december in de stad
December in de stad
Er zat een wollen kindje in de trem
met wollen voetjes op de bank te spelen.
Hij had een prentenboek, met drie kamelen
Kamelen in de sneeuw. Het was van hem.
Grijze gedachten hingen om ons heen,
van al die mensen die er zaten;
men kon ze horen zonder dat ze praatten.
Armzalige gedachten in lijn 1.
Die van de boer. Uit Koog, of Krommenie?
Die van de juffrouw met de rode handen
en van de heer met veel te witte tanden
en van die dame met de petit-gris.
Er is geen geld. Z`n jas moet opgeperst,
Nou moet het uit zijn met die verhuurder.
Konijn is nog te doen. Kalkoen is duurder.
En waar moet opa blijven met de kerst?
En iedere gedachte werd een ding,
Er is geen geld. Amerika. De Russen
Ook mijn gedachte kringelde daartussen...
Kamelen in de sneeuw? Wat zonderling.
Er kwam een halte op een schemerplein.
Het kind werd aan z,n handje meegenomen;
ik zag hem buiten gaan. Onder de bomen
ik zag hem lopen, dapper, wit en klein.



















