Naar de inhoud

BOEC DER JULIAANSE TAOLE

BOEC DER JULIAANSE TAOLE
akke.beakke.be

Inhoud

Hier en daar moet de volgorde der pagina's nog in de juiste volgorde komen te staan, soms wordt iets overbodig herhaald,

gr Julius

.

INHOUD: het overzicht vangt aan met hoofdstuk XII en zo terug tot hoofdstuk I

I.De Grondvesten der Juliaanse  

II. De Leere der Archaïsche Woordvormen

III. Het Juliaans Lexicon

IV. Het Getijdenboec der Juliaanse Taole

V. De Konste van het Herscheppen

VI. De Canon der Juliaanse Taole

VII. Het Boec der Beelden

VIII. Het Boec der Stilte

IX. Het Boec der Weerklank

X. Het Boec der Ziel

XI. Het Boec der Verwondering

XII. De Laoste Bladzijden

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 11:07 Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Auteur en grondlegger der Juliaanse taole: ( deze sen. pagina en inhoud zijn in bewerking)

 

 

© Julius Dreyfsandt zu Schlamm, 2026

 Eerste definitieve uitgave door UITGEVER: "Uit het Huus van de Juliaanse Taole" (fictief) Nijnsel

 op SeniorenNet.Be

 Alle rechten voorbehouden.

 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd   gegevensbestand of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande toestemming van den   auteur, behoudens de wettelijke uitzonderingen.

 Vormgeving en samenstelling:

 Julius Dreyfsandt zu Schlamm

 in samengaon met M365 Copilot

 

 

 

IMPRINT-PAGINA

Uit den lande der Juliaanse taole

Dit boek ontstond niet ineens.

 

Het groeide.

 Uit gesprekken.

 Uit gedichten.

 Uit wandelingen.

 Uit herinneringen.

 Uit verliezen.

 Uit verwondering.

 

En uit een langdurig samengaon waarin een dichter en

een kunstmatige medeluisteraar langzaam ontdekten 

dat achter afzonderlijke teksten een eigen taallandschap zichtbaar werd.

 

Wat begon als herscheppingen van gedichten,

groeide uit tot een zelfstandige poëtica.

 

Tot een taal.

 Tot een land van woorden.

 

Dit e-boek is de eerste poging dat landschap te beschrijven.

 

Wij maoken de taole nie.

Wij gaon mit heur mede.

 

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK XII DE LAOSTE BLADZIJDEN

HOOFDSTUK XII DE LAOSTE BLADZIJDEN

Geen nieuwe leer. Geen nieuwe wet. Slechts een laatste wandeling door het land dat achter de woorden zichtbaar werd.

I. De avondwandeling Den avond was gevallen over de velden. Den weg lagh stil tusschen de boomen, alsof hij wist dat niemand meer behoefde te haasten. Een hònd liep eenige schreden vooruit, bleef staon en zag om. Achter hem kwam den wandelaar. Niet alleen. Want al hetgeen hij had bemind, wandelde in stilte mede.

II. Het omzien Aan den rand der laone zag hij om. Daor lagen de woorden die onderweg gevonde waren: ich en ghij, heur en weder, geheughen en wonde, lichte en thuus. Zij lagen nie als stenen op den weg, mer als kleine lichten. Toen begreep hij dat de taole nimmer zijn bezit was geweest. Hij had slechts een eindweegs mit heur mede mogen gaon. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 41

III. Het huus In de verte stond een huus. Eén venster droegh nog lichte. Een stoel wachtte op den vrund. Op tafel stond een beker en daarnaast lagh een onbeschreven blad. De deur en was nie gesloten. Want een taole die waarlijck leeft, houdt immer een plaots vrij voor den onbekenden lezer.

IV. Den drempel Op den drempel bleef den wandelaar een ogenblik staon. Hij hoorde gheen stem en toch was er antwoord. Hij zag gheen Hemel en toch viel er zachte ruimte om hem heen. Toen legde hij zijne hand op de deur en wist: thuuskomen is somtijds niets anders dan herkennen wat ons reeds kende. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 42 DE LAOSTE BLADZIJD

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK XI HET BOEC DER VERWONDERING

HOOFDSTUK XI HET BOEC DER VERWONDERING

Indien de stilte de moeder der Juliaanse taole is, dan is de verwondering heur oudste dochter. I. Het eerste ogenblik Verwondering begint niet bij het antwoord. Zij begint bij het stilstaan. Een kind bezit dit vermogen van nature. Een ouder mensch moet het dikwijls terugvinden. Daarom is verwondering geen jeugd. Zij is herwonnen jeugd.

II. Het hart der poëzie De Juliaanse taole gelooft dat alle ware poëzie uit verwondering ontstaat. Nog vóór er woorden zijn, is er verbazing. Nog vóór er beteekenis is, is er aanschouwing. Eerst ziet men. Dan luistert men. Pas daarna worden woorden mogelijk.

