: biljarten
Bieljoört: biljart
Bieljoörtboln: biljartballen
Bieljoörtbolu: biljartbal
Bieljoörtstok: biljartkeu
Bliseurutiet: blessuretijd, speeltijd na 90 minuten om rekening te houden met kwetsuren, tijdwinst of wissels
Blintoek: blinddoek
Blintvlieëgn: blindvliegen
Bloeëtformu: bloedvorm, zeer goede vorm
Blok(u)doozu: blokdoos
Boöjtju: truitje
Boönkoeruür: baanrenner
Boöntjustrekn: baantjestrekken (atletiek, zwemmen)
Boksaaänsjhoeën: bokshandschoenen
Boks(u)n: boksen
Boksotoos: boksauto’s op de kermis
Bokspartieë: bokspartij
Boksprieng: bokspringen (turnen)
Bolu: bal
Boluketu: marbel
Boloosmietoo: werpen met een bal om zoveel mogelijk op elkaar gestapelde blikjes te treffen en te doen vallen (op de kermis)
Boogbolu: boogbal
Boogsjhieëtn: boogschieten                                
Boogsjhutru: boogschutter
Boösiesplatsu: basisplaats, vast opgesteld, geen reserve op de bank
Bowlienk: bowling
Bowlienkbolu: bowlingbal
Broeksju: broekje
Buoefn: beoefenen
Buutnspeelur: buitenspeler
Buwoenduroöru: bewonderaar
Deegradoösju: degradatie
Deeleegee: ploegafgevaardigde        Fr délégué
Dieëpu: in zwembad grootste diepte
Dieskuus: discus
Dimareern: demarreren                   Fr démarrer
Dimaroözju: démarrage
Dirbie: wedstrijd tussen 2 rivalizerende ploegen, meestal uit dezelfde streek           Eng derby
Djokarie: jokari, tennistrainer

Doesjn agtur u matsj: een douche nemen na een match
Doopieng: doping
Driebuln: dribbelen
Drienkubusu: drinkbus
Droöjmeuln: draaimolen
Du narbietur e gusjhuufult: de scheidsrechter heeft gefloten
Duukn: duiken
Duukplanku: duikplank
Duukr: duiker
Duuvumeëkur: duivenmelker
Eeëntwitju: een-twee, bal gaat van A naar B en terug 
Eeërulit: erelid
Eeëruliestu: erelijst
Eeëruplatsu: ereplaats
Eeëruroendu: ereronde
Eevunoöriengu: evenaring (van een record)
Ertuneeëru: harten heer
Ertunoös: hartenaas
Ertuns: harten (kaarten)
Ertutieënu: harten tien
Ertuvrowu: harten dame
Ertuzot: harten boer
Floötur: flater
Flutsu: maar half de bal raken, bvb in biljart, voetbal
Foel: overtreding in voetbal              Eng  foul
Foetbal: voetbal
Foetbalboent: voetbalbond
Foetbalkampjoeën: voetbalkampioen
Foetbalkluup: voetbalclub
Foetbalkomputiesju: voetbalcompetitie
Foetbaliest: voetballer
Foetbaln: voetbal spelen
Foetbalpling: voetbalplein
Foetbalploeg: voetbalploeg
Foetbalsiezoeën: voetbalseizoen
Foetbalsjhoeën: voetbalschoenen
Foetbalspeelur: voetbalspeler
Foetbalstaadjon: voetbalstadion
Foetbalwetstriet: voetbalwedstrijd
Fowtu: fout, overtreding
Frietukot: friture bijvoorbeeld op de kermis
Gatriek: reeks van drie doelpunten in één helft niet onderbroken door een doelpunt van een medespeler Eng-hattrick
Geelu koörtu: gele kaart
Giedong: stuur van een fiets      Fr - guidon
Gol: rechthoekig raam op voetbalveld voor beide ploegen
Golu: doelpunt
Gordun: horden, hindernisspringen in atletiek
Grooötu meuln: groot verzet, grote versnelling
Gulost wordn: niet meer kunnen volgen (wielrennen, lopen)
Indurnisu: hindernis (veldrijden, veldlopen, paardenwedstrijd, ...)
Iespiestu: ijspiste
Iïn zu kasu kriegn: goals incasseren
Iïnsmietn: ingooien
Ins: handspel in voetbal      Eng  hands
Juutukakoo: schommel
Kampjoeën speeln: kampioen spelen
Kampjoeënsjhap: kampioenschap
Katju duuk: verstoppertje
Katju sjeinu: kinderspelletje
Katju wo daju kriegn kut speeln: om het even waar iemand aantikken
Katsubolu: tennisbal

Katsn: kaatsen
Keeglbolu: kegelbal
Keeglboönu: kegelbaan
Keegln: kegelen
Ketu: marbel om mee te knikkeren
Kietn iïnsmeërn: je benen masseren
Klaavurneeëru: klaveren heer
Klaavurnoös: klaveren aas
Klaavurs: klaveren (kaarten)
Klaavurvrowu: klaveren dame
Klaavurzot: klaveren boer
Klakubusu: uitgeholde cylindervorm in hout van de vlierstruik waarmee men papierproppen kan wegblazen
Klemn: klimmen
Klitkaamur: kleedkamer
Knieëlapn: knielappen voor doelman
Knokoet: uitgeteld                 Eng  knockout
Koekns: ruiten (kaarten)
Koekudrieë: koekedrie
Koekuneeëru: ruiten heer
Koekunoös: ruiten aas
Koekuvrowu: ruiten dame
Koekuzot: ruiten boer
Koeroözju: moed    Fr courage
Koers: wielerwedstrijd
Koersboöj: koerstrui
Koerspeërt: koerspaard
Koersvielo: koersfiets
Koeruür: wielrenner      Fr coureur
Kontur: plotse tegenaanval       Eng counter
Koönu: wandelstokKoörtie,gu: kaarting
Koörtn: kaarten
Kopn: een bal met het hoofd spelen (voetbal)

