Ik betreur heel erg dat ik van een aantal gebeurtenissen geen nota's heb genomen ; zoals van mijn ontmoeting met Jet Jorssen eind jaren '70 , begin jaren '80 tijdens een alternatieve boekenbeurs in de Antwerpse Handelsbeurs. Domme, domme man, die ik ben. Zij was in gezelschap van een vriendin en wij hebben lang gesproken over de verdeeldheid in de Vlaamse Beweging.
Opnieuw zie ik haar voor me als een elegante, goed verzorgde burgerlijke mevrouw, die ontwapenend oprecht en beschaafd klonk. Ik heb haar gecomplimenteerd over haar trilogie die een diepe indruk op mij had gemaakt (en nog steeds) en daar reageerde zij natuurlijk gevleid op. En voor de rest herinner ik me weinig over dit gesprek en dat stoort me buitenmatig. Daarom schrijf ik ditmaal alles op wat ik weet en vind over deze grote dame. Zij heeft daar recht op. Ook omdat deze tekst onder ogen komt van velen die met hun hart en ziel meeleven en begrijpen waar dit allemaal over gaat. Aan de anderen vraag ik om enig begrip te vertonen : wij, radicale Vlamingen zullen het land B nooit als ons vaderland beschouwen en hoe meer er gestreefd wordt naar het weggommen van de identiteit van de bewoners van de Zuidelijke Nederlanden, hoe nadrukkelijker het Vlaams-nationalisme van generatie tot generatie zal doorgegeven worden. Volkeren zijn genetisch onuitwisbaar. Je mag nooit spreken uit naam van diegenen die er niet meer zijn, maar ik hoop dat mevrouw Jorssen het eens zou zijn met deze definitie van het onuitroeibare Vlaams bewustzijn. Vervelend voor de niet-identitairen, een geruststelling voor ons.

Onze grote verhalenvertelster moet lange voorbereidingen en opzoekingen verricht hebben om de omvangrijk familie-saga "Och, Siemeniskinderen" op papier te zetten. In 1974 verschijnt het eerste deel (de periode 1870 - 1914), in 1975 volgt "Wat nu, Sinjoor ?" (1914 tot 1940) en het slot "En toch, Brabo" behandelt de jaren 1940 - 1973. Voor het derde deel weigert de uitgever, Reinaert, het manuscript omdat het te eenzijdig het gelijk beschrijft van de verliezende partij van de wereldoorlog . Gelukkig springt Uitgeverij de Roerdomp uit Brecht/Antwerpen bij en geeft probleemloos dit derde en boeiende deel uit.
In dit derde deel heeft de auteur véél van zichzelf gestoken : zij is niet één personage, maar zij zit verscholen in meerderen. De jonge intelligente vrouw, die geschokt is in haar rechtvaardigheidsgevoel door het onrecht de Vlamingen aangedaan, de passionele minnares die de verrukkingen van de liefde ontdekt, het muurbloempje dat kennis maakt met de wereld van het mannelijk egoïsme, maar ook de trouwe idealiste. En steeds op de achtergrond de stille maar intense aanwezigheid van een stad die vaak verminkt wordt maar stoer overeind blijft, met mededogen neerblikkend op de extreme levens van velen van haar inwoners.

De auteur beschrijft meesterlijk de gedachtes en gewaarwordingen van de voortdurend gemanipuleerde kleine man en vrouw. De koude, de honger, het gore plezier, de verdeeldheid, de samenhorigheid en het miserabilisme voor de Grote Oorlog. Jorssen is een meester in het aanreiken van kleine details die veel duidelijker de mens schetsen dan lange psychologische omschrijvingen. Neen, zij is géén Willem Elsschot, haar betrokkenheid is passioneler, volkser en barokker. Als de zakkennaaisters van de dokken spreken, schuwt Jet Jorssen niet de rauwe en onvertogen taal weer te geven. Het leven toendertijd was geen sprookje maar een harde strijd om te overleven in vaak erbarmelijke omstandigheden. In die soms grofklinkende taal die men toen sprak, was het meemaken van grote gevoelens net hetzelfde als bij de welbespraakten uit de betere kringen. Dat is nu nog zo. De taal is het vervoermiddel van onze gedachtes en sentimenten en Jet Jorssen gebruikt de fiets, de auto, de tram en als het moet de kruiwagen om haar lezers mee te voeren.