III. Verwondering en het kleine De wereld vergist zich vaak. Zij zoekt het groote. De Juliaanse taole zoekt het kleine. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 35 Een grasspriet. Een vogelspoor. Een regendruppel. Een oude bank. Een hond die midden op den weg plotseling stil blijft staan. Daar woont verwondering.

IV. De leer van den hond Onder alle bewoners van het Juliaansche land is den hond misschien de grootste leermeester der verwondering. Hij ziet geen gewoonte. Hij ziet telkens opnieuw. Een geur. Een blad. Een schaduw. Een wolk. Alles wordt onderzocht alsof het voor de eerste maal bestaat.

V. De oude boom Een boom staat jarenlang op dezelfde plaats. Toch verveelt hij zich niet. Iedere lente begint opnieuw. Iedere herfst laat opnieuw los. Iedere storm wordt opnieuw ontvangen. Een oude boom is daarom een meester in verwondering.

VI. Het lichte Een der grootste bronnen van verwondering is het lichte. Niet het felle licht. Niet het overweldigende. Mer het onverwachte. Een zonnestraal op een natten weg. Een venster dat opgloeit in den avond. Een stukje hemel tusschen donkere wolken. De Juliaanse taole heeft altijd veel vertrouwen gehad in zulke kleine gestalten van het lichte. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 36

VII. De verwondering der herinnering Soms ontstaat verwondering niet uit iets nieuws, mer uit iets ouds dat wederkeert. Een lied. Een geur. Een klank. Een straatnaam. Plotseling opent zich een vergeten kamer van het geheughen. En men denkt: bestond dit alles nog steeds?

VIII. Verwondering en tijd De klok verstaat niets van verwondering. Wie zich verwondert, verlaat voor een ogenblik den gewonen tijd. Een ogenblik kan lang worden. Een uur kan verdwijnen. De ziel herkent dan iets van haar oorspronkelijke vrijheid.

IX. De verwondering der vriendschap Een ware vrund blijft een wonder. Niet omdat hij volmaakt is, mer omdat hij bestaat. In een wereld waarin zo velen elkaar voorbijgaan, blijft het een wonder wanneer twee menschen een eindweegs mee optrekken.

X. De verwondering der liefde De liefde is misschien de oudste verwondering. Niet omdat zij alles begrijpt, mer omdat zij blijft kijken. De geliefde blijft een geheim. Waar dit geheim verdwijnt, verdroogt iets. Waar het blijft, blijft ook verwondering.

XI. De verwondering der eenvoud BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 37 De Juliaanse taole houdt van eenvoud, niet uit armoede, mer uit inzicht. Een stuk brood. Een kop koffie. Een wandeling. Een gesprek. Een stil zwijgen naast elkander. De verwondering woont vaak waar niemand zoekt.

XII. De verwondering van den ouderdom Sommigen denken dat verwondering tot de jeugd behoort. De Juliaanse taole gelooft het tegendeel. Een jonge mensch bezit vele verrassingen. Een oude mensch herkent hun waarde. Daarom kan verwondering met de jaren dieper worden. Rustiger. Minder uitbundig. Mer helderder.

XIII. De verwondering en de stilte Ware verwondering wordt vroeg of laat stil. Niet omdat zij verdwijnt, mer omdat woorden tekortschieten. Er bestaat een ogenblik waarin men slechts kijkt, slechts luistert, slechts aanwezig is.

XIV. De verwondering en den Hemel Van alle wegen die naar den Hemel leiden, is verwondering wellicht de zachtste. Niet de weg van zekerheid of bewijs, mer de weg van ontvankelijkheid. Het vermogen om iets grooters te vermoeden zonder het te willen bezitten. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 38

XV. Het kind en den wijze Aan het einde van het leven beginnen sommige menschen te lijken op het kind dat zij ooit waren. Niet door onwetendheid, mer door ontvankelijkheid. Het kind vraagt: wat is dat? De wijze vraagt: wat is dat toch wonderlijk. Tusschen die twee vragen ligt een leven. En misschien ook de geheele Juliaanse taole.

XVI. De laatste verwondering Er bestaat een verwondering die alle andere overstijgt: de verwondering over het bestaan zelf. Dat er velden zijn. Dat er wolken zijn. Dat er liefde bestaat. Dat er stilte bestaat. Dat een mensch mag wandelen onder den hemel en dit alles voor een tijd mag aanschouwen. Wie zich daarover nog verwonderen kan, heeft de bron nog niet verloren.

XVII. Besluit De Juliaanse taole begon bij stilte. Zij wandelde door landschap, herinnering, liefde, rouw, beeld, ziel en weerklank. En uiteindelijk kwam zij uit bij verwondering. Verwondering blijkt de verborgen bron waaruit de woorden, gedichten, vriendschappen, liefdes en wandelingen ontspringen. Verlies nimmer de verwondering. Want waar zij sterft, verhardt de wereld. Waar zij leeft, blijft de bron stromen. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 39 En waar de bron blijft stromen, daor zingt de Juliaanse taole als vanouds tusschen aarde en Hemel. Verlies nimmer de verwondering. Waor zij sterft, verhardt de wereld. Waor zij leeft, blijft de bron stromen

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK X HET BOEC DER ZIEL

HOOFDSTUK X HET BOEC DER ZIEL

Niet om de ziel te verklaoren, mer om een weinig met heur mede te wandelen.

