307 Mijn dorpje
Mijn dorpje
Er staan in ’t dorpje dat ik ken
Sinds mijne prilste jeugd
Nog steeds dezelfde huisjes, en
Er heerscht dezelfde vreugd.
Die huisjes staan daar neergepland
Zoo schilderachtig net
Als werden zij door Godes hand
Er op hun plaats gezet.
De muren zijn zoo hagelwit
De daken vurig rood
En achter ieder venster zit
Een oudje, spijts de dood.
Ginds op de brokkelstenen trap oud huis van Kestens in Imde (huis?)
Daar spelen met den vleet
Er kinderen, zo vlug, zo rap,
Die denken aan geen leed.
Wijl vader, kalm en onverpoosd
Zijn zware taak verricht
Wijl moeder lief, voor man en kroost
Vervult haar grote plicht.
Terwijl het oudje zich verblijdt
In ’t zorgeloos kinderspel
Terwijl de jaren en de tijd
Vervliegen even snel.
Blijf ’t dorp getrouw, zijn oude trant
Zoo schilderachtig net
Als werd het er, door Godes hand
Op zijne plaats gezet.