Tijdens de Grote Oorlog maken we de opkomst van de Fronters mee in de loopgraven aan de IJzer. De grote mannen uit die tijd, Frans Daels, Cyriel Verschaeve, Adiel de Beuckelaere e.a. worden tot leven gebracht in samenhang met de fictieve romanfiguren. Ook wordt de nadruk gelegd op de verschillen met de Activisten die in het bezette land met hulp van de Duitsers een eigen Vlaamse staat uitroepen, waarbij het hen mangelt aan ervaring en steun. De overeenkomsten tussen socialisten en nationalisten en ook de grote verschillen tussen hen beiden, lopen doorheen het politieke leven in vele verscheurde families. Jet Jorssen, een heuse Vlaams-nationaliste, steekt haar sympathie voor de oude socialisten niet onder stoelen noch banken. Zowat alle strekkingen laat zij aan bod komen in haar saga middels haar personages, ook deze van het verzet. Ieder heeft zijn redenen en argumenten, om te handelen zoals hij of zij het doet.
Ik zie deze groothartigheid en tolerantie nergens bij hedendaagse auteurs ter linkerzijde.
In het laatste deel van het drieluik is Jet helemaal op dreef : zij schrijft vloeiend en ongeremd, soms is dit ten koste van de stijl maar tegelijk sleept ze de lezers mee doorheen de grote oorlogsverwikkelingen, de familiale conflicten en vreugdes, de passionele verhoudingen en de pijnlijke repressie. Beklemmend en realistisch. Sentimenteel is ze zelden, romantsich soms wel. Als de hartstocht van de vrouw hoog oplaait, blijft er echter steeds een scherp besef van de relatieve waarde van deze gevoelens. Vrouwen zijn altijd de sterke persoonlijkheden, ook in tijden als de heren der schepping het voor het zeggen hebben, ook als dit slechts gelal oplevert.
De generatie die als jonge mensen de eerste Wereldoorlog meemaakte, loopt tijdens de zogenaamde wederopbouw in de jaren '50 en '60 vervreemd en onwennig rond in de nieuwe wereld. Zij zijn de restanten van twee wereldbranden die wegvluchten in hun eigen tragiek. De Vlaamse Beweging is ondergedoken, de stad beleeft een kaalslag, jonge vrouwen willen baas zijn in eigen buik en de jeugd lacht om het ouderlijk gezag. Drugs doen hun intrede bij de jeugd en de familiale conflicten zijn legio. Een van de vrouwelijke hoofdpersonages verlaat Antwerpen en verhuist naar het rustige, groene Kalmthout, net zoals Jet Jorssen dit zelf deed.
Het slotfragment uit "En toch, Brabo" :
"Antwerpen, dacht Jan, ik kan je nooit vergeten. Ook al probeer ik in vreemde landen alle weemoedige gedachten aan je uit mijn hoofd te bannen uit angst voor heimwee. Je bent geen stad om liedjes over te maken zoals Parijs, Wenen, Rome of Berlijn. Je naam leent er zich niet toe. Je bent enkel een stad om ook zonder lofzangen van je te houden ondanks je grijze klimaat. Hij daalde de helling af van het Noorderterras, onder de poort met het verweerde Seminibeeldje, langs de moderne bronzen Lange Wapper. Het Steen, de helgrijze burcht, begon stom en roerloos aan een waaktijd van nieuwe eeuwen."
RAY
3 reacties op dit bericht
Geef daarom
Mvg
En zijn...
Daar kijken wij van op, sie!
Wat een fierheid straalt deze man uit, echt een fier dapper volk waardig.
De vrouw, ernaast? Wacht lichtjes gebogen haar straf af, want je ziet zo dat ze iets mispeutert heeft. Het minste wat ze zal krijgen is de dagelijkse pandoering, waarom? Hijzelf weet het niet, doch zijwel, vrouwen misdoen altijd iets, daarom.