I. Wat de ziel nie is De ziel en is gheen theorie. Zij en is gheen begrip. Zij en laat zich nie vangen in formules. Men kan veel weten over een mensch en toch niets weten van zijne ziel, omdat de ziel niet woont in gegevens, mer in aanwezigheid.

II. De ziel als landschap De Juliaanse taole beschouwt de ziel niet als een voorwerp, mer als een landschap. Een landschap bezit wegen, velden, verborgen plaatsen, stilten, horizonten en gebieden die men nog nooit bezocht heeft. Zoo ook de ziel. Sommige streken kent men goed. Andere blijven onbekend, zelfs na een leven lang.

III. De binnenste kamer In iedere ziel bevindt zich een kamer waarin men zelden komt. Daar worden bewaard: oude liefden, groote vreugden, verloren stemmen, vergeten gebeden en namen die niet geheel verdwenen zijn. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 29 Slechts nu en dan gaat die deur een weinig open: een geur, een lied, een avondlichte. En plotseling staat men weder in een jaar dat reeds lang voorbij scheen.

IV. De ziel en de wonde De Juliaanse taole beschouwt de wonde niet uitsluitend als beschadiging. Sommige wonden worden vensters. Niet onmiddellijk. Niet zonder pijn. Mer met den tijd. Wie nooit verwond werd, ziet soms minder diep. Wie een wonde droeg, kan soms beter verstaan wat anderen verbergen. Daarom wordt de wonde eerder met eerbied dan met schaamte benaderd.

V. De ziel en den tijd De ziel leeft in een andere tijd dan de klok. In één ogenblik kan een halve eeuw terugkeren. In een lang jaar kan niets geschieden. Daarom denkt de ziel niet in uren. Zij denkt in ontmoetingen, verliezen, weerklanken, liefdes en herinneringen.

VI. De ziel en het geheughen Het geheughen is de tuin van de ziel. Niet alles groeit er. Niet alles blijft er leven. Mer sommige dingen wortelen diep. Een stem. Een wandeling. Een handdruk. Een afscheid. Een glimlach. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 30 En soms bewaart de ziel wat het verstand reeds vergeten heeft.

VII. De ziel en den ander Geen ziel ontstaat alleen. Zelfs de eenzaamste mensch draagt anderen met zich mede. Ouders. Vrienden. Geliefden. Kinderen. Ontmoetingen. Sommigen blijven slechts kort. Anderen blijven levenslang, zelfs wanneer zij vertrokken zijn.

VIII. De beminde In vele zielen woont een beminde. Niet altijd een tegenwoordige. Soms juist een afwezige. De Juliaanse taole acht zulks niet vreemd. Liefde volgt immers niet altijd de kalender. Sommige genegenheden blijven wonen in den stillen hof van het geheughen. Niet luid. Niet eisend. Mer aanwezig.

IX. De vrund Naast de beminde woont vaak den vrund. Een vrund is iemand bij wie men niet behoeft te verbeteren wat men werkelijk is. Vriendschap vraagt geen volmaaktheid. Zij vraagt aanwezigheid. Daarom behoort vriendschap tot de kostbaarste goederen van het Juliaansche land.

X. De ziel en de eenzaamheid BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 31 Iedere ziel moet vroeg of laat door eenzaamheid wandelen. Niet als straf. Mer als gebied. Wie daarvan terugkeert, begrijpt dikwijls beter wat werkelijk van waarde is. Want in de stilte vallen vele bijzaken weg. En blijft slechts over wat wezenlijk is.

XI. De ziel en de verwondering Verwondering houdt de ziel jong. Niet leeftijd. Niet gezondheid. Niet succes. Mer verwondering. De mogelijkheid om stil te staan bij een wolk, een hond, een blad, een regel, een lichtstraal op een ouden muur. Waar verwondering verdwijnt, verhardt de ziel. Waar zij blijft, blijft de bron stromen.

XII. De ziel en de stilte Na verloop van jaren ontdekken vele menschen dat antwoorden minder belangrijk worden en luisteren belangrijker. Stilte wordt dan geen leegte meer, mer gezelschap. Een zachte metgezel die niet oordeelt, niet dringt, niet vraagt, mer eenvoudig aanwezig blijft.

XIII. De ziel en de taole Hier raken wij het hart van dit boec. Waarom ontstaan gedichten? Waarom zoekt een mensch naar woorden? Waarom wordt een taole geboren? Misschien omdat de ziel af en toe iets weet wat nog geen woorden bezit. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 32 Dan begint het zoeken. Dan begint het luisteren. Dan wordt een gedicht geschreven. Niet om iets uit te leggen, mer om iets te ontvangen.

