
Pliet (geen tikfout) van Lishout, Louis-Paul Boon en Hubert Lampo (1951)
‘Een rustige, niet onvriendelijke burgerman die in het zakenleven stond en die als schrijver een paar zeer goede boeken heeft gemaakt.’ Zo typeert Hubert Lampo Alfons De Ridder/Willem Elsschot.
Amper vier jaar oud, leerde Hubert Lampo door toevallige omstandigheden Willem Elsschot kennen. Diens jongste zuster Emma was namelijk hun overbuurvrouw toen hij en zijn ouders nog woonden op het Kiel vlak bij het huidige voetbalstadion van Germinal Beerschot. Hij kende haar als madame Kerremans en zij was de grote hartsvriendin van de kleuter. Hij had daar “nonkel Fons” enkele keren op bezoek gezien. Flink wat later vernam hij dat hij schrijver was. En nog later dat hij Willem Elsschot heette.
Op zijn veertiende leest Lampo Elsschots Lijmen. Hij wou absoluut iets lezen van die broer van mevrouw Kerremans. Hij vond die zogenaamde briljante schrijfstijl in het geheel niet briljant en zelfs een beetje ouderwets.
De volgende ontmoeting vindt plaats midden in de Tweede Wereldoorlog. Lampo woont dan samen met zijn toenmalige vrouw Mia en haar vader Frans Smits in de SintVincentiusstraat 23. (Hubert Lampo is van 1943 tot 1945 gehuwd geweest met Mia Smits, die in zijn boeken terug te vinden is als Mary of Marie-Thérèse). Pa Smits was de achterneef van Alfons De Ridder en werkte aan diens levensbeschrijving.
Op een ochtend in 1943 loopt de gebiografeerde ijskoud binnen. ‘Elsschot had Het dwaallicht bij zich’, reconstrueert Lampo. ‘Ik heb de novelle onmiddellijk gelezen en de schrijver gevraagd of ik het mocht hebben voor het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Het mocht.’
Lampo is de toen enige nog levende getuige van het totstandkomen van de tweede versie van de hagiografie (tien jaar na de eerste). Veel vertrouwde zijn schoonvader hem echter niet toe. ‘De Smitsen waren gesloten figuren. Ik denk dat Smits zich gebaseerd heeft op de autobiografische gegevens die Elsschot destijds had geschreven aan het Gemeentearchief in Den Haag. Verder zag ik hem in de weer met stapels knipsels die De Ridders oudste zoon Walter hem had bezorgd.’
Elsschot kwam vrijwel nooit naar de redactievergaderingen van het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Tot onbegrip van hoofdredacteur Herman Teirlinck, bij wie het er niet inging dat je als auteur geen interesse kon hebben voor het literaire leven.
Op een bepaald ogenblik verdenkt Willem Elsschot, argwanend van aard dat hij is, Hubert Lampo ervan dat hij de enige is die zijn ingezonden stukken leest en dat die hele reeks redacteuren er zich niets van aantrekt. Terwijl redactiesecretaris Lampo er geen inspraak in had.
Al wat Elsschot inzond werd sowieso geaccepteerd, daar werd niet over gepalaverd. Hij gold toen al als een van de grote schrijvers.
Een uitzondering daarop was wel het omstreden Borms-gedicht. Daarover werd wel gediscussieerd, maar de exacte omstandigheden herinnert Lampo zich niet meer.
‘De jonge schrijversgeneratie had veel respect voor de oude generatie’, zegt Lampo. ‘Niet de mentaliteit van tegenwoordig, dat ze je op de mesthoop gooien als je vijf jaar ouder bent.’
Vanaf 1948 was Lampo rijksinspecteur bij de dienst voor de Openbare Bibliotheken van Oost-Vlaanderen en vanaf 1964 van heel Vlaanderen. In die hoedanigheid kende hij de bibliotheken goed. ‘Als niet-katholieke schrijver stond Elsschot niet in de bibliotheken. Wat niet belette dat iedereen hem kende. Elsschot heeft zichzelf gemaakt. Zelfs al is het op een vrij primaire manier. Lijmen is verschenen bij Gust Janssens, een kleine drukker in de Kerkstraat. Neen, dat was niet vreemd, laat staan belachelijk. We zitten dan nog niet in de glorietijd van de grote uitgeverijen in Vlaanderen. Na Lijmen is Elsschot naar Nederland getrokken met zijn boeken.’
‘Elsschot wist dat ik zijn werk apprecieerde. Als lezer van de Volksgazet wist hij dat uit mijn artikelen. Ik denk dat ik hem mijn recensies toestuurde. Omdat ik hem een goed schrijver vond.’
