Van toen naar nu - 2


Jan Frans Willems
26 augustus 1849
Het eerste ‘Nederlandsche Letterkundige Congres’ wordt in Gent geopend.
De relaties tussen Nederland en België zijn na de afscheiding van 1830 voor jaren vertroebeld. De spellingoorlog (1837-1844) maakt duidelijk dat heel wat Vlamingen het protestantse Noorden nog steeds wantrouwen, een gevoel dat wederzijds is. De revolutiegolf van 1848 die meer dan één Europees koningshuis doet wankelen, brengt de Belgische koning Leopold I en de Nederlandse Willem II dichter bij elkaar. Deze ervaring zet Ferdinand A. Snellaert ertoe aan een letterkundige Noord-Zuid-bijeenkomst te organiseren. Zijn bedoeling is de ontplooiing van de Nederlandse taal en letterkunde in het Zuiden te stimuleren en de positie van de V.B. te versterken met steun uit het Noorden. De bijeenkomst van 1849 is het begin van een lange traditie van Nederlandse congressen die tot vandaag afwisselend om de twee jaar in Nederland en Vlaanderen plaatsvinden.
De congressen houden zich in de 19de eeuw o.a. bezig met het zoeken naar een eenheidsspelling, de bevordering van het toneel en het stimuleren van het moedertaalonderwijs. Concrete resultaten zullen ze echter nauwelijks hebben o.a. omdat de Noord-Nederlanders de V.B. onverschillig of argwanend aankijken.
23 februari 1851
De naar Jan Frans Willems genoemde cultuurvereniging en drukkingsgroep ‘het Willemsfonds’ wordt opgericht.
De stichters, waaronder Ferdinand A. Snellaert, zien in de versterking van de positie van het Nederlands een voorwaarde voor de versteviging van de Belgische staat. Tijdens de eerste jaren heeft de vereniging geen uitgesproken politieke of levensbeschouwelijke signatuur. Verscheidene priesters, o.a. Jan-Baptist David, worden lid. Vooral na de aanstelling van Julius Vuylsteke in 1862 tot secretaris, evolueert het Willemsfonds steeds duidelijker in liberaal-vrijzinnige richting.
In het spoor van Vuylsteke heeft het Willemsfonds zichzelf altijd in de eerste plaats gezien als een vereniging voor volksontwikkelingswerk "buiten het terrein der staatspartijen". Het legt zich vooral toe op de publicatie van boeken en op de aanmoediging van leerlingen uit het middelbaar onderwijs die zich bij de studie van het Nederlands onderscheiden. Vooraanstaande Willemsfondsers zullen zich persoonlijk in de liberale partij engageren.
21 februari 1852
De Gentse Vlaamsgezinde en vrijzinnige studentenvereniging ‘t Zal wel gaan wordt opgericht.
De Europese revolutiegolf van 1848 stimuleert vooral in kringen van vrijzinnige Vlaamsgezinden een radicaal-democratische en antiklerikale stroming. Een groepje Gentse studenten rond Julius Vuylsteke staat aan de spits van die beweging en sticht ‘t Zal wel gaan. Deze jongeren koppelen Vlaamsgezindheid aan de Groot-Nederlandse gedachte (hereniging van Noord- en Zuid-Nederland) en aan de verspreiding van de vrijzinnigheid. De meest radicalen binnen ‘t Zal engageren zich in de voorlopers van het socialisme. Zij begrijpen dat de strijd tegen de taalverdrukking dezelfde is als die voor de emancipatie van de arbeiders. Vanaf 1859 knoopt ‘t Zal nauwe banden aan met het georganiseerde liberalisme. De link tussen Vlaamsgezindheid en het vroeg-socialisme wordt hiermee definitief verbroken en de vereniging zal zich perfect inpassen in de strijd tussen liberalen en katholieken. Vuylsteke verkondigt vanaf nu de idee dat Vlaamsgezindheid en vrijzinnigheid onafscheidbaar zijn.
Tegen deze stroming ontwikkelt zich in de jaren 1850 een West-Vlaamse, katholieke taalbeweging. Ze wordt geleid door priesters die het West-Vlaams als een middel tot behoud van de voorouderlijke zeden en godsdienst verheerlijken. Guido Gezelle is er de meest invloedrijke vertegenwoordiger van.
27 juni 1856
Een KB richt de zgn. Grievencommissie op.
Hiermee wil de regering tegemoetkomen aan het Vlaamsgezinde protest (naar aanleiding van het 25-jarige jubileum van België) tegen de miskenning van hun taal. Negen vooraanstaande Vlaamsgezinden, waaronder Hendrik Conscience, Jan-Baptist David en Ferdinand A. Snellaert moeten een lijst opstellen van de voornaamste taalgrieven. Hun verslag dringt onder meer aan op een gelijk aantal uren voor de vakken Frans en Nederlands, op de vernederlandsing van de laagste twee klassen van de middelbare scholen in Vlaanderen, op een Vlaamse afdeling van de Académie royale de Belgique, op afzonderlijke Nederlands- en Franstalige regimenten in het leger en op tweetaligheid in de administratie en het gerecht.
De liberale regering die in 1857 aan de macht komt, weigert het verslag openbaar te maken. Wanneer de commissie het in 1859 zelf publiceert, beantwoordt de regering dat prompt met een tegenverslag waarin de rechtmatigheid van de Vlaamse eisen wordt ontkend. Dit zweept het Vlaamse ongenoegen verder op en drijft de Vlaamsgezinden tot samenwerking met de katholieken.
Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging
















