
De schrijver rond 1950
de foto's van het AMVC "verdwijnen" voor een uurtje na 24 uur wegens dagelijkse update
Willem Elsschot mag dan een begenadigd schrijver zijn geweest, voor zijn “Inleidingen tot het werk van collega-auteurs” genoot hij veel minder aanzien. In schrijverskringen was men van oordeel dat hij er veel te veel toe neigde hun werken op een overdreven manier te bewieroken.
Hierna volgt zijn introductie tot “Mijn kleine Oorlog” van de hand van Louis Paul Boon, zodat u zich wellicht reeds een idee kunt vormen in welke mate u deze visie kunt onderschrijven.
Vooraf werd Boons debuutroman “De voorstad groeit” reeds op voorspraak van Willem Elsschot met de Leo J. Krijnsprijs bekroond.
“Mijn kleine Oorlog” steunt op eigen belevenissen en herinneringen van de schrijver en geeft de waanzin van de oorlog weer vanuit het gezichtspunt van de kleine man.
Ik citeer:
Louis Paul Boon, Mijn kleine Oorlog.
Leo J. Krijn was een van mijn jeugdvrienden en toen zijn weduwe in 1941 of 1942 besloot een litteraire prijs uit te loven, ter nagedachtenis aan haar man, kon ik niet weigeren voor het eerst in mijn leven lid te zijn van de jury die zou uitmaken wie het best gebakken broodje had ingezonden.
Ik kreeg heel wat manuscripten te verteren over liefde, dood en andere avonturen, lange en korte, getypte en met de hand geschreven, van oudere en jongere, mannelijke en vrouwelijke auteurs .Zij waren mij allen vreemd: onbekende, op hoop levende menschen, verdeeld over heel het Vlaamsche land, die in dorpen en steden met kloppend hart op het bericht zaten te wachten “uw verhaal heeft de palm weggedragen”.
Het was een zeer zware karwei, want voor mij is het nu eenmaal een marteling een verhaal in zijn geheel te moeten slikken indien uit de eerste bladzijde niet blijkt dat de lezende man niet toegesproken wordt door een persoonlijkheid, door iemand die iets te zeggen heeft. Niet zoozeer iets wat voordien nooit gezegd werd, want alles werd te eenigen tijde reeds gezegd, als wel iets dat nog niet op die manier, met die klemtoon, ten gehoore werd gebracht. En al die verhalen verveelden mij, tot ziekwordens toe. Het laatste heette “De voorstad groeit” en was, helaas, driemaal zo lijvig als de dikste van de saaie dingen die ik reeds verteerd had in die week van smarten. Ik stond op het punt die brontosaurus ongelezen terzijde te leggen, toen mijn geweten in opstand kwam. Dat mocht niet, want ik kon immers geen oordeel vellen zoolang ik dat laatste bakbeest niet verwerkt had. Ik stak dus van wal met de gelatenheid warmede ik begin aan de massale romans van onzen Russischen collega Dostoïewski, waarbij ik telkens nakijk of ik nog niet over de helft ben en die ik tot de laatste bladzijde lees omdat ik niet anders kan.
Ik begon ’s avonds om halfnegen en ik herinner mij dat ik pas stopte toen ik mijn vrouw van uit bed hoorde roepen dat het half drie was. Ik schrikte op, telde even na en constateerde dat ik iets minder dan de helft achter den rug had. Zonder de tweede helft te lezen schreef ik nog even aan de jury dat men, voor mijn part, de prijs gerust aan die L.P. Boon geven kon, want zoo heette die onbekende. En toen bleek dat mijn confraters er precies zo over gedacht hadden.
“Mijn kleine oorlog” is in even sterke mate van Boon als “De Voorstad Groeit”. Zoals men een schilderij van Rubens aan een borst, een been, een achterste, zelfs aan een boom of een voorwerp herkent, zoo herkent men het proza van Boon aan de minste van zijn bladzijden. Zijn stijl is ruw, brutaal, ongeschoold, soms plat, maar dat alles is bewust en gewild, met goede, ja met edele bedoelingen. Want Boon is een idealist, hoe eigenaardig en hoe onburgerlijk de uiting van zijn idealisme ook zijn mag. Hij ziet zoveel onrecht, verdrukking, lafheid en kleinzieligheid om zich heen dat hij niet weet waar hij mee “beginnen” moet. Het is als vreesde hij dood te gaan voor dat hij al zijn gal heeft uitgespuwd, voor dat hij de laatste van die milliarden larven heeft doodgetrapt. “De 2 Blinden” is het mooiste tafereel van Breugel de Oude dat men zich verbeelden kan. Niet alleen de twee blinden zelf die uit Breugel’s schilderij als geknipt zijn, maar ook het winterlandschap en de fabriekswijk met haar sfeer van armoe-sta-bij. Een meesterstukje op zichzelf. “Albertine Spaens “ is een hymne aan de ellende en een anathema over de maatschappij waarin zulke dingen als schimmel tieren. In “Het Eerste Uur” zit de schimmel van de bevrijding uit een lange, bange droom, een vreugde zoo geweldig dat zij de werking heeft van een groote smart die zich eindelijk, eindelijk een weg kan banen. “Lof der Boswell Sisters” is een zuiver lyrisch gedicht, want Boon is een dichter, wat hij zich ook verzetten mag. Trouwens, indien hij te lang tegenstribbelt, dan zal ik hem zijn bloedeigen”Lea Lübka” onder de neus houden tot hij nederig bekent. En door heel het werk klinkt de gedesabuseerde mineurtoon van iemand die zijn beste gezicht wel opzet maar die toch, in ’t diepste van zijn ziel, onmogelijk gelooven kan dat het ooit zal beteren.