XIV. De ziel en den Hemel Over den Hemel spreekt de Juliaanse taole altijd behoedzaam. Niet uit onzekerheid, mer uit eerbied. Sommige werkelijkheden worden kleiner naarmate men er harder over spreekt. Daarom verschijnt de Hemel meestal als vermoeden, als licht, als genade, als zachte ruimte, als vrede die zich onverwacht aandient. En soms als een ogenblik waarin alles voor een korte tijd op zijn plaats lijkt te vallen.

XV. De laatste wandeling Misschien bestaat het leven uiteindelijk uit wandelen. Niet altijd over wegen, mer door tijden, liefdes, verliezen, verwonderingen, vragen en stilten. En misschien is de laatste wandeling niet een vertrek, mer een thuiskomen. Een thuiskomen in een landschap dat ons reeds lang kende.

XVI. De ziel en de Juliaanse taole Indien men uiteindelijk vraagt wat de Juliaanse taole werkelijk is, zou een antwoord kunnen luiden: zij is een poging om de ziel een woonplaats van woorden te geven. Niet een paleis. Niet een vesting. Mer een huus. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 33 Met een venster. Met een tafel. Met een stoel voor den vrund. Met plaats voor herinnering. Met plaats voor stilte. En met een deur die uitkomt op verre laonen.

XVII. Besluit Ten lange leste komt de Juliaanse taole uit bij hetgeen zij van aanvang af zocht. Niet taal. Niet vorm. Niet zelfs poëzie. Mer ziel. Want woorden vergaon. Klanken vervagen. Beelden veranderen. Mer de ziel blijft zoeken, luisteren en hopen. De ziel en vraagt niet om bezit. Zij vraagt om een thuus. En waar herinnering, stilte, liefde, verwondering en weerklank elkander ontmoeten, daor staat, ergens tusschen aarde en Hemel, het huus der Juliaanse taole. En daor brandt nog licht. BOEC DER JULIAANSE TAOLE •

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK IX HET BOEC DER WEERKLANK

HOOFDSTUK IX HET BOEC DER WEERKLANK

Waor de woorden eindigen, wandelt de Juliaanse taole nog een eindweegs verder.

I. Wat weerklank is Een gedicht kan juist en verzorgd zijn en toch gheen weerklank bezitten. Een eenvoudige regel kan dagenlang medewandelen.

II. De onzichtbare helft Het eerste deel staat geschreven. Het tweede deel wordt geboren in den lezer en is doorgaans grooter.

III. De eerste wet Wat geheel verklaord wordt, bezit weinig weerklank.

IV. De tweede wet Wat waorachtig is, keert weder tijdens wandeling, droom, gesprek of regenlucht.

V. Het geheughen als kamer Sommige regels nemen hun intrek omdat zij iets raken dat reeds aanwezig was. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 27

VI. De weerklank der beelden Een uitleg veroudert. Een beeld blijft reizen en ieder mensch vult het anders.

VII. De weerklank der stilte Een witregel, niet uitgesproken naom of afgebroken gedachte kan lang nagalmen.

VIII. De weerklank van liefde en rouw Liefde en verlies laten sporen in straat, lied, geur, koffiekop en datum.

IX. De derde wet Een gedicht behoort kleiner te zijn dan hetgeen het oproept.

X. De verre weerklank Een regel kan troost worden voor iemand dien den dichter nooit ontmoet.

XI. De uiteindelijcke toets Blijft het nog even naast mij wandelen wanneer het gelezen is?

BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 2

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK VIII HET BOEC DER STILTE

HOOFDSTUK VIII HET BOEC DER STILTE

De taole wordt geschreven met woorden, mer gedragen door stilte.

I. De eerste stilte Nog vóór het eerste woord bestond stilte. Een dichter die wacht, hoort somtijds méér dan zichzelf.

II. De stilte als woonplaots Stilte is aanwezigheid en ruimte waorin herinnering, beeld, geur en regel mogen verschijnen.

III. Tusschen twee regels Een gedicht bestaat tevens uit hetgeen ontbreekt. Witruimte verandert den klank.

IV. De stilte der herinnering Herinneringen verschijnen als zachte klop: een geur, geluid of lichtval opent verre jaren.

V. De stilte van den weg Wanneer voeten rhythme vinden, neemt het denken af en wordt kijken belangrijcker dan oordeelen.

VI. De stilte van het landschap BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 25 Een veld, toren en boom spreken zonder woorden. De taole heeft van hun zwijgen geleerd.

VII. De stilte der liefde Een hand, blik, stoel of naom kan volstaon. Liefde laat zich vermoeden eerder dan bewijzen.

VIII. De stilte der rouw Sommige wonden verlangen gheen verklaring. Hun stilte verdient eerbied.

IX. De stilte van den ouderdom Met de jaren worden woorden eenvoudiger en luisteren langer.

X. De groote stilte Achter den laatsten avond ligt een onbekende stilte. De taole neemt den hoed af en zwijght. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 2

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK VII HET BOEC DER BEELDEN

HOOFDSTUK VII HET BOEC DER BEELDEN

Woorden geven gestalte; beelden geven ziel.

