Teixeira de Mattos (Willem Elsschot - aflevering 7)

De achterneef van Emmanuel De Bom
‘Jij heet voortaan Teixeira de Mattos, dat is nog eens een naam, vind je niet?’ herdoopt Boorman Laarmans in Lijmen. Teixeira de Mattos is vooral bekend als vertaler van Louis Couperus, maar had Elsschot de naam daarvandaan? Die naam komt immers meer voor dan men zou denken.’
‘Ik wist van mijn vader dat zijn oom Emmanuel de Bom een vriend had met diezelfde naam. Voornaam Alexander’, zegt Peter Moreaux, achterneef van E. De Bom. ‘Ik wilde weten waar Elsschot die naam vandaan had. Op mijn negentiende belde ik voor het eerst in de Lemméstraat aan. Het was een namiddag in 1957.’
Elsschot had weinig tijd, maar beantwoordde de prangende vraag van de jongeman in de deuropening. ‘Duurt een enkele minuut’, zei hij. ‘Ik was in een taverne, Emmanuel de Bom zat er met enkele vrienden. Ik hoorde hem deze opvallende naam noemen en schreef die op een papiertje. Dat is alles. En nu moet u mij verontschuldigen. Ik moet dringend weg.’
‘Ik mocht nog eens terugkomen. Hij zou me verwittigen.’ Na enige tijd ontving Peter Moreaux een getypte briefkaart. ‘Hij nodigde mij uit hem te bezoeken op een precies uur in de late namiddag. Ik werd binnengelaten in een kamer waar een aantal mensen van zijn leeftijd aanwezig was. Geheel in de stijl van bij Van Schoonbeke in Kaas, liet hij me aantreden als was ik de jonge Laarmans. Hij stelde me flegmatiek aan zijn gezelschap voor, de deugniet. “Mijne Heren, dit is mijn jonge vriend Peter Teixeira de Mattos.” De namen van de aanwezigen en de gezichten zijn voor mij vaag gebleven. Er was bovendien niet veel licht in de kamer. Ik hield mij de hele tijd stil en luisterde naar wat de heren allemaal bespraken. Waarover het ging, weet ik niet meer, maar over de letteren in geen geval.’
‘Er werd een uitstekende wijn gedronken. Natuurlijk dronk ik mee. Nu en dan lanceerde Elsschot – die als Fons werd aangesproken – een korte, maar gepaste repliek, waarbij iedereen moest lachen. De wijn deed misschien ook wel een beetje zijn werk. Elsschot was de droge komiek, die alleen sprak wanneer het hem uitkwam. Ik heb niet veel gezegd en stil luisterend in een hoekje gezeten. Jonge mensen van die leeftijd waren niet zo mondig als die van nu.
Bij het afscheid vroeg Elsschot of ik niet boos was om de grap die hij had uitgehaald met “een argeloze jongeling”. Ik antwoordde dat ik het als een eer beschouwde dat ik had mogen meewerken aan zijn grap. Ik voegde eraan toe dat ik zijn werk bewonderde. Daarop stelde hij me een paar vragen. Hij beloofde mij een exemplaar van zijn Verzameld Werk, dat uitgekomen was, maar waarvan hij er geen meer had. Bij een nabije gelegenheid zou hij dit regelen. Ik ging met een popelend hart naar huis.’
Moreaux’ hart zou blijven popelen. Hij hoort niets meer van de charmante gastheer uit de Lemméstraat. Tot voorjaar 1960 zijn oog valt op een krantenbericht. ‘Ik las dat Elsschot in het ziekenhuis opgenomen was geweest ten gevolge van een tanende ziekte en pas de kliniek had verlaten.’ Op zondag 29 mei in de vooravond belt de dan tweeëntwintigjarige Moreaux voor de derde keer in zijn leven aan bij het huis van Alfons De Ridder. ‘Ongevraagd’, benadrukt hij. ‘Ik wilde hem goede gezondheid toewensen, maar misschien wou ik ook eens polsen hoe dat zat met zijn belofte van destijds.’
‘Hij maakte zelf open. In slaaphemd met daarover een colbertje of kamerjas, dat weet ik niet meer zo scherp. Ik schrok. Zijn gezicht was gezwollen, rood aangelopen, en zat onder de huidschilfertjes. Zijn ogen waren lichtbetraand. Voor mij stond een zieke man. Hij verontschuldigde zich dat hij mij niet kon ontvangen, want hij had pas het hospitaal verlaten. Hij bedankte mij en zei mij hem er bij een volgend bezoek aan te herinneren dat hij me zijn werk zou schenken. Misschien heb ik hem zelf die aanzet gegeven toen.’
‘Het was de attente Elsschot ten voeten uit, de man die jongeren voor vol aanzag, zelfs wanneer hij doodziek was. Hij zei mij te hebben herkend, maar jammerde dat hij een grote vriend die van ver kwam had weggejaagd eerder die dag en dat hij nu wist wie het was. Hij noemde de naam Carmiggelt niet. Die heb ik later vernomen van Elsschots dochter Ida. Ik heb zijn geschenk symbolisch in ontvangst genomen door de handdruk die hij me gaf, die voelde als de eerste en de laatste.
Raymond


















