Woordenlijst Nr 14: Kledij Juwelen Maquillage
Aakn e noogn: haken en ogen
Aaänguklit: aangekleed
Aaängutjootult: raar of slecht aangekleed
Aaänsjhoeë: handschoen
Aaänsjhoen: handschoenen
Agturbeuzu: achterzak
Alpingsju: muts
Alsbant: halsband
Andoeën: aandoen
Ang mo ju paaltoo an du portumaantoo: hang maar je mantel aan de kapstok
Angurtju: hangertje
Anklein: aankleden
Anen: aanhebben
Anpasn: aanpassen
Antasu: handtas
Baretu: baret
Batkostuumu: badpak
Batmutsu: badmuts
Bazasu: rugzak
Biekienie: bikini
Bievakmutsu: bivakmuts
Bijbiedol: babydoll, nachtkleding voor de vrouw, sexy lingerie
Bijbieklirtjus: babykleertjes
Binubeuzu: binnenzak
Binuzak: binnenzak
Blienk: schoensmeer
Bloeëzu: bloes
Bloezong: korte jas Fr blouson
Boerka: kledingstuk gedragen door Islamitische vrouwen; bedekt heel het lichaam, inclusief gezicht
Boerkienie: boerkini; zwemoutfit dat enkel handen, voeten en gezicht vrijlaat
Boksaaänsjhoeën: bokshandschoenen
Boloeët: bolhoed
Boöj: trui
Botien: hoge schoenen
Botienu: hoge schoen Fr bottine
Braaänzulee of Braaänzjulee: armband
Brijn: breien
Broekbeuzu: zak van de broek
Broeksju: broekje
Broekspuupu: broekspijp
Brosju: speld Fr broche
Burgurkleeërn: burgerkleren
Deekoltee: laag uitgesneden halsopening Fr décolleté
Djieëns: jeans
Djirsee: jersey, katoen of wollen machionaal gefabriceerde stof
Duukpak: duikerspak
Emdu: hemd => u nemdu: een hemd
Falaar: sluier, hoofddoek Fr foulard
Flieës: fleece, vacht, gebreide en geruwde stofsoort
Frak: jas
Gabardjinu: regenjas in lichte stof Fr gabardienne
Getn: beenstukken (vroeger van militairen) Fr guetrons
Goedn ketienk: gouden ketting
Goedn orloozju: gouden uurwerk
Goeduwerk: juwelen, sieraden, goud
Guzigtsmasjhur: gezichtsmasker
Kajuutn: rubberen pantoffels waarin de voeten geweldig zweetten, wat tot zweetvoeten leidde
Kanadjinu: overjas Fr canadienne
Kapootu: mantel met kap Fr capote
Kapu: kap
Kapuusjong: kap vastgemaakt aan de jas Fr capuchon
Katoeën: katoen
Kazuuvul: kazuifel, mouwloos opperkleed gedragen door de priester als hij de mis opdraagt
Ketienk: ketting
Kiemonoo: kimono; Japans kledingstuk. Losse mantel of japon met wijde mouwen die met een ceintuur wordt dichtgebonden
Kiendurkleeërn: kinderkleding
Klaksju: klakje
Klaku: klak, pet
Kleeën medu laptju: met welke kledij ook, er goed uitzien
Kleeërbustul: kleerborstel
Kleeërn: kleren, kledij
Kleeërn voe du vijlugijt: veiligheidskleding
Kleeërn voe tu feeëstn: feestkleding
Kleeërn voe tu werkn: werkkleing
Kleeërn voer in du vrieju tiet: vrijetijdskleding
Kleeërn voer int guvegt: gevechtskleding
Kleeërn voer uut tu goön; uitgangskleding
Kleeërn voet snagts: nachtkleding
Kloefn: klompen
Knoptju: knoopje
Koentukletsur: pitteleer, lange jas bij feestelijkheden
Koesn: kousen
Koesn die slookurn: kousen die afzakken
Kokmutsu: koksmuts
Kolaän: kousbroek Fr collant
Komuuniezong: onderjurk Fr combinaison
Kopspelu: kopspeld
Korsee: keurslijf Fr corset
Kostuumu: pak
Kotieln broek: fluwelen broek
Kroontju: kroontje
Krosjteern: haken met een haakpen Fr crochete
Kultun: kleren
Leëzn: laarzen
Linun: linnen
Maaänsjetu: manchet Fr manchette
Maaänsjetuknoop: manchetknop
Masjhur: masker
Mieniekienie: minikini
Moentmasjhur: mondmasker
Monokul: oogglas Fr monocle
Monookienie: monokini, bikini zonder bovenstuk
Mutsu: muts
Naaldu: naald
Nagtemdu: nachthemd
Neegliezjee: gemakkelijk ochtendgewaad Fr négligé
Niekam: nikam
Nielong: nylon
Nielongs: nylonkousen
Noeërujaagurtju (u): strikdas, vlinderdasje
Noöt: naad
Noöjmasjien(u): naaimachine
Noöjn: naaien
Nunukleeërn: religieuze kleding van een non
Oarmbant: armband
Oeët: hoed => Noeët (u): een hoed
Oeëwu zieëju gie doö nu aangutjootult?:Hoe ben jij nu aangekleed?