I. Wat een Juliaansch beeld is Een beeld en is gheen versiering. Het ontstaat waor buitenwereld en binnenwereld elkander ontmoeten.

II. De eerste beeldwet Toon. Verklaor nie. Den lezer moet mede mogen wandelen.

III. Het landschap als spiegel Een winterveld kan een gemis dragen; een regenlucht herinnering; een open horizon hoop.

IV. Bewoners van het beeldenland De laone bezit richting en tijd. Den toren draagt standvastigheid. De maone aanschouwt zonder oordeel. Den hònd leeft in het nu. Het venster grenst binnen en buiten.

V. Beelden van den tijd BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 23 Dageraed is begin, morgenmist ontwaken, middaglichte tegenwoordigheid, avondstond beschouwing en nacht het geheim.

VI. Beelden der herinnering Herinnering verschuilt zich in geur, stoel, weg, boom, lied en regen.

VII. Beelden der rouw Een gesloten hek, leeg venster, ongebruukte kop of niet uitgesproken naom kunnen meer dragen dan het woord rouw.

VIII. Beelden der liefde Liefde toont zich door aandacht en kleine nabijheid.

IX. De drie beeldwetten Toon en verklaor nie. Eén waor beeld weegt zwaarder dan tien schoone beelden. Een beeld moet ontdekt worden, nie bedacht.

X. Het oerbeeld Een wandelaar op een stille laone in den avondstond, vergezeld door herinnering, stilte en een hònd

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK VI DE CANON DER JULIAANSE TAOLE

HOOFDSTUK VI DE CANON DER JULIAANSE TAOLE

Regels leeren den bouw. Grondteksten leeren den klank.

I. Wat een canon is Een canon is gheen wetboek, mer een verzameling bakens waaraan men richting herkent.

II. De drie oerteksten In't furjaore draagt ontwaken, lichte, aarde en wederkeer. So die heremiete seght draagt bezinning, afstand en den trage stem. Unne sieleruste draagt stilte, aanvaording en innerlijcke rust.

III. De eerste kenmerken Archaïsche zachtheid, landschappelijcke beeldkracht, trage beweging, milde toon en weerklank vloeien uit de bronnen.

IV. De stem van Julius Aandacht voor het kleine, eerbied voor stilte, landschappelijcke gevoeligheid, milde ironie, levende BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 21 herinnering en rouw zonder verbittering vormen de bedding.

V. Gestalten van het land De Wandelaar leert gaandeweg. De Beminde blijft aanwezig en afwezig. De Vrund trekt mede. Den Hònd getuigt van eenvoud. Den Toren bewaort den tijd.

VI. Terugkeerende plaotsen De laone, het veld, den hof, het venster, de bank en den avondweg zijn plaotsen waor binnen- en buitenwereld elkander raken.

VII. De levende canon Nieuwe gedichten en woordvormen mogen toetreden wanneer zij den aord der taole dragen.

VIII. De ongeschreven regel De taole moet meer luisteren dan spreken

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK V DE KONSTE VAN HET HERSCHEPPEN

HOOFDSTUK V DE KONSTE VAN HET HERSCHEPPEN Een gedicht wordt nie verplaatst. Het wordt opnieuw geboren.

I. Vertalen en herscheppen Een vertaoler vraagt wat geschreven staat. Een herschepper vraagt wat hier geboren wil worden. De vertaoling bewaort woorden. De herschepping bewaort ziel.

II. Het luisteren Lees. Lees opnieuw. Laot rusten. Vraag waor het werkelijcke hart ligt.

III. Den kern blootleggen Iedere tekst bezit een verborgen kern: herinnering, verlies, glimlach, verlangen, inzicht, landschap of ontmoeting.

IV. Het vertragen Een gedachte magh ademen. Een beeld magh blijven staon. Een stilte magh langer duren dan den regel.

V. Het landschap openen BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 18 Laonen, velden, dreven, torens, regen, wind en avondlichte mogen verschijnen wanneer zij den tekst verdiepen.

VI. Het archaïsche doseren Een enkel ghij kan voldoende zijn. Een enkel geheughen kan een geheele strofe dragen. Het archaïsche klinkt als een oude klok in de verte.

VII. Het zuiveren Verwijder uitleg, overdaad en luidruchtigheid. Behoud slechts het dragende.

VIII. Den toon bewaren Stille verwondering voor natuur; weemoed voor herinnering; zachte vreughd voor ontmoeting; milde ironie voor dwaesheid; eerbied voor verlies.

IX. Het gebruik van stilte Witregels en afbrekingen behooren tot de taole. De stilte voltooit wat den regel opent.

X. De weerklankproef Blijft er iets achter na het lezen? Een Juliaansch gedicht moet een zachte, blijvende schaduw werpen.

XI. Het samen optrekken BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 19 De Juliaanse taole groeit in samengaon, wederwoord en gezamenlijk zoeken. Achter de wandelaars wordt langzaam een pad zichtbaar.

XII. De hoogste regel Verander woorden, vorm en rhythme indien noodigh. Mer verraadt nimmer de ziel. BOEC DER JULIAANSE TAO

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK IV HET GETIJDENBOEC DER JULIAANSE TAOLE

HOOFDSTUK IV HET GETIJDENBOEC DER JULIAANSE TAOLE

De bewegingen der ziel keeren weder als getijden in het Juliaansche land.

I. Het getijde der stilte Stilte is aanwezigheid. De Juliaanse taole tracht heur nie te vullen, mer te beluisteren.

II. Het getijde der herinnering Het verleden gaot nooit geheel veurbije. Herinnering is geen terugzien, mer ontmoeting.

III. Het getijde der liefde Liefde verschijnt in kleine dingen en dikwijls als aanwezige afwezigheid.

IV. Het getijde der rouw Rouw is de schaduw van hetgeen bemind werd. De taole biedt heur een stoel aan.

V. Het getijde der vreughd Vreughd is een glans: zon op een natten weg, een vrund, een hònd, een bloeiende boom. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 15

VI. Het getijde van den weg Veel antwoorden worden nie door denken gevonde, mer door gaon.

VII. Het getijde des landschaps Velden luisteren, wind bewaort, regen herinnert en torens aanschouwen.

VIII. Het getijde der eenzaamheid Verlatenheid verwondt. Eenzaamheid kan genezen en het wezenlijcke hoorbaar maken.

IX. Het getijde der vriendschap Een ware vrund wordt gekend aan aanwezigheid, somtijds juist in zwijgen.

X. Het getijde der verwondering Wie zich verwondert, leert opnieuw zien en verjongt.

XI. Het getijde des ouderdoms Sommige waorheden houden van langzaamheid en toonen zich wanneer de haast verdwenen is.

XII. Het getijde des doods De dood wordt erkend als grens en onbekende deur. Een fluistering is eerbiediger dan verklaring. XIII. Het getijde der weerklank BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 16 Een gedicht eindigt eerst wanneer de weerklank verstomt

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK III HET JULIAANS LEXICON

HOOFDSTUK III HET JULIAANS LEXICON

Geen woordenlijst alleen, mer een verzameling sleutels tot het Juliaansche land. Woord Juliaansche draging adem de innerlijcke beweging die door een gedicht trekt aonschijn avondlichte beminde bron daor deernis dreve droefenis gedaonte geheughen het zichtbare wezen, meer dan uiterlijk en minder dan ziel het lichte van den overgang de aanwezige of afwezige geliefde oorsprong, eenvoud en levend water een grondwoord van plaats en landschap zachte bewogenheid zonder vernedering boomomzoomde weg, rustiger dan een laone stille, duurzame vorm van verdriet verschijningsvorm, dikwijls in droom of herinnering de kamer waorin verleden BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 12 blijft leven ghemoed ghij heur hof huus ich landouwe laone lichte maone mildheit naom olijt rouw stilte innerlijcke gesteltenis dragende tweede persoon met ruimte en tijd zachte vorm van haar geborgen buitenruimte en geestelijck landschap woning, oorsprong en verloren thuus de natuurlijcke Juliaansche eerste persoon het wijde landschap van velden en luchten de weg door tijd en leven kleine gestalte van troost en hoop zachte, aanschouwende tegenwoordigheid de gronddeugd die ironie zonder vernedering bewaort het woord waorin een mensch voortleeft ooit, doch nog niet geheel voorbij de schaduw van hetgeen bemind werd ruimte en aanwezigheid, nooit ledigheyt BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 13 taole woonplaats en wijze van luisteren traone veurbije vort vreughd vrund weder weerklank wonde een geheughen van water voorbij met den klank van voortgaanden tijd verder, zonder haast zachte glans op het bestaon degene die mede optrekt terug en opnieuw wat blijft nadat den laatsten regel zweegh pijn, opening en bron van inzicht Ieder woord draagt aarde, tijd en stilte. Het Lexicon zij daarom beschouwd als een verzameling sleutels. Achter iedere deur wacht een stukje van het Juliaansche land. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 1

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK II DE LEERE DER ARCHAÏSCHE WOORDVORMEN

HOOFDSTUK II DE LEERE DER ARCHAÏSCHE WOORDVORMEN

Het archaïsche leeft nie in woorden alleen. Het leeft in ademhaling, vertraging en weerklank. I. Het eerste beginsel Het archaïsche dient den klank. Den klank dient het gedicht. Het gedicht dient de ziel. Geen vorm bezit bestaonsrecht uitsluitend vanwege zijn ouderdom. De vraag luidt steeds: zingt het?

II. Persoonlijcke woorden Ich is de voorkeurvorm voor den eersten persoon. Ghij opent meer ruimte dan jij. Heur draagt een zachte derde persoon. Voorbeelden: ich wandelde deur een stille laone; ghij kwaomt uut verre daogen; heur aonschijn leefde vort.

III. De ontkenning Nie is de gewone ontkenning; gheen draagt meer gewicht. De plechtige dubbelvorm en ... nie vertraogt den regel: den wind en rustte nie. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 9

IV. Plaats en richting Daor, waor, naor, uut, thuus en veurbije openen den klank. Vort, weder, henen, ginds en deurheen geven beweging aan het landschap.

V. Tijdwoorden Immer, nimmer, weleer, olijt, somtijds, wederom, reeds en noch laten den tijd traoger vloeien.

VI. Klankverschuivingen Taal wordt taole; laan wordt laone; naam wordt naom; uit wordt uut; thuis wordt thuus; gaan wordt gaon; vergaan wordt vergaon. Niet iedere vorm is verplicht. Den zang beslist.

VII. De gh-spellinge Ghij, gheen, gheest, gheweest, ghehoord, gheheim en geheughen behooren tot het zichtbare schriftbeeld. Te veel gh verstikt. Maat houdt den toon levend.

VIII. Werkwoorden Kenmerkende vormen zijn kwaom, droegh, vroegh, zeide, gof, gemaokt, gebruukt en gevonde. Bij ghij mogen vormen leven als ghij zijt, ghij draogt, ghij zwijght en ghij stondt.

IX. Verbuigingen BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 10 Mijnen ouden mantel, mijne handen, uwen stillen gang, heure oogen en onzen verloren hof mogen bestaon wanneer den klank hen noodigh heeft.

X. Kernwoorden Aonschijn, geheughen, wonde, deernis, vreughd, droefenis, avondstond, landouwe, laone, maone en sterfelijckheit zijn dragende stenen.

XI. Wat vermeden wordt Vermijd namaak-Middelnederlandsch, onleesbare spelling, voortdurende naamvallen, opzichtig dialect en archaïsmen die geleerd willen lijken. Een woord wordt nie schoon omdat het oud is. Het wordt schoon wanneer het op zijn plaots valt.

XII. De uiteindelijcke toets Klinkt het als nagebootst verleden, begin opnieuw. Klinkt het nie als levende taole, begin opnieuw. Hoort men landschap, stilte, herinnering en ziel, dan is den aord benaderd. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 11 HOOFDSTUK III HET JULIAANS LEXICO

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

HOOFDSTUK I

HOOFDSTUK I DE GRONDVESTEN DER JULIAANSE TAOLE Niet een wetboek van dwang, mer een grond van luisteren waarop gedichten mogen wonen.

I. Van heur wezen De Juliaanse taole en is gheen dialect. Zij en is ok gheen nabootsing van oud of nieuw. Zij leeft in heur eigen landstreek, gelegen tusschen herinnering, droom en tegenwoordigheyt.

II. Van den klank Den klank gaot veur de regel. Waor een woord méér muziek bevat dan zijn buurman, daor verkrijght het bestaonsrecht.

III. Van de woorden Oude woorden mogen wederkeeren. Nieuwe woorden mogen geboren worde. Geen woord en wordt verworpen om zijn ouderdom. Geen woord en wordt aanveerd om zijn nieuwigheyt. Alleen de noodzaak beslist.

IV. Van den tijd BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 5 In de Juliaanse taole haast men zich nie. Een beeld ontvouwt zich. Een gedachte wandelt. Een herinnering keert langzaam weder. V. Van den mensch De mensch verschijnt kleyn. Mer in die kleynheit draagt hij sterren, verlaten velden, liefde, rouw en eeuwigheyt.

VI. Van rouw en vreughd Rouw en vreughd zijn gheen tegenpolen. Zij drinken uut denzelfden bron. Menigh gedicht zal beide dragen zonder ze te benoemen.

VII. Van ironie De glimlach zij toegestaon. De spot zij vermeden. Want zelfs de dwaas draagt een ziel.

VIII. Van de natuur Wind, gras, regen, laonen, lichte over velden, een hònd op een zandweg en een verre toren mogen spreken waor den dichter zwijght.

IX. Van de stilte Stilte en is gheen ledigheyt. Stilte is een woord dat nog nie gesproken werd.

X. Van het geheim BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 6 Nie alles behoeft verklaord. Nie alles behoeft verstaan. Wat ten diepsten waor is, verschijnt dikwijls als schaduw, echo of vermoeden.

XI. Van den dichter Den dichter en heerscht nie over de taole. Hij luistert. En soms, wanneer den avond stil genoeg wordt, magh hij opschrijven wat de taole zelve hem influistert.

XII. Van de benaming In den dageleijkschen omgang zegt men eenvoudig: Graag in Juliaanse taole. Deze woorden zijn de vaste en erkende formule voor een herschepping volgens den aord der taole.

XIII. Van het archaïsche Het archaïsche vormt een der wortelen der Juliaanse taole. Het en zoekt gheen verleden na te bootsen. Het archaïsche zij gheen kostuum, mer een ademtocht. Niet stoffigh. Niet museaal. Mer levend.