Kornu: hoekschop            Eng  corner
Kornuvlegu: hoekschopvlag
Krol: crawl (zwemmen)
Kros: cross
Krosur: loper of rijder met fiets of motor in het veld
Kwetseuru: kwetsuur
Kwies: quiz
Latu: bovenlat van een goal
Lieburoo: centrale verdediger die van aanvaller afgenomen bal weer naar voor brengt                         Ital libero
Lienksjhunoek: linksbuiten bij voetbal
Lienusman: grensrechter                             Eng linesman
Lob: boogbal getrapt met bal die van de grond gaat
Mandekiengu: mandekking
Manieln: manillen (kaarten)
Maratong: marathon
Marbul: knikker
Marbuln: knikkeren
Meetu: meet, eindstreep
Met du duuvn speeln: deelnemen aan wedstrijden voor duiven
Meur: muur van spelers, bvb in voetbal om de goal af te dekken
Midulienu: middellijn
Muul (mettu): zonder troef bij manillen
Muuluperu: muilpeer
Obie(s): vrijetijdsbeoefening, bezigheid          Eng hobby
Oefn: oefenen
Oefnmatsj: oefenmatch
Oefnpartieë: oefenpartij
Oefnwetstriet: oefenwedstrijd
Oentspaniengu: ontspanning
Oflosiengu: aflossing
Ofsijt: buitenspel                 Eng offside
Okie: hockey
Okiestiek: hockeystick
Oöfbak: voetbalspeler tussen achter- en voorlijn      Eng half back
Ooftpries: hoofdprijs
Oogsprieng: hoogspringen
Oovurwiniengu: overwinning
Otoopiejaanoo: auto-piano
Paalu: doelpaal
Paninka: zacht getrapte elfmeter recht door midden goal boven vallende doelman            Tsjec: panenka
Peërdukoers: wedstrijd voor paarden of de instelling waar het gebeurt
Peërdumeuln: paardenmolen
Pekuln: bikkelen
Pekuls: bikkels
Peurun: hengelen
Piekuneeëru: pijkens heer
Piekunoös: pijkens aas
Piekuvrowu: pijkens dame
Piekuzot: pijkens boer
Piekns: pijkens (kaarten)
Pienantie: strafschop, elfmeter               Eng penalty
Pienantiepunt: punt op elfmeter van het doel bij voetbal
Piestu: renbaan
Pietju me zu peërt: paardenmolen
Pietjusbak: teerlingenbak
Pietjusbakn: spelen met de teerlingen om de hoogste score te realiseren
Pling: terrein voor voetbal, voor de meeste sporten
Polstoksprieng: polstokspringen
Pookurn: pokeren
Potju (u) koörtn: een spelletje kaart spelen
Prof: beroepsspeler
Pulu: drinkbus
Pulutong: peloton
Raketu: raket (tennis)
Rangsjhikiengu: rangschikking
Regsjhunoek: rechtsbuiten bij voetbal
Rieën: rijden
Rooö koörtu: rode kaart
Rooö lanteërn: rode lantaarn, laatste van een rangschikking
Rukorttiet: recordtijd
Runong: dat heb je als je in het kaartspel van één van de vier soorten geen kaarten hebt
Rupsu: rupsmolen
Ruutn: ruiten (kaarten)
Sieklookros: cyclocross, cross per fiets
Sjhaavurdien: schaatsen
Sjhatsn: schaatsen
Sjheenlapn: beenbeschermers (vb bij voetbal)
Sjhieëtkraam: schietkraam (op de kermis)
Sjhieëtlap: katapult
Sjhorsiengu: schorsing
Sjhuufletu: fluit
Sjhuufuln: fluiten
Sjhuutn: schommels (op de kermis)
Sjotn: schoppen, voetballen
Shwalbu: als speler doet alsof een overtreding op hem/haar begaan wordt (laten vallen bvb)    Dui: Schwalbe
Skieën: skiën
Skielatn: skilatten
Slaajdieng: in voetbal over het gras glijden om de bal af te pakken    Eng sliding
Slee: slede
Sliedurn: glijden op het ijs
Slieërboönu: glijbaan
Sliengurpies: slingermolen op de kermis
Smietn: werpen
Smoetbolu: smoutebol
Sneeëwvint: sneeuwman
Snoekur: snooker
Speelbugt: speelgoed
Speelstur: speelster
Speelur: speler
Spilutju (u) speeln: een spelletje spelen
Sportoto: sportauto
Sportuutzendiengu: sportuitzending
Sportwetstriet: sportwedstrijd
Sprintn: sprinten
Spurt antrekn: spurt aantrekken, het iemand anders gemakkelijker maken in de spurt
Stekur: voorkeurknikker waarmee iemand altijd speelt
Stieëpul: hindernisspringen in atletiek of in paardenwedstrijden       Eng steeple
Stift: boogbal vanop de grond over de doelman
Suurplas: op plek stilstaan voor de sprint bij baanrennen     Fr surplace
Swasaaäntnuf: met drie teerlingen een zes, een vijf en een vier gooien
Swietu, u langn of u kortun: suite lang of kort (bij pokeren)
Tapbieljoört: biljart met tappen
Tatsu: nop op schoenzool (vb van voetbalschoen)
Teërlienk: teerling
Toendurspit deëvun: het onderspit delven
Toernooj: wedstrijden met opmaak rangschikking     Fr tournoi
Traaänsfiïr: transfert, overgang naar andere ploeg
Triejatlong: triatlon
Triïnur: trainer
Truitju: trui
Turn: turnen
Tuubu: band 
Tuumuletu: tuimeling
U gat loötn voöln: in een wielerwedstrijd één of meerdere renners laten wegrijden 
U pasju geevn: de bal toespelen
U potju koörtn: een spelletje kaart spelen
U tantju biesteekn/biezetn: een tandje bijzetten
Up kop rieën: op kop rijden
Uutjown: uitjouwen (de scheidsrechter of de ploeg)
Uutrustiengu: uitrusting
Uutsluutiengu: uitsluiting
Veltriedur: veldrijder
Veltrieën: veldrijden
Verusprieng: verspringen
Veugulpiek: darts, vogelpiek
Vieloo: fiets
Vielookoers: wielerwedstrijd
Vielootjus: carrousel
Vloeërn: vloeren, verslaan
Voeëtzoekur: voetzoeker
Voetjulap doeën: een voetje lappen
Voliebal: volleybal
Voöln: vallen
Voöls plat: schijnbaar vals vlakke strook in een wielerwedstrijd
Vooörgiftu: voorgift (wegens klasseverschil)
Vooörnstoön: voorstaan
Vooörroendu: voorronde
Vooörspeelur: voorspeler
Vooörsproenk: voorsprong
Vooörwieël: voorwiel
Vriestoön: vrijstaan
Vulu bak: volle bak, op zijn maximum rijden of lopen
Vursloön: verslaan
Vurdapurn: verdapperen, harder rijden
Vurlengiengu: verlenging als er bij gelijke stand bij einde match absoluut een winnaar moet zijn
Vurlieëzun: verliezen
Vurlieëzur: verliezer
Vurzorgiengu: verzorging
Vurzorgur: verzorger
Wanduliengu: wandeling
Wanduloöru: wandelaar
Wanguln: wandelen 
Weërultkampjoeën: wereldkampioen
Wegrieën: wegrijden
Wegsteekn: verschuilen
Wetstriet: wedstrijd
Wiezun: whist spelen (kaarten)
Wiïnstpreemie: winstpremie
Win: winnen
Winoöru: winnaar
Zakn: naar een lagere afdeling afdalen
Zjiemnastiek: gymnastiek
Zjutong: jeton
Zjuudoo: judo
Zwemkomu: zwemkom

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Medeklinkers in het Westends

Medeklinkers
    C => k of s    Vb choc-sjok, cinema-sienuma
    Ch  => g       Vb achter-agtur, dicht-digtu, gebracht-gubrogt, geraakt-gugrogt, gerecht-guregt, klucht-klugt, licht-lugt, macht-magt,
                            nacht-nagt, ochtend-ugtunt, opdracht-updragt, parochie-parogju, rechts-regts, richting-rigtiengu, slachter-slagtur, toch-
                            tog, vlecht-vlegtu, vracht-vragt, vrucht-vrugt, wachten-wagtn, zicht-zigt
                          maar: daguur-dacheuru, goochelaar-goochuloaru, lachen-lachun, tachtig-tachuntug, rog- rochu
    Ch  => sj      Vb architect-arsjietikt, cartouche-kartoesju, cachot-kasjot, chance-sjaänsu, chirurg-sjieruurg, choke-sjook, choco-sjokoo,
                             chocolade-sjokla of sjokloatu, machine-masjienu, marcheren-marsjeerun, sandwiche-sandwiesju
    Sch => sjh   Vb schaap-sjhaap, schade-sjhaa, scheet-sjheet(u), scheiden-sjhein, scheren-sjheërn, schil-sjhellu, schminken-sjhmienkn,
                            schoen-sjhoe of sjhoeë, schok-sjhok, school-sjhoolu, schoon-sjhooönu, schors-sjhorsu, schouder-sjhoeëru, schroot-
                            sjhrooöt, schuiven-sjhuuvn, …

