Willem Elsschot en interview(er)s - Aflevering 10


Vraaggesprekken waren zulke kwellingen voor Willem Elsschot dat hij zelfs een keer een plaatsvervanger aanwees : zijn vriend Ary Delen. Interviewers voelen Elsschots tegenzin al vanaf het begin. Hij antwoordt afgemeten, zet het gesprek naar zijn hand en maakt er een sport van journalisten af te leiden met alcohol. Hieronder praten drie niet eerder geïnterviewde interviewers.
Te beginnen met Gaston Trogh.
Gaston Troghs vader, René, was bevriend met Walter De Ridder, de oudste zoon van Alfons. Via die weg krijgt de jonge Trogh een exemplaar van het boek Tsjip, waarin de opdracht staat: ‘Aan Gaston Trogh: Antwerpen 16 oktober 1946, de schrijver.’
‘Door Tsjip had ik het werk van Elsschot leren kennen’, zegt Gaston Trogh. ‘Ik besloot in het atheneum mijn scriptie over hem te maken. En daar hoorde voor mij een interview bij. Ik heb de schrijver gebeld en hem een kaartje ter herinnering gestuurd.’ Die herinnering bleek alles behalve overbodig, want de zestienjarige krijgt in januari 1947 deze briefkaart:
Geachte Heer,
Dank voor uw briefkaart. Tot mijn spijt moet ik u zeggen dat ik mij niet kan herinneren welke afspraak wij gemaakt hebben. Wil u mijn geheugen even opfrissen?
Hoogachtend
Alfons De Ridder (Willem Elsschot)
‘Een dame, een dienstbode, denk ik, kwam de deur openmaken toen ik aanbelde en zij vroeg voor wat het was. Toen ik zei dat ik een afspraak had met de schrijver, mocht ik naar boven. Hij zat achter zijn schrijfmachine en vroeg wat ik van hem verlangde. Ik wilde hem enkele vragen stellen en dat kon. Hij was een beleefd, vriendelijk, open mens in mijn ogen. Correct, niet eens afstandelijk. Een contact zoals het nu bestaat tussen prof en student.’
Het interview verscheen in Troghs scriptie en in Wij, het studentenblad van het Koninklijk Atheneum van Berchem.
We gaan voort met de tweede interviewer, Vera Schepens.
In 1957 komt de Gentse schrijver Piet Schepens – specialist Noorse letteren – aanzetten met zijn dochter en een andere studente, de kleindochter van kunstschilder Modest Huys. De meisjes willen een interview voor het tijdschrift Inter Nos van het lyceum in Gent.
Vera Schepens: ‘In 1957 stonden Elsschot en Daisne hoog aangeschreven. Van Elsschot had ik zowat alles gelezen. Mijn leerkracht was opgetogen toen ik mij eens had laten ontvallen dat ik wel een interview met hem kon krijgen. Gwen ging mee met me, omdat er altijd een redacteur van het blad mee moest. Mijn vader begeleidde ons op de daguitstap naar Antwerpen. Elsschot was vriendelijk en nam de tijd voor ons. We zijn er een paar uur gebleven. We kenden geen steno en de bandopnemers uit die tijd waren niet te tillen. We kregen de tijd om alles goed op te tekenen.’
‘Mijn zoon Charly vindt dat er iets van zijn grootvader in Lijmen zit. Ik herinner me de stapels boeken van mijn vader in de woonkamer. Hij betaalde ze allen aan de uitgever en fietste vervolgens rond om ze te verkopen, tot bij Streuvels in Ingooigem. En mijn moeder had een slecht been met open wonden, maar geen idee of mijn vader daar Elsschot ooit over heeft verteld. Ik schrik ongelofelijk als ik besef dat Elsschot toen vijfenzeventig was. Hij was vinnig, alles behalve duffig. Om eerlijk te zijn: ik heb niet zoveel verschil gemerkt met mijn vader, die was toen zevenenvijftig!’
‘Ik weet niet hoe Elsschot privé was, maar de beschrijving in “Het huwelijk” van een vrouw die opkijkt “als een stervend paard” is me altijd bijgebleven. Dat vond ik behoorlijk grof. Daar heb ik nog steeds bedenkingen bij. Maar, om in de terminologie te blijven, hij was het wel die de teugels in handen had. Mijn vader was precies dezelfde.’
Het interview verscheen in Inter Nos in december-januari 1957.
De volgende interviewers zijn Chris Marteleur en zijn vriend Joachim Wolf.
Op maandagavond 16 juni 1958 slepen zij een zware Grundig bandrecorder van de tramhalte naar de Lemméstraat. Voor Op Sinjoorke, het studentenbladvan het Koninklijk Atheneum in Antwerpen hebben ze er een gesprek met Willem Elsschot.
Chris Marteleur: ‘Onze leraar Jean-Baptiste Janssens was een groot fan van Elsschot. En ook de jongens van het atheneum keken op naar de schrijver. Wij hadden op school net Kaas besproken en ik moet toegeven dat we een beetje gespannen aanbelden. Er kwam een man openmaken en wij zegden, een beetje bedremmeld op de stoep: “We hebben een afspraak met meneer Elsschot.” Wij wisten namelijk niet of hij het was. “Ik zal even kijken of hij thuis is”, zei hij. Op dat moment waren wij zeker : hij was het.
Hij vond het merkwaardig dat we zijn stem wilden opnemen, maar het mocht meteen. We testten het microfoontje, haalden onze voorbereide vragen boven en staken van wal. Zoals : "Hoe is u ertoe gekomen uw eerste werk te doen publiceren?”, “Welk eigen werk vindt u het beste?” en “Welke stad bevalt u het meest?” Alles ging goed tot de vraag: “Gaat u nog schrijven?” Hij antwoordde met luide stem; “Nee, ik schrijf niet meer.”
Hij klonk zo hard dat de jongens opveerden van de schrik. ‘Wij keken naar elkaar, maar kregen geen woord uit onze kelen. We keken naar de bandopnemer alsof die de oplossing zou brengen. Het leek alsof die band eindeloos bleef draaien. We dachten dat we de schrijver zeer beledigd hadden met die vraag, maar hij keek rustig en zei: “Ga maar verder. Als je nog vragen hebt, stel ze.”
Het interview van Marteleur en Wolf werd gepubliceerd in het eerste nummer van het schooljaar 1958-1959 van Op Sinjoorke. De jongens ondertekenen hun verhaal ‘Onze reporters op bezoek bij Willem Elsschot’ met Martelupus.
De audioband is sinds lang gewist, maar Marteleur koestert de opdracht in zijn exemplaar van Elsschots Verzameld Werk: ‘Aan Chris Marteleur, met mijn dank voor zijn belangstelling in mijn werk. Willem Elsschot, 16 juni 1958.’
Raymond
















2 reacties op dit bericht
Exemplarische discretie tegenover prostituerend exhibitionisme om een exemplaar meer te verkopen
Als ik een Tom Lanoye bijv. in eigenst uitgenodigde persoon zijn nieuwe boek op de staatszender moet horen aanprijzen, olievet gemarineerd in een door de interviewer geslijmde, journalistiek absoluut ondeontologische, onneutrale, plaatsvervangend gênante onderkruipersstijl...
Daar zou een schrijver-in-de-kern, een evenwichtige bescheidene voor bedanken.
Tomme de Savoie behoeft geen reclame.
Tom Lanoye leeft van smeer-kaas
27
Aflevering 10. Nog 17 te gaan.
Zomaar tussendoor eens laten weten dat dit weer een fantastische reeks is.
Bedankt, Raymond.