Men probeert geen schepping .. . (Willem Elsschot)


Het siert Vlaanderen niet, maar de waarheid heeft haar rechten : veel vroeger dan in onze eigen contreien genoot Willem Elsschot in Nederland de erkenning die hem toekwam. Zo ruimde het tijdschrift “Groot Nederland” in juli 1937 veel plaats in voor zijn werk in het algemeen en waarbij bovenop nog eens uitgebreid de lof gezongen werd over “Pensioen”, zijn toen laatst verschenen roman. De drijvende kracht achter dit initiatief was niemand minder dan zijn vriend Jan Greshoff, die hem in dit kader om enkele biografische gegevens vroeg. De grapjas in Willem Elsschot stak meteen de kop op en hij antwoordde als volgt: “ Ik ben helaas geboren op 7 mei 1882 in Antwerpen (staat België) op de De Keyserlei 52. Het huis draagt nog steeds hetzelfde nummer. Het heet nu “City Bar” en ik kan het je recommanderen voor een lekkere sandwich.” Elsschot besloot heel ironisch met: “ Ik ben 1 m 68 lang en weeg 76 k.g.” Greshoff, hem al te goed kennende, vatte wel de humor ervan en nam het gegeven over in “Groot Nederland”. Waarop Elsschot dan weer reageerde met “Niet zonder genoegen maar ook niet zonder een beetje verstomd te staan ontdekte ik die m. en k.g. op pag. 147. Verdomd aardig van je. Maar wat moet men in Nederland denken zeg.”
Meer kenmerkend voor Elsschot kan niet. In zijn dagelijkse praktijk had hij nu eenmaal de reputatie de gebruiken van het schrijverschap te relativeren, terwijl hij er qua literatuur toch een verheven opvatting op nahoudt. Hoe men het ook keert of draait, blijft hij een kind van de late negentiende eeuw toen de Tachtigers godsdienst inwisselden voor poëzie en schrijven in het Nederlands voor Vlamingen een revolutionaire daad was. Dat voor hem literatuur een belangrijke zaak is, blijkt duidelijk uit de Inleiding tot Kaas: “In kunst mag niet geprobeerd worden Probeer niet te schelden als ge niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zolang ge niet vol zijt van vreugde. Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf, te gepasten tijde.” Als een privégrapje onverwacht opduikt in het literaire domein, komen de ernstige en de relativerende kant van Elsschot in conflict. De vraag stelt zich of literatuurminnend Nederland hem nog wel au sérieux zal nemen.
U zelf relativeren of de schijn ophouden? Ook wanneer Elsschot zichzelf portretteert in zijn romans is dat de vraag. Ten tijde van “Tsjip” boekt hij onder zijn eigen naam Alfons De Ridder enig succes als zelfstandig reclameagent. De zin voor zaken doen had hij blijkbaar van zijn vader geërfd : vader Krist kon al vroeg met de opbrengst van zijn bakkerij aan de De Keyserlei gaan rentenieren in zijn huis op het Antwerpse Zuid in de Cuylitstraat 87. In zijn roman verdraait Elsschot dat wel zodanig dat het helemaal anders klinkt: zijn alter ego Frans Laarmans noemt zijn vader een “eenvoudige bakker” en zelf is hij geen zakenman, maar kantoorklerk. Elsschots eigen jaren als chef-correspondent bij de Schiedamse scheepsbouwer Werf Gusto liggen dan al lang achter de rug, maar in zijn gecreëerd zelfportret doet hij zich veel kleiner voor dan hij in werkelijkheid is.
Van tijd tot tijd botst die literaire voorkeur met de autobiografische stof die hij verwerkt. Zo heeft hij in Sint-Idesbald een buitenverblijf, maar voor underdog Laarmans klinkt dat – we zijn in de jaren dertig – vrij onwaarachtig. Wanneer zijn ik-figuur uitpakt met de melding dat dochter Adèle tijdens de paasvakantie aan zee zal huwen, haast hij zich dan ook om er aan toe te voegen: “Mijn verlof is op de fabriek al geregistreerd.” Op die wijze duidelijk makend dat Laarmans wel degelijk de kleine man is die niet zonder meer in vakantie gaat als het hem uitkomt.
Doordeweekse mannetjes vindt men wel meer terug in de Vlaamse literatuur van het interbellum, onder anderen bij Gerard Walschap en Maurice Roelants. Ook hun personages zitten geregeld klem “tussen droom en daad”, tussen revolteren en berusten. Een bepaalde visie wil dat dit zou te maken hebben met de onvoltooide ontvoogding van de Vlaamse burger, die financieel en sociaal zijn achterstand heeft ingehaald, maar finaal blijft kampen met een minderwaardigheidscomplex.
De Elsschotlezers zullen zeker niet stilstaan bij deze historische interpretatie, die overigens vatbaar is voor discussie. Reden waarom we die houding toejuichen. Voor hen blijft Elsschots oeuvre in de allereerste plaats en hoe dan ook van universele waarde en van alle tijden. Terecht.
Raymond












Win je daar stemmen mee?"
Met dikke tetten, sexy benen en een goed gevormd gat, daar haalde stemmen mee; bij de kiekens toch! Met gesticuleren, roepen, tieren en luide scheten laten daar haalde stemmen mee; bij de boerenknuppels toch! Aanwezigheid en show, daar haalde ook stemmen mee; bij de ‘nekskens’ toch! Werken in dienst van het volk, zoals het hoort voor een politieker, daar haalde meestal geen kloten door … Nog een beetje moeite streep, en met wat geluk geraakte toch nog aan uw ‘plouchke’ … dan zijde weeral gerust voor een tijdje … Of ’t zou moeten zijn dat er (stillekensaan) toch nadenkende Vlamingen wakker worden; dan kunde, samen met alle andere correcten, gaan witten … of samen met uwen dikke gaan swaffelen, kwestie van met uw eigen pitje eens te spelen in plaats met dat van ons!