     G => zj    Uitspraak van g, niet aan begin van een woord
           Vb agent-azjent,bagage-bagoazju, chauffage-sjofaazju, garage-garaazju, Gerard-Zjuraar, menage-munoazju, occasie-okoazju,
                ontstekingskaarsen-boezjies, uitlaatbuis-sjarzjubuuzu

     N    
            
‘ng’ (als slotklank)  =>   ‘nk’   Vb gang-gank, jong-joenk, koning-keunink, lang-lank
            
‘nd’ (als slotklank)  =>  ‘ng’   Vb amandelen-amanguls, plafond-plafong, wandelen-wanguln, strand-strangu
             
  ‘n’ (als slotklank)  =>  ‘ng’:  Vb ballon-balong, beton-biedong, garçon-garsong, kanon-kanong, perron-pirong

     S (Eind-s) => zu       
         Vb beurs-beuzu, blaas-bloazu, bloes-bloeëzu, geus-geuzu, keus-keuzu, neus-neuzu, reis-reizu, roos-roozu

     Tie => sju          Vb politie-poliesju, positie-poziesju, relatie-ruloasju, provincie-proviïnsju

 Weglaten van medeklinkers (met verlenging van de klinker)
       
  Vb  Dolk-doöku, dwars-dweës, elk-eëk, kaars-keësu, kalk-koök, laarzen-leëzn, ladder-leëru, melk-meëk, ons-uus, volgen-voögn,
              volk-voök

          zonder verlenging van de klinker
                Vb markt-mart
 

Dubbele medeklinkers
             NIET achter a, e, i, o, u
                  Vb appel-apul, kat-katu, klasse-klasu, mette-metu, zitten-zitn, mopperen-mopurn, zotten-zotn, betuttelen-bututuln
                 De dubbele medeklinker wordt wel behouden als het twee bestaande aan elkaar gebonden woorden zijn
                      Vb agturruutu, bankkluuzu, bankkoartu, barokkuünstu,bloeëttraänsfuzju, boeëdulliestu, bommeldiengu, burgurregtn,
                           buukkrempu, dieënsttiet, doenkurrooöt, druggubruuk, gassprieëtu, gassjhoaru, leeggoeët, meëkkanu, meëkkoewu,
                           nagttring, oendurrik, ooggutuugu, oppompn, roenttjooln, rukorttiet, slappilu, smooörrieku, stikkaru, upplakn,
                           veugullieëfebur, vooörroendu, vooörruutu, vurslaggeeviengu, vissowsu, vissoepu, vooörrank, vorssukln, wasspelu,
                           weggubruukr, weggujoogn, zittiet
             NIET achter ie, oe, eu,  oeë, ieë, uu
                   Vb oude-oedu, wij-wiedur, wat-wienu, reuk-reuku, kloek-kloeku, soep-soepu, heup-eupu, suiker-suukur/suukru,

Verkleinwoorden:
            Tussen-s
                (woorden eindigend op k)
                  Vb bakje-baksju, blokje-bloksju, b(r)oekje-broeksju, buikje-buuksju, doekje-doeksju, drankje-dransksju, haakje-aksju, hakje-
                       gaksju, hoekje-oeksju, hokje-goksju, kakje-kaksju, klakju-klaksju, klokje-kloksju, likje-leksju, pakje-paksju, reukje-ruksju,
                       rokje-roksju, slokje-sloksju, smaakju-smaksju, sokje-zoksju, staakje-staksju, stokje-stoksju, struikje-struuksju, stukje-
                       stiksju, takje-taksju, trekje-treksju, tukje-tuksju, vakje-vaksju, zakje-zaksju

             Tussen-t   
                  (woorden eindigend op p)
                          Vb aapje-aptju, een hoopje-unoptju, knoopje-knoptju, mopje-moptju, schaapju-sjhaptju, stapje-staptju, stopje-stoptju,
                               trapje-traptju

                  (woorden eindigend op f)
                          Vb briefje-brieftju, diefje-dieëftju, duifje-duuvutju, liefje-lieëftju, lijfje-lievutju, wijfje-wuuvutju

