Als schrijver had Elsschot een veilig onderkomen gevonden in een burger; Hij leidde exact het leven waar elke burger van droomt: een oerdegelijk huis in een met zijn stand overeenstemmende buurt, een goed lopende reclamezaak, vakantie aan zee, kinderen in goeden doen, een uitgebreide, zeer heterogene vriendenkring, een goede sigaar, en als het even kon een borrel teveel op.
Hij was dan ook een geslaagd zakenman: hij was een van de belangrijkste vernieuwers van de reclamesector en professionaliseerde het vak. Hij verdiende goed en hield ook een aandachtig oog op zijn rekening. Alleen bij het begin van de Tweede Wereldoorlog vielen zijn inkomsten fors terug. Hij raakte in paniek, want als hoofd van een kroostrijk gezin moest hij er voor zorgen dat er brood op de plank kwam. En wat ook meespeelde was zijn Bourgondische levensstijl, die hij alleen met regelmatige inkomsten kon in stand houden. Op een bepaald moment werd hij zodanig bang dat hij zijn huisje aan zee verkocht, vermoedelijk fel onder de prijs. Hij is die terugval echter snel te boven gekomen.
Maar er was ook de mens De Ridder, de door Fine verwende gastronoom en niet minder de liefhebber van alcoholische verversingen. In zijn huis aan de Antwerpse Lemméstraat hield Elsschot wijnfuifjes voor zijn vrienden. Het huis was weelderig ingericht, met veel tapijten, schilderijen en beelden, veel porselein en glaswerk op de buffetten en….een vat wijn in de kelder. Kortom de woning van een welstellende burger die het niet aan zijn hart liet komen.
Wijn drinken betekende voor hem vooral het smeden en aanhalen van vriendschapsbanden. Hij was een ware kenner, had een verfijnd palet, maar wilde niet de snob zijn en bottelde ook wel de goedkopere soorten. Zijn wijnavonden waren berucht. Uit een ton beaujolais kwamen ongeveer 100 flessen. En na zo’n avondje schoten er nog amper 10 tot 15 flessen over, die dan door Fine zorgzaam werden weggeborgen.
Maar ook Nederlandse jenever viel bij Elsschot niet slecht in de smaak. Hij had zijn eigen ritueel bij het bestellen van een nieuwe kruik. Dan draaide hij eenvoudig het nummer van kruidenier Gillis, die hooguit op een vijftigtal meters van hem woonde op de hoek van de Lemméstraat en de Van Schoonbekestraat, en zei niets anders dan: “Ik begin nu te tellen”. Tegelijkertijd liep hij naar de voordeur. Wanneer hij die opentrok, ongeveer 25 seconden later, stond de hijgende kruideniersbediende op de stoep.
Zijn grootste zwakheid bestond echt in het nuttigen van alcoholische dranken, maar weinigen zullen hem ooit echt dronken gezien hebben, in het slechtste geval was hij licht euforisch aangeschoten. En heel opmerkelijk: hij dronk wel mee, maar niemand zag hem ooit lachen. Hij zat geniepig uit zijn ooghoeken te kijken. Zelfs tijdens de legendarische wijntapperijen in zijn kelder, waar volop gezongen en gedanst werd, bleef hij pienter uit zijn ogen kijken. Hij hield alles scherp in de gaten en zorgde er voor dat ieder glas op tijd werd bijgeschonken. Hij bleef toch in de eerste plaats een toeschouwer op zijn eigen feest, een binnenvetter die op zijn manier genoot.
Qua interne communicatie met Fine ging het er weleens hilarisch aan toe. Dan stond hij met een vriend te borrelen bij dat buffetje en ze kon hem nooit op de gepaste manier aan tafel roepen. Op alle methoden had hij wat aan te merken. De ene keer riep ze: “Fons, komde ge ete”, waarna hij begon te mompelen: “Wat is dat voor een vraag, dat vraag je toch niet. ’t Is middag, natuurlijk kom ik eten”. Een andere keer riep ze: “Fons, ete”. Dat vond hij dan weer afsnauwen: “Goed voor ne soldaat”. Waarna zij als ultiem middel naar de bel greep en dat vond hij dan weer fantastisch. Dat was iets wat hij niet had verwacht. Vanaf die dag heeft ze altijd gebeld.
Achter de Bourgondiër ging evenwel ook de gevoelsmens schuil. Meermaals gebeurde het dat hij met een zachte door ontroering verstikte stem uit eigen werk voorlas waarna hij in huilen uitbarstte. Bekend is ook het verhaal dat hij in Diest eens voor een meisjesklas een lezing moest houden over “Kaas”. Hij was toen zodanig ontroerd over zijn eigen werk dat de tranen hem over de wangen rolden. Waarna die meisjes massaal in snikken uitbarstten en hij er niet beter op vond dan het op een lopen te zetten.
Willem Elsschot had ook niet de allures van de letterkundige die schrijverscongressen bezoekt en over literatuur correspondeert met vakgenoten. Ook de torenhoge bibliotheek die bij dit type past, ontbrak in zijn huis. Hij bezat slechts twee boeken: de bijbel en een dundrukeditie van Shakespeare. Ook zijn eigen werken zou men in de Lemméstraat vergeefs zoeken. Alleen wanneer hij er ergens een lezing moest over houden deed hij beroep op zijn zoon Walter, die ze wel bezat.
Meer over dit schrijvend genie in een volgende bijdrage.
Raymond
1 reactie op dit bericht
Wie...