Oendurbroek: onderbroek
Oendurgoeët: ondergoed
Oendurlief: onderhemd
Oeërujaagurtju: strikje
Oendurlievutju: onderhemdje
Oogsjhaduw: oogschaduw
Ooörbelu: oorbel
Ooörrieng: oorbellen
Ooörrienk: oorbel
Oovral: overall
Oovurgoojur: overgooier, wijde mouwloze jurk zonder taille die over het hoofd wordt aangetrokken
Orlogu: uurwerk
Orloozjubantju: uurwerkbandje
Paltoo: mantel, overjas Fr paletot
Pardusuu: mantel Fr pardessus
Pasturkleeërn : religieuze kleding van priester
Peërul : parel
Pelsun frak: pelsmantel
Piekubestu => up zu piekubestu guklit zien: piekfijn gekleed zijn
Piewantn: wanten
Pinwaar: ochtendjas meestal gedragen bij het opstaan en vóór het slapengaan Fr peignoir
Pirmanaäntu: haargolf blijvend Fr permanent
Plastrong: das Fr plastron
Ponsjoo: poncho, van origine Zuid-Amerikaans kledingstuk, rechthoekige doek met in het midden een gat om het hoofd door te steken
Poönu: fluweel
Pulumutsu: puntmuts
Reegnkaptju: regenkapje
Reegnmantul: regenmantel
Rieëmtju: riempje
Rieëmu: riem
Riekooördu: schoenveter
Rieleëzun: rijlaarzen
Rowkleeërn: rouwkleding
Sandaaln: sandalen
Sandaalu: sandaal
Satien: satijn
Savatn: pantoffels
Senteuru: riem Fr ceinture
Sjakosju: handtas Fr sacoche
Sjarpu: sjerp Fr écharpe
Sjetu: sajette, wol
Sjhabu: schort
Sjhortu: schort
Sjort: short
Slepu: hemd => in zu slepn roentloopn: rondlopen zonder broek, in zijn hemd
Sletsn of Slufurs: pantoffels
Sliep: onderbroek
Slieptju: slipje
Smookieng: smoking
Snelzeikr: open vrouwenbroek
Soetjeën: bustenhouder Fr soutien
Soetoönu: soutane, onderdeel priesterkleding
Stofu: stof
Streksju: strikje
Striekiezur: strijkijzer
Striekn: strijken
Strieng: string, soort onderbroek of zwembroekje dat schaamstreek bedekt en verder bestaat uit een touwtje of smal stukje stof om het middel en door de bilspleet
Taal a ju gat ang: al je geld uitgeven aan kledij
Talongs: hoge hakken Fr talon
Tanga : tanga, damesslip
Tieritu: rits Fr tirette
Toepet: haarstukje Fr toupet
Tooga : toga, kledij van de rechter
Turnslufurs: turnpantoffels
Tuulu: mazenweefsel (doorzichtig)
U boöj brijn: een trui breien
Upgutietumatoojt: opgemaakt/opgezet
Uunieformu: uniform
Uutloötn: uitlaten, vergroten of verlengen van kleding
Uutrustiengu: uitrusting
Uutstriekn: uitstrijken
Veln mantul: bontjas
Vestubeuzu: zak van de jas
Viengurrienk: vingerring
Vlindurdasju: vlinderdasje, hoerenjagertje
Vrowukleeërn: vrouwenkleren
Vuliengu: (op)vulsel
Vurklindurn: verkleinen, inpakken
Vursjhooön: verschonen, verversen (baby)
Wienturkleeërn: winterkleren
Wulu: wol
Wuuvukleeërn: vrouwenkleren
Zeulu: zool (van u sjhoeë: van een schoen)
Ziedu: zijde
Zilvurn ketienk: zilveren ketting
Zilvurn orloozju: zilveren uurwerk
Zjartiln: jarretellen, onderdeel van het damesondergoed ter voorkoming van het afzakken van de kous
Zjielee: vest Fr gilet
Zokn: sokken
Zoksju: sokje
Zoomurkleeërn: zomerkleren
Zunuklaksju: zonnepetje
Zuutwestur: zuidwester, hoofddeksel gedragen door zeevaarders
Lipustiftu: lippenstift
Makiejoözju: make-up Fr maquillage
Misaaänplie:
Oogsjhaaduw: oogschaduw
Pirmanaantu:

