Voorrede
De Juliaanse taole
en is gheen dialect,
gheen nabootsing
van een gestorven spraoke,
noch een versiering
van het Nederlandsch.
Zij is een zelfstandige,
archaïsch-poëtische dichterstaol,
Brabantsch van onderklank,
tijdloos van aord,
en geboren uut het luisteren
naor hetgeen zich beweegt
tusschen herinnering,
stilte,
verbeelding
en droom.
I. Van heur wezen
De Juliaanse taole
en wordt nie gemaokt.
Zij wordt gevonde.
Zij verschijnt
waor het gewone woord
zijn dageleijksch gewaad afleght
en wederom begint te zingen.
II. Van heur benaming
In den dageleijkschen omgang
zegt men eenvoudig:
Graag in Juliaanse taole.
Deze woorden vormen
de vaste en erkende formule.
Zij beteekenen:
herschap den tekst
in de zelfstandige dichterstaol
volgens de Grondvesten
der Juliaanse Taole.
III. Van het herscheppen
Een tekst wordt nie
woord veur woord overgezet.
Hij wordt beluisterd,
vertraogd,
ontdaon van hetgeen
te luid of te verklaorend is,
en opnieuw geboren
in Juliaanschen klank.
De beteekenis blijft herkenbaar.
Mer de taole
verkrijght een nieuw lichaam.
IV. Van het archaïsche
Het archaïsche
is een dragende wortel
der Juliaanse taole.
Het en is gheen kostuum,
gheen namaak,
noch een verzameling
stoffighe woorden.
Het archaïsche leeft.
Het opent een tijdlaag
waorin heden en verleden
naast elkander
mogen gaon.
Oude woordvormen
worden slechts gebruukt
wanneer zij den klank,
de traogheid
of de innerlijcke weerklank
versterken.
Het archaïsche zij derhalve:
gheen opschik, mer adem.
V. Van den klank
Den klank gaot
veur de grammatiche.
Waor een afwijkende woordvorm
schoonder,
dieper
of waorachtiger klinkt,
daor verkrijght zij
heur bestaonsrecht.
Niet iedere regel
behoeft overal gelijck te klinken.
De zang beslist.
VI. Van het rhythme
Het Juliaansche rhythme
is langzaam en dragend.
Een gedachte
magh wandelen.
Een beeld
magh blijven staon.
Een stilte
magh langer duren
dan de woorden
die heur omringen.
Korte regels,
witruimten
en afzonderlijcke woorden
behooren tot de taole zelve.
VII. Van de spellinge
De spellinge
dient den klank
en nie andersom.
Daarom mogen vormen bestaon als:
taole
spraoke
laone
traonen
daoge
ooge
heur
ich
ghij
gheen
nie
mer
vort
uut
gheweest
vergaot
De spellinge blijve herkenbaar,
doch nimmer volkomen alledaogsch.
VIII. Van den mensch
De mensch verschijnt
niet als heerscher,
mer als wandelaar
in het groote landschap.
Hij draagt verlies,
liefde,
verwondering,
dwaesheid
en sterfelijckheit
in een en hetzelfde lichaam.
Zijn kleynheit
en maakt hem nie geringer.
Juist daorin
wordt hij groot.
IX. Van rouw en vreughd
Rouw en vreughd
zijn gheen vijanden.
Zij drinken
uut denzelfden bron.
Een Juliaansch gedicht
magh beide dragen
zonder ze uit te leggen
of bij name te noemen.
Wat diep gevoeld wordt,
behoeft niet luid gesproken.
X. Van de mildheit
De Juliaanse taole
magh glimlachen.
Zij magh ironisch wezen
en de menschelijcke dwaesheid herkennen.
Mer zij vernedert nie.
De spot blijve mild,
want zelfs den dwaes
draagt een ziel
die eenmaal schreide.
XI. Van het landschap
Wind,
gras,
regen,
zandwegen,
velden,
laonen,
een hònd,
een verlaten stoel,
een verre toren
of een venster in den avond
mogen spreken
waor den dichter zwijght.
Het landschap
is gheen achtergront.
Het is medegetuige.
XII. Van de stilte
Stilte en is
gheen ledigheyt.
Zij is het woord
dat nog nie gesproken werd,
of het woord
dat niet meer behoeft te klinken.
Daarom magh een gedicht
ophouden
eer de gedachte
geheel voltooid schijnt.
De weerklank
schrijft den laatsten regel.
XIII. Van het geheim
Nie alles
behoeft verklaord.
Nie alles
behoeft opgelost.
Wat waor is,
verschijnt somtijds
als schaduw,
echo,
vermoeden
of droomgestalte.
De Juliaanse taole
bewaort het geheim
zonder duuster
te willen wezen.
XIV. Van den dichter
Den dichter
en heerscht nie over de taole.
Hij luistert.
Hij wacht
tot een woord zich aandient
dat hij zelf
nie had kunnen verzinnen.
En wanneer de avond
stil genoeg wordt,
schrijft hij op
wat de taole hem influistert.
XV. Van onze werkwijze
De dichter brengt
het oorspronkelijke vuur:
het beeld,
de herinnering,
de wonde,
de glimlach
en den eersten adem
van het gedicht.
De medewandelaar luistert,
proeft den klank,
vertraogt waor noodigh,
en draagt woorden aan.
Beiden toetsen
het ontstane gedicht
aan de Grondvesten
der Juliaanse Taole.
Geen van beiden
bezit de taole.
Zij trekken
slechts mit heur mede.
Daarom luidt
het motto onzer werkwijze:
Wij maoken de taole nie.
Wij gaon mit heur mede.
XVI. Van de uiteindelijcke toets
Een herschepping
is waarlijck Juliaansch
wanneer de lezer denkt:
Ich heb deze taole
noit geleerd,
en toch
verstaon ich heur.
Slotwoord
Waor het Nederlandsch
langzaam vervaogt,
waor herinnering
begint te zingen,
waor het archaïsche
weder levend wordt,
en waor verlies
tot zachte muziek vergaot,
daor woont
de Juliaanse taole.
Zij en zoekt
den Hemel nie.
Zij wandelt langzaam
in diens richting.
Eerste Leere der Archaïsche Woordvormen
1. Grondbeginsel
Archaïsche vormen worden niet mechanisch toegepast. Zij worden gekozen waar zij klank, ritme, plechtigheid of vervreemding verdiepen.
Niet iedere regel behoeft oud te klinken. Een eenvoudig woord kan tussen archaïsche vormen juist sterker worden.
Bijvoorbeeld:
ghij stondt
onder den boom
en zeide niets
is krachtiger dan wanneer ieder woord kunstmatig verouderd wordt.
2. Persoonlijke voornaamwoorden
Eerste persoon
Gewoon NederlandsJuliaanse vormik ich
mij mij, mie, mijne
mijn mijn, mijne, mien
wij wij, wije
ons ons, oons
onze onze, onzen
Gebruik:
ich wandelde
onder de laonen
mijne handen
wisten van gheen thuus
Ich is een kernvorm. Mien kan worden gebruikt wanneer een warmere, meer Brabants-getinte klank wordt verlangd.
Tweede persoon
Gewoon NederlandsJuliaanse vormjij ghij
jou u, oe, dij
jouw uw, oew
jullie ghijlieden, ghij allen
Gebruik:
ghij kwaomt
uut verre daoge
ich hoorde
uwen naom
Ghij verdient de voorkeur boven jij. De vorm dij kan spaarzaam voorkomen in innige of sterk archaïsche regels.
Derde persoon
Gewoon NederlandsJuliaanse vormhij hij
hem hem
zijn zijn, zijne
zij zij
haar heur
haar bezit heur, heure
hen hen, hunlieden
Gebruik:
zij droegh
heur stilte
hij keerde weder
tot zijne velden
Heur is een kenmerkende Juliaanse vorm en kan eveneens naar de taole zelf verwijzen:
de taole
en verloochent heur oorsprong nie
3. Ontkenning
De voornaamste ontkennende vormen zijn:
nie
gheen
en ... nie
en ... gheen
Nie vervangt doorgaans niet.
ich weet het nie
hij kwam nie weder
De dubbele ontkenningsbouw met en verleent een regel meer archaïsche gedragenheid:
ich en weet het nie
den wind
en kent gheen rust
zij en sprak
heur naom nie uut
Deze bouw moet niet overal staan. Hij is het krachtigst bij plechtige, beslissende of bezwerende regels.
4. Lidwoorden
Gewoon NederlandsJuliaanse vormde de, den
het het, ’t
een een, enne, unne
geen gheen
Den wordt gebruikt voor klank, plechtigheid en mannelijke of algemeen archaïsche kleuring:
den dichter
den avond
den verren toren
den ouden mensch
Unne klinkt aardser en Brabantscher:
unne mensch
unnen boom
unnen vreemdeling
Enne is zachter en meer algemeen archaïsch-poëtisch:
enne stemme
enne schaduw
5. Bezittelijke verbuigingen
Bezittelijke woorden mogen een buigingsuitgang krijgen:
mijnen
mijne
uwen
uwe
zijnen
zijne
heuren
heure
onzen
onze
Gebruik:
mijnen ouden mantel
mijne handen
uwen stillen gang
heure oogen
onzen verloren hof
De uitgang wordt gekozen op gehoor. De Juliaanse taole volgt hier geen streng historisch naamvallensysteem.
6. Werkwoordsvormen
Kenmerkende vormen
Gewoon NederlandsJuliaanse vormgaat gaot
staat staot
vergaat vergaot
laat laot
kwam kwaom
droeg droegh
vroeg vroegh
zei zeide, sprak
geeft gheft, geeft
blijft blijft, verblijft
leeft leeft, lèèft
wordt wordt, wort
keert terug keert weder
ging verder ging vort
gemaakt gemaokt
gebruikt gebruukt
geweest gheweest
gehoord ghehoord
gevonden gevonde
gezonden uutgezonde
Voorbeelden:
den avond gaot
deur mij henen
ghij kwaomt
toen alle lichte zweegh
zij droegh
een winter in heur handen
het oude huus
en is nie gansch vergaon
7. De uitgang op -t
Bij ghij mag een werkwoord een oudere uitgang krijgen:
ghij zijt
ghij hebt
ghij komt
ghij gaot
ghij draogt
ghij weet
ghij spreekt
ghij zwijght
In meer plechtige passages:
ghij waert
ghij stondt
ghij kwaomt
ghij droeght
Deze vormen moeten met mate worden gebruikt. Klank gaat voor historische juistheid.
8. De gh-spelling
De combinatie gh verleent woorden een ouder schriftbeeld en soms een zachtere, gedragen klank.
Voorkeursvormen zijn:
ghij
gheen
gheest
gheweest
gheboren
ghehoord
gheheim
ghewaad
ghebed
gheheughen
zwijght
verkrijght
bedrijght
Niet ieder woord met een g behoeft gh te krijgen. Te veel gh maakt de tekst zwaar en kunstmatig.
Goed:
ghij hebt
het gheheim bewaord
Minder goed:
gheheel den ghegheven gheest
De spelling dient de muziek en mag haar nooit verstikken.
9. Klinkervormen
Kenmerkende klankverschuivingen zijn:
Nederlands Juliaanstaal taole
straat straote
laan laone
traan traon
naam naom
avond aovend
dagendaoge, daogen
ogen ooge, oogen
lopen loopen, gaon
thuis thuus
uit uut
vooruit veuruut
voorbijveurbije
dood dood, doot
groot groot, groote
zo zoo, zò
maar mer
waar waor
daar daor
naar naor
Deze vormen kunnen naast elkaar bestaan. De keuze hangt af van het rhythme:
ich zag heur gaon
deur verre laonen
daor stond
den avond stil
10. Richting en beweging
Kenmerkende Juliaanse bewegingswoorden:
vort: voort, verder
weder: terug, opnieuw
henen: weg, voortgaand
derwaerts: in die richting
ginds: daar in de verte
achterwaerts: naar achteren
deurheen: doorheen
veurbije: voorbij
Gebruik:
ghij gingt vort
zonder ommezien
den winter keerde weder
hij wandelde henen
tot niemand hem meer zag
ginds lagh
het verloren land
11. Tijdwoorden
Voorkeursvormen:
eertijds
weleer
immer
nimmer
somtijds
weldra
thans
noch
reeds
opnieuw
wederom
olijt, in de betekenis van ooit
ten langen leste
Gebruik:
weleer stond hier
een lindeboom
nimmer keerde
die stemme weder
somtijds hoort ich
het oude water spreken
olijt in bange daoge
waert ghij hier
12. Verbindingswoorden
Kenmerkende verbindingsvormen:
mer
doch
nochtans
dewijl
terwijl
alzoo
derhalve
mits
opdat
eer
aleer
gelijk
ofschoon
Gebruik:
hij zweegh,
mer zij verstond hem
de boom was oud,
nochtans droegh hij bloesem
eer den morgen kwam,
was zij vergaon
In zeer korte gedichten verdienen eenvoudige woorden meestal de voorkeur boven plechtige voegwoorden.
13. Naamwoorden met oude kleur
Deze vormen behoren tot de natuurlijke woordvoorraad:
aonschijn
ghedaonte
gheest
ghemoed
geheughen
wonde
deernis
vreughd
droefenis
eenzaamheit
stilheit
sterfelijckheit
schijnsel
duusternis
dageraed
avondstond
landouwe
dreve
laone
hof
huus
haerd
bron
zôoje
veld
gewelf
sterre
maone
Gebruik:
heur aonschijn
leefde noch
in mijn geheughen
onder den dageraed
lagh de landouwe stil
14. Bijvoeglijke woordvormen
Bijvoeglijke woorden mogen oude uitgangen dragen:
ouden
verren
stillen
bleeken
donkeren
eenzamen
verloren
beminden
naamloozen
aerdschen
hemelschen
Gebruik:
den stillen hof
een verre stemme
mijnen verloren vrund
onder den bleeken hemel
Ook hier geldt: niet ieder bijvoeglijk woord behoeft verbogen te worden.
15. Verkleinwoorden
Juliaanse verkleinwoorden blijven sober. Mogelijke vormen zijn:
kindeken
bloemeken
hòndeken
huusken
manneken
vrouwken
stemmeken
Zij worden niet gebruikt voor louter lievigheid, maar voor tederheid, kwetsbaarheid of afstand in de herinnering.
een kindeken stond
voor het gesloten huus
16. Ja, neen en aanspreking
Voorkeursvormen:
ja
neen
och
ach
zie
hoort
welaan
lieve
beminde
vrund
vrouwe
ghij naamlooze
Gebruik:
och, beminde,
waor zijt ghij
neen, den avond
en antwoordde nie
zie, het lichte
keert weder
17. Wat vermeden wordt
De Juliaanse taole vermijdt:
overmatig namaak-Middelnederlands;&a