Uitspraak eerste of laatste letter
           
Neiging om eerste letter, zeker h, niet uit te spreken, lidwoord ‘een’ wordt ‘u’, verbindings ‘n’
                 Vb Een haag-daagu of u naagu, een haan- du of u noanu, een hamer-du of u naamur, een helper-du of u neëpur, een hen-(un)
                      enu, de/een hoed-du of u noeët, een hond-un(oent), een hotel-un(otil), het hotel-totil

            Neiging om laatste letter niet uit te spreken
                             Vb   Daar-doa, maar-mo, waar-woa
            De eind-t wordt niet uitgesproken met-me, dat-da, omdat-omda, niet-nie

Verder gebruik van oude spelling
        
Vb  Blussen-blusjhn, dorsen-dasjhn, fles-flesjhu, kuisen-kuusjhn, mensen-meënsjhn, mus-musjhu, pasen-poasjhn, sinksen-sienksjhn,
               tussen-tusjhn, vissen-visjhn, wensen-weënsjhn, vlaamse-vlamsjhu

Bijzondere woorden die in geen enkele regel passen
        
Vb ajuin-andjoen, bonzen-buusjhn, das-plastrong, dienaar-dieëndur, een(lidwoord)-u, gras-gas, groenten-groeënsuls, hebben-
             en, hoofd-kop, iemand-utwieën, ja ik-jaak, kerstdag-kestag,, lies-lieësjhu, mis-mesu, mooi-snel, neen ik-nink, open wonde-
             gabu, pastoor-pastru, porei-pret, rij-reeku, sjerp-sjarpu, stekje-suüfur, stotteren-staamurn, teljoor-talooru, tonen-toogn,  toren-
             toru, trui-boaj, vod-sluünsu, wateren-pisn

Gebruik van woorden die eigenlijk een andere betekenis hebben
        
Vb Bidden-leezn en Lezen-leezn, licht-lugt en lucht-lugt

Dubbel gebruik van het onderwerp
            
ju kiekt gie nor u foto - je kijkt naar een foto, ju zeg gie dadu

 

Enkele zinnetjes om te oefenen
Nu wenk sjaaänsu get, wi! Kreen u bitju tu zeeëru mo kaan up tiet guzieën datur poliesju stoent met u masjien voe du vitisu te meetn.

Moenk u kir u moptju of u klugt vurteln? Lieëvur nie want ju go jundur tog nie moeëtn lachn.

E ju giedur asan u zaksju mee voe jundur noent o ju go go wanguln?

O mu wuuvutju e nik up reizu goan zitn mu geërn ant strangu. Voe du kindurs ee! Men altiet santwiesjus mee e meëk. In uus otil eetn mu altiet vissoepu o mu dokoazju en.

Vanaf volgende week start ik met het publiceren van de woordenlijsten.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Welkom op mijn nieuwe blog!

Waar heb ik de kennis gehaald om een woordenboek op te stellen van ons geliefd Westends? In eerste instantie bij mezelf en mijn naaste familieleden, natuurlijk. Daarnaast heb ik geput uit websites over andere dialecten die in West-Vlaanderen gesproken worden. Het ‘West-Vlaams dialect’ op zich, bestaat niet. Jullie weten natuurlijk ook dat de dialecten verschillen van dorp tot dorp, van stad tot stad.

Iedereen kent zeker het merkwaardig ‘Oostends Woordenboek door Roland Desnerck’, dat al  lang zijn sporen verdiend heeft. Ik vond het dus logisch om dat werk als vergelijkingsbasis te gebruiken, natuurlijk met in acht nemen van alle verschillen. 

Het Westends dialect is net zoals het Oostends een Noordelijk Westvlaams dialect, dat wil zeggen gesproken tussen de IJzer en het Zwin. Het zijn ‘Ingveoonse’ of Noordzee-Germaanse dialecten.

Ook in Westende zelf zijn er aardig wat verschillen, te wijten aan invloeden van ouders of grootouders of partners, die uit andere gewesten ‘aangespoeld’ zijn. Het is ook mogelijk dat de oorzaak moet gezocht worden in het gebrek aan ervaring met het taaltje. Daarmee bedoel ik dat iemand die zeer regelmatig het Algemeen Nederlands spreekt, op het werk of zelfs thuis omdat men, al dan niet terecht, denkt dat de kinderen daardoor beter voorbereid worden op de studies en op het spreken van een beter, zuiverder Nederlands. Dat kan betwist worden, maar alhoewel ik het spijtig zou vinden dat minder en minder Westends gesproken wordt, is het hier niet de plaats en het ogenblik om daarover te redetwisten.