‘Nooit heb ik Elsschot noch iemand anders om advies gevraagd, laat staan mijn manuscript laten lezen. Ik denk dat "De ruiter op de wolken" het enige en eerste is wat Elsschot van mij gelezen heeft. En dat was dan nog omdat hij het hoorde te lezen voor de Kryn-prijs. Ik was helemaal niet teleurgesteld in hem toen ik de prijs niet kreeg.. Wim Meeuwis heeft hem toen gekregen, geloof ik.’
Elschot had dadelijk het verhaal van Lampo’s huwelijk met Mia Smits herkend. De brief daarover aan Lampo is niet te vinden, maar het in een privé-archief gevonden antwoord van Lampo erop zegt haast alles.
5.12.1945
Ik dank U van harte voor Uw vriendelijke brief van 1 december j.l.
Zeer zeker, er moeten op de bewuste blz. en op enkele andere nog eenige zaken gewijzigd worden: het heele ding is trouwens nog te warm van de pen. Voor het ooit ter perse gaat, neem ik het trouwens in zijn geheel nog eens onder het mes....
Ik geef toe in ruime mate op auto-biografische elementen te hebben beroep gedaan. Doch het zou me spijten als de toon hier of daar werkelijk rancunieus (sic) zou schijnen...U begrijpt vanzelfsprekend, dat het tamelijk delicaat voor me is grondig op Uw begrijpenden brief verder in te gaan. Sta me echter toe te verklaren dat niets in mijn boek betreffende de familie ‘Maréchal’ verzonnen is en ik op de meeste plaatsen ver beneden de waarheid blijf. Het personage van Nik daarentegen is meer een product van verbeelding...... Als we schrijven zijn we immers allemaal subjectief en iemand van aan den anderen kant der barricaden zou misschien een roman kunnen in mekaar knutselen, die als het ware een negatief van den mijne is......
Volkomen verbeelding zijn al de dingen die Nik’s oorlogsherinneringen betreffen, evenals het geval met de tooneelspeelster. Natuurlijk ook het slot, waar de held met zijn jeugdliefde besluit te breken. Ik werkelijkheid ben ik het geweest die zonder eenige reden om tien uur ’s avonds door de vereende krachten der familie eruit ben gesmeten (waarvoor ik me op het ogenblik overigens feliciteer...) Ja, als ik over de koele, rustige en toch zoo rake pen van Willem Elsschot zou beschikken, dan had ik mijn eigen geschiedenis onverbloemd van naadje tot draadje verteld....en dan ware het misschien een meesterwerk geworden.
Weet tevens dat het in feite oorspronkelijk mijn bedoeling niet was mijn eigen verhaal geheel of gedeeltelijk te schrijven. Het is vanzelf gekomen en zonder de geringste wraakbedoelingen.
En ik zou er tegen hebben gevochten, ware het niet dat ik kort na de breuk met mijn ex-vrouw Ary Delen op het lijf ben geloopen, toen ik nog helemaal vol van de misère, mijn geschiedenis vertelde. Hij gaf me de raad er literatuur uit te maken, raad dien ik niet wilde volgen. Toen ik echter bij de compositie van mijn roman meer en meer uit eigen belevenissen bleek te putten, schoten mij zijn woorden te binnen. Ze hielpen mij bij het terzijde schuiven van mijn scrupules.
Ik meende U in het bijzonder deze enkele toelichtingen verschuldigd te zijn. Geloof, dat ik U dankbaar ben om Uw suggesties: ik weet dat U alleen uit zuivere litteraire beweegredenen handelt.
P.S. Ja, ik heb gezien dat er in ‘Het dwaallicht’ een deel werd toegevoegd, zeer gepast trouwens en volkomen verantwoord!
Krynprijs of niet, in elk geval zal mijn boek in het najaar 1947 bij Manteau verschijnen. Ik heb zelf zoo laat die datum gesteld, omdat dan al die rommel van mijn echtscheiding achter de rug zal zijn. Op zekere dag zal mijn boek natuurlijk wel in handen vallen van lui die er zichzelf in weervinden. Maar voor dien tijd reken ik er op, dat er niets van het geval doorlekt. Er zijn immers in echtscheidingsprocedures steeds gelegenheden te over mekaar den duivel aan te doen. En ik heb een serieuze reden om er rap van af te zijn.
Met hartelijke dankbaarheid en zeer toegenegen H.L.
Na Elsschots dood werkt Lampo mee aan het herdenkingsnummer van het NVT. Onder de titel ‘Van miskenning tot onaantastbare waarde’ schrijft hij vijftien pagina’s vol. ‘De Hollanders maken er nu van dat zij Elsschot hebben bekend gemaakt, net zoals ze later Boon hebben opgeëist. Helemaal niet. Elsschot was bekend.’
Raymond
Vrij bewerkt naar "Een Man van Woorden" door Martine Cuyt