Waarde lezer, lees dit boek niet met de woorden van een litterair criticus, speur niet naar de overtollige of ontbrekende of gebrekkige punctuatie, niet naar onhollandsche uitdrukkingen noch naar gallicismen, maar lees het met uw hart, met een sprankel van het groot-menschelijk gevoel waarmede Boon het geschreven heeft. Uw diepste menschelijke waardigheid zal wakker worden en wellicht zult gij den schrijver behulpzaam zijn bij het vertrappen van die milliarden larven waardoor wij belegerd worden, ieder van ons in zijn kleine idealistische schans, van die larven die de Groote Verbroedering in den weg staan, de verbroedering van blanken en zwarten, van Britten, Moffen en Russen, de verbroedering die nochtans aan de grootste collectieve gruwel een eind zal maken: aan de oorlog. Schaart u onder Boon’s vaandel, want zijn “Kleine Oorlog” is niets anders dan de “Oorlog aan de Oorlog”.
Antwerpen, 31 Maart 1946.
(Bron: Ongebundelde teksten)
Schril in contrast met die toch ietwat minder gesmaakte reputatie is Elsschots schamper stukje over “De Metsiers” van Hugo Claus (1949) dat vervat was in een briefje aan Manteau, Claus’ uitgever.
Ik zend U “De Metsiers” terug dat ik in zijn geheel gelezen heb en dat wil wat zeggen qua zelfopoffering. Het verhaal heeft volgens mij generlei literaire waarde en is zeker niet geschikt om in boekvorm uitgegeven te worden. Het is gewild ordinair en zo rommelig dat men onmogelijk uit de personages wijs kan worden.
Had die afwijzing iets te maken met de wankele verhouding tussen Elsschot en Hugo Claus? Niets toont dat aan, vast staat alleen dat het tussen die twee nooit boterde. Misschien stond dat zelfs in de sterren geschreven. Het waren immers niet zomaar twee totaal verschillende persoonlijkheden, ook als auteur waren ze niet te vergelijken: enerzijds de hyperzuinige schrijfstijl van Elsschot en anderzijds de exuberante schriftuur van Claus. Elsschot zat wel in de jury die Claus de Krijns-prijs toekende, maar in feite vond hij “De Metsiers” die bekroning niet waard.
Trouwens ook van Claus zijnerzijds mocht Elsschot het ontgelden. Hij vindt de verheerlijking van dat “zuivere Nederlands” van Elsschot irritant. “Volgens mij komt dat door die fatale drie maanden die hij doorbracht in Nederland. Eenvoud is per definitie een deugd bij jullie. Maar de dingen van deze wereld zijn niet eenvoudig” aldus Claus.
Zeggen dat deze twee grootmeesters van de Nederlandstalige literatuur elkaar het licht niet gunden zou wellicht overdreven zijn, dat er verdere aanwijzingen zijn tot onderlinge toenadering is dat wel.
Raymond
7 reacties op dit bericht
@Marijke
Ik heb er namelijk grote twijfels over!
Lelijk!
Hopelijk...
Geraamtes lopen, wat zeg ik, lopen?, sleuren zich vooruit met een zware handicap, want gaan of lopen is er al lang niet meer bij.
Griezelige wezens, zou het dan toch waar zijn dat er leven van andere planeten is nedergedaald op onze aardkloot!
Als ik de waanzin van alle religiesektes hoor zou men het bijna gaan geloven, maar dat lukt ze niet én zal ze nooit lukken.
Géén waanzin aan mijn kop.
@ Regus (bis)
Tracht zèlf maar een te fluiten zonder tanden !
Wat bedoeld U...
Zal Dame Gerda ook zo'n pruik opzetten, of zal ze paraderen met haar kousen en fluisterbroek ?
@ Regus
Wat die mannequin draagt is een fluisterbroek.