En dan … is er Facebook. Een redelijk groot aantal FB’ers maken vaak gebruik van het dialect bij het versturen van een bericht. Ik stelde daarbij vast dat er nauwelijks overeenkomst is tussen de gebruikte woorden en zinnetjes, vooral dan in de schrijfwijze. Iemand die de taal minder goed kent, kan daaruit niet opmaken hoe ze die moeten uitspreken.
Er bestaat natuurlijk een fonetisch schrift. Dat is een alfabet dat bedoeld is om de klanken uit de gesproken taal eenduidig in geschreven vorm vast te leggen. De symbolen van het alfabet corresponderen op een unieke manier met spraakklanken, terwijl dit voor gewone geschreven taal helemaal niet opgaat. In het Nederlands vertegenwoordigen bijvoorbeeld de drie e-s in "december" drie verschillende klanken. Eigenlijk is fonetisch schrijven dus het schrijven zoals een woord uitgesproken wordt. Dat heb ik dus ook gedaan.

Dat is niet altijd eenvoudig. Luidop lezen vergemakkelijkt het uitspreken.

Mijn schrijfwijze wijkt op enkele punten af van de klassieke fonetische spelling. Ik gebruik ook de symbolen niet.

Voor een eerste week en als kennismaking, wil ik het hebben over de klinkers           

  1. De “a’
    ‘a’ => ‘aa’     Vb  dagen-daagn, haken-aakn, jagen-jaagn, maken-maakn, plagen-plaagn, slagen-slaagn, slapen-slaapn, vragen-
                             vraagn, zagen-zaagn, zaken-zaakn
    ‘a’  =>  ‘ e’    Vb hart-ertu (maar hard-art), tarwe-terwu, dak-dek
                                 maar: bak-bak, lak-lak, mak-mak
    ‘a’ =>  ‘o’      Vb  bal-bolu, gebracht-gubrogt, vallen-voln, zacht-zogtu
                                 maar: getracht-gutragt
    'a’ =>  ‘oa’   Vb baren-boörn, datum-doötum, gas-goözu, gebaren-guboörn, jaren-joörn, kader- koödur, kalf-koöf, laten-loötn,                                   mate-moötu, paren-poarn, pater-poatur, sparen-spoarn, vader-voadru, varen-voarn, water-woatur          'aa’ => ‘oa’      ‘oa’ stelt het langer rekken van de ‘o’ voor
                       Vb baan-boönu, baard-boört, baas-boös, blaas-bloözu, draad-droöt, gevaar-guvoör, haar-oör maar eur als bezittelijk
                            voornaamwoord, jaar-joör, kaart-koörtu, kaas-koas, laat-loatu, maart-moartu, maat-moat, paar-poar, plaat-
                            ploötu, schaar-sjhoöru, straat-stroötu, taart-toörtu, twaalf-twoövu, vaas-voözu, zaad-zoöt, zwaar-zwoör
    ‘aa’ => ‘eë’      ‘eë’ stelt het langer uitspreken van de e voor
                        Vb aarde-eërdu, graag-geërn, lantaarn-lanteërn, paard-peërt, staart-steërt, waard-weërt, zwaard-zweërt
    ‘aan’ => ‘aän’  ‘aä’ stelt het langer uitspreken van de a voor
                         Vb: aangenaam-aängunaam, aangekleed-aänguklit, balans-balaänsu
                                       maar: aanbieding-anbiediengu, aankomen-ankomn, aanhangen-anang
  1. De ‘e’
    ‘e’   =>  eë’        de e in open of gesloten lettergreep wordt langer gerokken     
                           Vb expert-ikspeër, her(s)tellen-er(s)teëln, melk-meëk, smeren-smeërn, verteren-vurteërn, ’t zelfde-tseëfstu,
                                wensen-weënsjhun
    ‘ee’ => ‘eë’       ‘eë’ = e + e wordt verlengd
                          Vb  beer-beër, geweer-guweëru, peer-peëru, scheerzeep-sjheërzeeëpu,
     ‘e’ => ‘eeë’           verlengde e in open lettergreep: eeë = ee + e
                          Vb (af)deling-(Of)deeëliengu,bleken-bleeëkn, delen-deeëln, keren-keeërn, kleden-kleeën, kleren-kleeërn, kweken-
                               kweeëkn, lelijk-leeëluk, lenen-leeën, lening-leeëniengu,  leraar-leeëroöru, leren-leeërn, menen-meeën, regering-
                               rugeeëriengu, strelen-streeëln, tekenen-teeëkun, vreselijk-vreeësuluk, zeveren-zeeëvurn, zweten-zweeëtn   ‘ee’ => ‘eeë’   verlengde ‘ee’ = ee + e
                          Vb been-beeën, beest-beeëstu, een-eeën, Eernegem – Eeërnugem, heet-eeët, kleed-kleeët, leep-leeëp, meer-meeër,
                              meester-meeëstur/meeëstru, scheef-sjheeëf, teen-teeën, twee-tweeë, vlees-vleeës, zee-zeeë
    'e' of 'ee’ => ’i’       Vb beentju-bintju, spel-spil, venster-viïnstur, vent-vint, vreemde-vrimdu
      ‘ei’       = > ‘i’       Vb trein-tring; plein-pling
      ‘ei’       => ‘e’       Vb einde-endu
      ‘ei’       => ‘eeë’    Vb geit-geeëtu, klein-kleeënu, sprei-spreeë, zeiken-zeeëkn
      'ei'       => 'ij'       Vb veilig-vijlug, veiligheid-vijlugijt
      ‘e’        => ‘ie’       Vb brengen-briengn
    doffe ‘e’ als uitgang => ‘u’
              Vb   acht-agtu, bal-bolu, bed-bedu, bloem-blomu, bom-bomu, broer-broeëru, brug-brugu, deur-deuru, doos-doozu, drie-
                    drieë, fout-foutu, hemd-emdu, kan-kanu, kar-karu, kas-kasu, kat-katu, kerk-kerku, kist-kistu, klak-klaku, klas-
                    klasu, kool-koolu, mand-mandu, muts-mutsu, naam- naamu, nek-neku, paal-paalu, pan-panu, pen-penu, plant-
                    plantu, pomp-pompu, roos-roozu, school-sjhoolu, slang-slangu, storm-stormu, taal-taalu, tas-
                    tasu, tien-tieënu,  vier-vieëru, vijf-vuuvu, vlag-vlagu, wieg-wieëgu, zes-zesu zetel-zeetlu, zin-zin           
    doffe e op gelijk welke plaats in een woord => u
              Vb  bezet-buzet, geluk-guluk, het-hut, kelner-kelnur, mager-maagur, nutulooös, proper-proopur, …
    ‘
    en’ op het einde van een (werk)woord of van een meervoudsvorm, wordt afgekapt:
     
