Na een artikel in de New York Times over Vlaanderen dat ook werd afgedrukt in de International Herald Tribune ontstond er meteen een discussie over het imago van Vlaanderen. Dat is begrijpelijk want sommigen denken dat de New York Times een soort Neurenberg Tribunaal van het imago is.
Ik heb een abonnement. Die gedachte is zeer overdreven. De krant heeft een oplage van iets meer dan één miljoen en wordt door de meeste Amerikanen verafschuwd als elitair en links. De krant is niet slecht, maar bevooroordeeld. Ik zou er niet van wakker liggen.
Het Vlaamse imago
Maar de Vlaamse media beginnen meteen te bellen met andere buitenlandse journalisten over het Vlaamse imago. Ten eerste naar de Fransman Jean Quatremer van Libération. Geen onaardige jongen maar hij ziet zichzelf - een beetje self-inflated als de grote spreekbuis van de buitenlandse correspondenten in Brussel. Hij vindt Vlaanderen ook niets en ziet vooral de Franstalige invalshoek.
Ook de Duitser Michael Stabenow van de Frankfurter Allgemeine Zeitung werd gebeld. Stabenow spreekt Nederlands en is een integer journalist. Maar soms is hij een beetje legalistisch en ziet niet dat de ontwikkelingen in de Belgische socio-economische onderbouw gevolgen heeft voor de federale bovenbouw. Met iets minder Duits legalisme en iets meer Duits marxisme zou hij Belgie realistischer inschatten.
Politieke correctheid
Toch zou het té makkelijk zijn de uitspraken van die buitenlandse correspondenten als dom en nutteloos af te doen. Vlaanderen heeft een imagoprobleem bij buitenlandse elites. De oorzaak hiervan is dat politieke en mediatieke establishment in de meeste Europese landen en de VS links is. Die elites hanteren het spraakgebruik van 1968 en doen de lakmoesproef van de politieke correctheid. Termen als humanisme, tolerantie, minderheidsrechten worden gebruikt om de eigen visie te laten domineren. Wie een andere visie heeft wordt in het vakje van nationalisten, separatisten en provincialisten geplaatst.
Taal is dus een machtsmiddel. Vlaanderen herbergt burgers uit andere culturen en taalgebieden, maar wordt in dat imago-debat toch altijd afgeschilderd als het "Servië aan de Noordzee". Dat gebeurt vooral als het gaat om de problemen met Franstaligen in de Vlaamse randgemeenten om Brussel.
Assimileren van moeten
De New York Times en Libération hanteren termen als humanisme en tolerantie in eigen land op eigen wijze. Wie in Amerika of Frankrijk wil wonen en werken moet assimileren. Zo niet, krijg je geen baan en raak je in de sociale marge. Beide landen hebben een universele culturele pretentie en wie in Amerika of Frankrijk gaat wonen, moet zich aanpassen. Vreemd genoeg zien de New York Times en Liberation dat anders zodra het om het buitenland gaat.
Men mag van Franstaligen die in Vlaanderen komen wonen verwachten dat ze zich aanpassen en de taal leren. Maar dat doen ze niet, want de eigen taal is superieur. Waarom zouden ze dat boerentaaltje leren? Als de Vlaamse regering Franstalige burgemeesters in Vlaamse randgemeenten vraagt zich een beetje aan te passen aan de politieke en adminstratieve realiteiten weigeren ze dat.
Rechten geschonden
Ze roepen dat ze worden gediscrimineerd en onderdrukt en dat minderheidsrechten worden geschonden. Kortom: de Vlaamse overheid is anti-humanistisch. Kranten die in eigen land assimilatie eisen, roepen in het buitenland: schandalig, Balkanees Vlaanderen.
Het probleem voor Vlaanderen is dat die taalkwestie in de randgemeenten op het gebied van het imago moeilijk te winnen is. De redenering en methodiek van de politieke correctheid van de 68-generatie kan men niet bestrijden met culturele ontvoogdingsargumenten uit de jaren vijftig en vaandel-symboliek van de Marsen op Brussel. Die argumenten klinken in één keer verdacht, ze rieken naar zwijgend fascisme.
Aan de verkeerde kant
De geschiedenis wordt geschreven (zoniet herschreven) in een ander jargon. Vlaanderen staat als het ware aan de verkeerde kant van de geschiedenis en wordt afgeschilderd als Blut und Boden regio. De Franstalige burgemeesters weten dat. Ze provoceren bewust. Ze doen Vlaanderen in de ban als het nieuwe Servie. Dit is niet gebaseerd op feiten, maar het politiek correcte prisma dat het intellectueel denken domineert.
