verjaardag
verjaardagen duren bij mij wekenlang. op 30 juni werd ik 66. nog vier jaar te doen en ik ben 70. volgende week is me nog een cadeautje beloofd, maar ik laat mijn vrienden breeddenkend toe nog tot einde 2012 cadeautjes te verzinnen!
tijd voor mij om
onwaardig ouder te worden. jaja, bij het schrijven
voel ik me schuimig, een fee, een feeks, een canaille.
zoals de dichteres in volgend gedicht (een verjaardagscadeau van mijn beste vriend jaak!)...
PULP
De stadsdichteres viert een feestje.
Lampionnetjes lichtelieren in haar tuin.
Haar troon is een ebbenhouten zetel,
Op de rugleuning brullen ivoren leeuwtjes.
Vanavond draagt ze een leuk violet hoedje
Met kleine zilveren draakjes.
Om haar hals en schouders een donkerrode stola,
Gemaakt uit echte struisvogelveren.
Haar knalrode mond vormt een kusje
Dat ze achteloos naar mij toewerpt,
Als ik ‘hartelijk gefeliciteerd’ zeg.
Met een mauve oogopslag kijkt ze door mij heen.
Uit haar zwembad, donkerblauw verlicht,
Duikt, als de Aphrodite van Botticelli
In een schelp op schuimend zilt,
Een roodblonde jongeman op met een waterdicht horloge.
‘Dat is mijn waterzoetje,’ lacht ze,
Als hij druipend nat voorbijgaat,
‘Will jij misschien wat drinken en eten?
Ik heb kippenvlees en rijst met aardbeitjes.’
Antonio, haar kantige lijfwacht, grijnst onder zijn snor,
De olijfkleurige held uit het zuiden,
Rolt zijn harde spierballen onder het nauwe shirtje.
Z’n Smith & Wesson maakt een bobbel in zijn broek.
Ik schenk haar rozen voor haar tuin
En een stapel papier met een verhaal van mij,
Dat ze misschien zou willen lezen
Wanneer ze eens heel veel tijd heeft.
Haar mening is gevraagd, haar taalmes vlijmscherp.
Ze noemt zich de Schaduwvrouw,
Maar vindt het leuk om af en toe
Een Lief Okerkleurig Scharminkel te kunnen zijn.
‘Ze is de Patti Smith van deze stad,’
lalt een stomdronken blondine,
een beetje jaloers dat zij mijn verhaal heeft genomen
en onder extra kaarslicht begint te lezen.
Nu eerst ontdek ik Macuto uit Congo.
Hij staat in een donker hoekje van de tuin.
Zwart in zwart, met een grote waaier uit satijn
Verwent hij zijn Dame met frisse lucht.
Daar komt Isabelle, die zo lekker kookt,
En mij op de wenk van de dichteres
Een tropisch drankje brengt.
Haar mooie borsten ruisen aan mij voorbij.
‘Prachtig,’ zeg ik, en bedoel de kleur van het drankje
Isabelle masseert mijn nek
En wast mijn handen en gezicht
Met vochtige, jasmijngeurende doekjes.
‘Ik ben benieuwd wat je hier hebt geschreven.’
De Schaduwvrouw leest en zal erover zuchten:
‘Ook op mijn verjaardag moet ik werken.
De literatuur gaat altijd voor.’
De kaarsen zijn tenslotte opgebrand,
De muziek wordt rustiger
En eerste gasten gaan terug naar huis.
Een jong paar kruipt onder een struik vandaan.
Soms lacht ze, de Schaduwvrouw,
Met haar potlood krabbelt ze kleine woordjes:
‘Minder komma’s, kortere zinnen.
En lekker veel schrappen.’
Elke bladzij die ze heeft gelezen,
Houdt ze in de lucht, om te laten vallen,
En weggewaaierd van Macuto
Krijgt ieder blad haar stille zegen.
Ze zweven in de tuin als witte platvogels.
Gasten vangen hen en maken er papiervliegers van.
De blonde griet springt ermee in het bassin,
Ze kan alleen maar bootjes vouwen.
Na een Bacardi, diverse wijnen en een cognac
Heeft ze nog éen bladzijde in haar hand en zegt:
‘Mijn chauffeur brengt jou even naar huis.’
Ze beweren dat hij een Bulgaar zonder rijbewijs is.
Ik vind het een grote eer
Dat ze zich zo om mij heeft erbarmd.
Als ik ga, moet ze het nog even kwijt:
‘Zeg eens,’ uit haar spreekt Waarheid, ‘jij schrijft wel PULP.’
Jak Otterspeer 1.07.2012