            Vb aapn, eetn, geevn, loopn, speeln, werkn, zotn
    ‘eu’ => ‘uü’      verlengde u, dit geldt voor de uit het Frans overgenomen woorden
              Vb  ascenseur-asaänsuür, blageur-blaguür, coiffeur-kwafuür, controleur-kontroluür, convoyeur-koönvajuür, coureur-koeruür,
                   décorateur-deekoratuür, dérailleur-dirajuür, 
    directeur-dieriktuür, facteur-faktuür, haut-parleur-ooparluür, ingenieur-
                   eënzjienjuür,
    moteur-motuür, tracteur-trektuür, triporteur-trieportuür, ventilateur-vintielatuür, voyageur-vajazjuür                                 maar: docteur-dokteur
  2. De 'i'
     ‘‘i’ => ‘ie’        Vb binden-bieng, kind-kient, drieling-drieëlienk, vinden-vieng, wind-wient, winkel-wienkul, winter-wientur, ring-rienk,
                               haring-oörienk
      ‘i’ => ‘iï’        De i wordt aangehouden                              Vb inval-iïnvol, venster-viïnstur, binst-biïnst
    ‘ie’ => 'ieë'       De ie wordt uitgerekt                                   Vb vliegen-vlieëgn, diep-dieëpu
    ‘ij’  => ‘uu’     Vb  blijven-bluuvn, pijp-puupu, vijf-vuuvu, wijf-wuuf
    'ij’  => ‘ie’
                    Vb bewijs-buwies, cijfer-siefur, lijden-lieën, lijf-lief, lijk-liek, lijn-lienu, mijn-mien (b.vnw) of mienu (z.n.), dijk-iek, gelijk-
                        gliek, gordijn-gordienu, ijzer-iezur, kijken-kiekn, kozijn-kozien,  lijst-liestu, nijd-nied, pijkens-piekns, prijs-pries, rijk-
                        rieku, rijp-riepu, rijst-ries, schrijven-sjhrievn, slijk-sliek, slijpen-sliepn, slijten-slietn, snijden-snieën, spijt-spiet, stijf-
                        stief, strijken-striekn, tapijt-tapiet, tijd-tiet, vrij-vrie, wijd-wiet, wijk-wiek, wijn-wien, wijs-wies, wijting-wietienk, zijn-
                        zien (zienk, zieju, zijn we- ziemu, zijn jullie-ziejundur, zijn ze-zienzu), zwijgen-zwiegun, zwijn-zwien
                     
                          maar: krijt-krijt
     
    ‘i’ => ‘u’   Vb tippen-tupn, wippen-wupn
     
    ‘i’ => ‘j’    Vb   baai-boaj, bloeien-bloejn, draai-droaj, haai-oaj, hooi-ooj, kaai-koaju, koeien-koejn, vloeien-vloejn 
  1. De ‘o’
     'o’ => ‘u’   Vb  bobbel-bubul, boter-butur, donder-dundur, mosselen-musuls, non-nunu, ochtend-nugtunt, schotel-sjhutul,
                         
    ’s ochtends-snugtuns,  ton-tunu, top-tup, wol- wulu, zon-zunu
                                          maar: kop-kop, mop-mop
     ‘o’  => ‘eu’  Vb koning-keunink, molen-meuln maar kolen-kooln, vogel-veugul, wonen-weun
     ‘o’ => ‘oö’            verlengde ‘o’
                    Vb confiance-koönfjiënsju, concert-koönseër, comfort-koönfort, convoyeur-koönvwajuür, dolk-doöku, kalk-koök, volgen-
                        voögn, volk-voök,
    ‘oo’ => ‘ooö’        verlengde ‘oo’
                       Vb bloot-blooöt, boot-booöt, brood-brooöt, dood-dooöt, groot-grooöt, moord-mooört, rood-rooöt, sjhoon-sjhooönu
    'oo’ => ‘eu’       Vb door-deuru, noot-neutu, zoon-zeunu
    'on' => ong: woorden stammend uit de Franse taal, eindigend op -on: garçon-garsong, téléphon => teeleefong, 
    ‘ou’  => ‘oe’  
                       Vb goud-goet, houden-oedn, houding-oediengu, hout-oet (maar: fout-foutu), jou-joen, koud-koet, kous-koesu, oud-
                            oet, ouders-oedurs, schouder-sjhoeëru, smout-smoet, stout-
    stoet, zout-zoet
    ‘ou’ of ‘au’ => ‘ow’
             
             Vb  bouwen-bown, benauwd-bunowt, flauwte-flowtu, fout- fowtu, gauw-gow, kabeljauw-kabuljow, mouw-mowu,
                            schouw-sjhowu, touw-towu, trouw-trow, saus-sowsu, veelvoud-
    veelvowt, vrouw-vrowu
    ‘ond’ of 'ont' => ‘oend’ of 'oent'
                       Vb grond-groent, hond-oent, honderd-oendurt, kont-koentu, mond-moent, pond-poent, rond-roent, stond-stoent,
                            wond-woendu, zonde-zoendu
    ‘ong’ => ‘oeng’      Vb  jongen-joeng, longen-loeng, tong-toengu en jong-joenk,
    ‘onk’ => ‘oengk’    Vb bonken-boenkn, fonkelen-foengkuln, nonkel-noengkl/noengklu, stronk-stroengku, vonk- voengku
     ‘oe’  => ‘oeë’     verlengde oe
                      Vb bloed-bloeët, goed-goeët, koe-koeë, moe-moeë, moed-moeët ,stoet-stoeët, toe-toeë, voet-voeët, zoet-zoeëtu  
  1. De ‘u’
    ‘u’   =>  ‘i’          Vb dun-dinu, put-pit, rug-rik (maar: mug-muggu), stuk-stik
    ‘uu’ =>  ‘eu’       Vb gebuur-gubeur, huur-euru, kuur-keuru, muur-meur, puur-peur, uur-euru, zuur- zeur
    ‘ui’ => ‘uu’
             Vb     buik-buuk, buil-buulu, buiten-buutn, duif-duuvu, duiken-duukn, duim-duumu, duizend-duust, fruit-fruut, gebruiken-
                     gubruukn, geluid-guluut, huis-uus, juist-zjuustu, kruipen-kruupn, kuip- kuupu, luid-luudu, luis-luus, muil-muulu, muis-
                     muus, pruik-pruuku, puid-puut, ruimte-ruumtu, ruit-ruutu, sluiten-sluutn, struik-struuku, struikelen-struukuln, suiker-
                     suukur, uil-uul, uit-uut, vuil-vuul, zuipen-zuupn 
    ‘uu’ of ‘ui’ => uitgerekte ‘ie’
               Vb 
    duur-dieëru, kuiken-kieëkn, ruiken-rieëkn, stuur (van auto)-stieër, vuur-vieër 

 

Enkele zinnetjes om te oefenen:
Keetn geeërn u ki me mu vrowu in u ristorang, gukent voe zu vreeë goeju sjhutuls me musuls of kabuljow in u niksilent sowsju, nateurluk me frietn en u goe glas wien en doragtur u poör sooörtn koös. Giedur ook? Dat is beetur dan u stuutu me butur wi!

Nu lopt up du diek me zu sjhooön smooörriek lieëf medu dieëru goedn rienk an eur viengur. Eën zu riekt goeët wi! Tis u lieëvu eën zis goeët vorzieën van pooötn en ooörn. Zooön lief!

In moörtu istn go jaagn me zu noenklu eën zu voödur die ook zu boös is, eën zu wildun u nertu sjhieëtn. Neeën, gin buk mor u nertu.

Tu vuuvn (of wast vieëru?) woörn zu ant voörn up du zeeë  in undur blooöt boovnlief. Undur rik en undur sjhoeërn woörn rooöt van u zunusteeku. Zadn undur mo moetn iïnsmeërn, ee?

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door stammer om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Woordenboek Westends Dialect

↑ Terug naar de berichten