Wat te doen?
Wat kan Vlaanderen doen?
In de eerste plaats moeten Vlaamse politici in de Raad van Europa veel behendiger zijn in het tegengaan van de acties van Franstalige politici om die Raad te politiceren in de kwestie rondom de randgemeenten. Weer was er een delegatie. Tien jaar geleden was dat met een Zwitser, nu een Fransman. Vlaamse politici moeten niet hun gelijk of zieligheid in de Assemblee van de Raad van Europa verkondigen, maar een strategie ontwerpen met coalities en procedures die deze flauwe kul torpedeert.
Jarenlang heeft trouwens de Nederlandse voorzitter van de Assemblee, het CDA-lid René van der Linden, die kwestie van de agenda gehouden. Maar René - een goede vriend van Leo Delcroix - is nog niet weg, of het gedonder begint weer. Nu kwam er een Franse rapporteur en de conclusie ligt vast. Vlaamse politici hebben het laten afweten in het Straatsburgse halfrond.
Nederlands is de officiële taal in Vlaanderen
Ten tweede moet Vlaanderen de communautaire ontwikkelingen in Belgie niet enten op taalkwesties rond Brussel. Die taalkwesties kan Vlaanderen imago-gewijs niet meer winnen. Dat leidt steeds tot uitwassen met berichten dat kinderen geen Frans op een Vlaamse speelplaats mogen spreken. Het gaat erom dat in Vlaanderen Nederlands de officiele taal is en dat nieuwkomers zich aanpassen.
Als ze op straat, in het café of thuis ook nog Frans, Italiaans of Chinees praten is hun zaak. De overheid moet taalkwesties beperken tot administratieve aangelegenheden; elke stap daarbuiten sterkt het argument van Servië aan de Noordzee. Daarbij kan men aanvoeren dat taalfaciliteiten een tijdelijke gunst zijn die tolerantie en openheid weerspiegelen.
Een socio-economische argumentatie
Ten derde moet Vlaanderen in communautaire kwesties, ook die van BHV, de socio-economische argumentatie volgen. Vlaanderen wil meer bevoegdheden om zich goed voor te bereiden op de globale wereldeconomie. Het wil instrumenten voor eigen beleid; zoals economische, politieke, sociale en vooral fiscale. Het wil een aanleghaven zijn voor de innoverende bedrijven op deze wereld. Dat is een legitieme wens. Elk land wil dat. Als Franstalige politici liever doorgaan met hun transfer-economie van sociale uitkeringen en politiek clientelisme staan zij aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Dan hebben zij iets uit te leggen.
Een Wallonië-beleid
Ten vierde moet Vlaanderen een effectief Wallonie-beleid ontwikkelen. Vlaanderen heeft met tal van landen en regios akkoorden, maar bij mijn weten niet met Wallonie. Vlaanderen zou een bilateraal economisch raam-akkoord kunnen sluiten met Wallonie waarin het direct helpt met de economische heropleving van die deelstaat, zonder bemoeienis van de federale tussenlaag die parasitaire trekken begint te vertonen. Hetzelfde geldt voor het Brussels Gewest. Dus directe relaties voor Waals herstelbeleid.
Dat laat zien dat Vlaanderen niet egoistisch is of onverschillig voor de sociale malaise van Wallonie. Het wil helpen en een directe partner zijn, zonder al die federale baantjesjagers die er niets van bakken. De federale regering is een regering die er zit om er te zitten, maar die niets kan: een schertsvertoning die lijkt op een vorm van werkverschaffing voor partij-prominenten.
Gravensteengroep
De onlangs opgerichte Gravensteengroep en zijn documenten vormen een bijzonder goed fundament voor een Vlaamse beleid dat het imago in het buitenland verbetert. Folders en woordvoerders helpen niet. Het gaat om daden die aantonen dat Vlaanderen een regio is met een ruim venster op de wereld; niet het Servië aan de Noordzee.
******************************************************
Publicatie van deze VRT-column van Eppink impliceert niet dat wij met alle elementen uit het stuk akkoord gaan. De redenering bevat beslist stof tot nadenken en bespreken. En reageren uiteraard.
<!VMDG>