De volgende Belgische financiële instelling die in Franse handen zal vallen is bekend : Ethias.
U kent het lange en droevige verhaal dat twintig jaar geleden begon. Na het barsten van de trotse Generale Maatschappij van België, die ruim een derde van de Belgische industrie beheerste, onder druk van Carlo de Benedetti en de Franse “redder” Suez, is alles wat meetelde in de energie, in de financiële sector, in de bouw, in de distributie voornamelijk Frans eigendom geworden. Economisch is België een Franse kolonie. Nu heeft een Parijse boekanier belangstelling voor het kwakkelende Ethias: een icoon van de Waals-socialistische onkunde waar een nieuw management en een nieuwe raad van bestuur falen.
De zoveelste ontankering van Belgisch financieel-economisch patrimonium staat voor de deur. Wat kan men daar tegen inbrengen? Wetten, houdingen, allianties, politieke vergrendelingen? Pijnlijk en eerlijk is de vaststelling dat in een globaliserende en liberaliserende wereld _ ondanks de opstoot van staatshulp door de financiële crisis en de recessie _ enkel het referentiekapitalisme redding brengt. Dat referentiekapitalisme is besmet door de ervaring die België er rond 1988 mee heeft opgedaan. De Generale Maatschappij was een voorbeeld van een holding met een waaier van dochters waar zij als referentie-aandeelhouder de macht uitoefende.
Wat zijn referentie-aandeelhouders? Netwerken van samenwerkende geldschieters die door hun gelijksoortige scholing, sociologische context, samenhangende maatschappijvisie een bolwerk van sociaal kapitaal hebben opgebouwd.
Sociaal kapitaal is de eigenschap om in een gemeenschap, staat, samenleving, stam, ideologie grotendeels dezelfde oogmerken te hebben, met gelijkgezinde middelen te kampen, naar een doel op een verdere tijdshorizon te gaan. Het begrip referentie-aandeelhouder is bezoedeld door de verblinding van de technocraten van Generale Maatschappij.
Zij waren krom, leeg, ideeënloos na ruim anderhalve eeuw “clubbishness”.’t Kan echter anders, begint men her en der, bij de Vlaamse financiële groepen, bij specialisten van de KU Leuven, opnieuw te begrijpen. Referentie-aandeelhouders zijn voor een open economie als de Vlaamse een recept voor verankering en groei voor de eigen burgers.
KBC is alsnog KBC gebleven omdat het gegrondvest is op twee pilaren van het referentiekapitalisme: de zogenaamde “families” en de Boerenbond. De families houden stand, worden gecoacht, getraind, aangesproken door Jan Huyghebaert, voorzitter van KBC Groep; de Boerenbond ankert in de aarde van Vlaanderen en is een oude en vaste gemeenschap van boeren en adviseurs met geldelijke eruditie. De referentie-kapitalisten van KBC hebben klappen gekregen door de huidige crisis, maar het water staat hen niet meer aan de lippen. Zij maakten de keuze: wij houden vol en zullen minstens in de volgende jaren trouw blijven aan onze belegging in de Vlaamse topbank.
Niet mag vergeten worden dat diezelfde lieden soms ook een uppercut ontvingen bij Fortis. Je zou na twee opdoffers om minder duizelig zijn. KBC wordt bescheiden afgeslankt, op vraag van de Europese Unie, en gelijklopend praat men discreet, opnieuw en voor de hoeveelste maal, met Rabobank over de (gezamenlijke?) toekomst.
Niets is zo dwaas als een management dat zich dient te richten naar een raad van bestuur die bestaat uit kapitalisten van over de ganse wereld.
De raad van bestuur van Fortis heeft geldkoffers verspeeld aan intercontinentale telefoongesprekken met bestuurders die in verre oorden woonden, wel voor iets of iemand zetelden in dat hoogste college van de Beneluxbank maar het was hun zoveelste klus als huurling. Zij lukten er amper in om mekaar fysiek te ontmoeten, eensgezind te handelen, vers geld op te trommelen. De atomisering van de aandeelhouders van Fortis en hun vertegenwoordigers in de raad van bestuur, heeft de implosie van de bank van Maurice Lippens versneld. Niemand blafte trouwens die zelfingenomen imperiumbouwer af in de raad van bestuur, noch bij het management_ elke manager heeft een hofnar nodig. Valère Croes, de duivel-doet-al van Lippens, durfde het aan om hem publiek te zeggen, na de overname van ASLK (een bescheiden stapje naar het grote Fortis), “Maurice, nu wordt uw hoed toch te groot.” Nooit is het weer goed gekomen tussen de heren.
In een raad van bestuur, overal, zeker hier in het kleine België met zijn grijpgrage zuiderbuur, is noodzakelijk dat een derde tot de helft van de leden verbonden zijn door afspraken, tradities, waarden, objectieven. Zo kan de bedrijfsleiding met gerust gemoed haar plannen voorleggen, investeringen suggereren, nieuwe domeinen betreden of oude verjongen. Een bedrijfsleiding die in de raad van bestuur schaduwbokst met een mijnheer Ying uit Beiing, een mevrouw Suarez uit Brazilië, een mister Johnson uit Seattle en een señor Ibarrira uit Bilbao (“It’s Tuesday, so this must be Belgium”, aldus de versleten grap, maar zij klopt) heeft koldereske fundamenten.
Moet het Vlaamse kapitalisme beschaamd zijn? Neen, zijn verjongingsgraad blijft gezond: in Leuven, Gent en Antwerpen _ ook daarbuiten _ groeien regelmatig nieuwe ondernemingen, die soms weer een ietsje te snel verkocht worden, maar men mag bescheiden optimistisch zijn. Vooral als men, wat te zelden gebeurt, kijkt naar belangrijke sectoren, die in de ogen van veel mensen oppervlakkig, weinig ernstig zijn als entertainment, audiovisuele starters, evenementenbouwers. De TV-producent Alfacam, een bedrijf van de eerste generatie, woont in Kontich in de gebouwen van de verdwenen metaalverwerker Sobemi waar de eerste colablikken van de banden rolden. Ter contrast: waar staan Solvay en UCB; iconen van wat er rest aan Franstalige topondernemingen? Niet ver. Inbev, de franskiljonse brouwer van Jupiler en Stella, danst de samba met de échte bazen van de ex-Belgische trots. Die wonen in Brazilië. Vlaamse aandeelhouders moeten referentie-kapitalisten worden en dus samenwerken.
Gui Celen , voorzitter van Pro Flandria, het netwerk van Vlaamse ondernemers en academici
http://www.proflandria.be/
1 reactie op dit bericht
Mooi