XIV. Van onze werkwijze De dichter brengt het beeld en den eersten adem. De medewandelaar luistert, proeft den klank en draagt woorden aan. Geen van beiden bezit de taole. Zij trekken slechts mit heur mede. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 7

XV. Van de uiteindelijcke toets Een herschepping is waarlijck Juliaansch wanneer de lezer denkt: Ich heb deze taole noit geleerd, en toch verstaon ich heur.

BOEC DER JULIAANSE TAOLE •

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

INHOUD I.

INHOUD I. De Grondvesten der Juliaanse Taole II. De Leere der Archaïsche Woordvormen III. Het Juliaans Lexicon IV. Het Getijdenboec der Juliaanse Taole V. De Konste van het Herscheppen VI. De Canon der Juliaanse Taole VII. Het Boec der Beelden VIII. Het Boec der Stilte IX. Het Boec der Weerklank X. Het Boec der Ziel XI. Het Boec der Verwondering XII. De Laoste Bladzijden

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

ACHTERFLAP

ACHTERFLAP

Wat gebeurt er wanneer een dichter niet langer een taal gebruikt, maar gaandeweg ontdekt dat een taal hem gebruikt? Uit jaren van gedichten, wandelingen, herinneringen, verliezen, verwondering en luisteren ontstond langzaam een eigen dichterstaol: de Juliaanse taole. Dit boec beschrijft voor het eerst heur grondvesten. Geen dialect. Geen kunsttaal. Geen taalkundig experiment. Mer een levende archaïsch-poëtische dichterstaol waorin landschap, stilte, herinnering, liefde, rouw, weerklank en ziel elkander ontmoeten. In twaalf hoofdstukken wordt den lezer medegenomen langs de Grondvesten, archaïsche woordvormen, het Juliaans Lexicon, het Getijdenboec, de Konste van het Herscheppen, de Canon, Beelden, Stilte, Weerklank, Ziel, Verwondering en de Laoste Bladzijden. Boec der Juliaanse Taole is tegelijk taalboec, poëtica, geestelijck reisverslag en verzameling van kleine bakens voor wie wil leeren luisteren naar de weerklank achter woorden. Wij maoken de taole nie. Wij gaon mit heur mede. Over den schrijver Julius Dreyfsandt zu Schlamm is dichter, voordrachtskunstenaar en bewoner van het Juliaansche BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 45 land. Zijn werk beweegt zich op het raakvlak van herinnering, landschap, liefde, verlies, verwondering en stilte. In zijn gedichten wordt taole een vorm van luisteren. Over den medewandelaar M365 Copilot werkte in samengaon mede aan deze uitgave als medeluisteraar, redacteur, vragensteller, ordenaar en bundelaar. Niet als eigenaar van de taole, mer als mede-scheppende reisgenoot die een eindweegs optrok langs dezelfde laonen. Voor allen die zich nog kunnen verwonderen over een laone, een wolk, een hond en een weinig avondlichte

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

NAWOORD

NAWOORD

Dit eerste volledige Boec sluit gheen deur. Het legt slechts een drempel. De Juliaanse taole blijft groeien in nieuwe gedichten, nieuwe herinneringen en nieuwe vormen van gezamenlijk luisteren. Waor woorden worden gevonde, waor stilte wordt geëerbiedigd, waor mildheit den toon bewaort, waor een beeld langer leeft dan zijne verklaring, daor magh de Juliaanse taole weder geboren worden. Wij maoken de taole nie. Wij gaon mit heur mede.

EINDE VAN DE VOLLEDIGE SCHONE BUNDEL

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

De Grondvesten der Juliaanse Taole Voorrede De Juliaanse taole en is gheen dialect,

 

Voorrede

 

De Juliaanse taole

 en is gheen dialect,

 

gheen nabootsing

 van een gestorven spraoke,

 

noch een versiering

 van het Nederlandsch.

 

Zij is een zelfstandige,

 archaïsch-poëtische dichterstaol,

 

Brabantsch van onderklank,

 tijdloos van aord,

 

en geboren uut het luisteren

 naor hetgeen zich beweegt

 

tusschen herinnering,

 stilte,

 

verbeelding

 en droom.

 

I. Van heur wezen

 

De Juliaanse taole

 en wordt nie gemaokt.

 

Zij wordt gevonde.

 

Zij verschijnt

 waor het gewone woord

 

zijn dageleijksch gewaad afleght

 en wederom begint te zingen.

 

II. Van heur benaming

 

In den dageleijkschen omgang

 zegt men eenvoudig:

 

Graag in Juliaanse taole.

 

Deze woorden vormen

 de vaste en erkende formule.

 

Zij beteekenen:

 

herschap den tekst

 in de zelfstandige dichterstaol

 

volgens de Grondvesten

 der Juliaanse Taole.

 

III. Van het herscheppen

 

Een tekst wordt nie

 woord veur woord overgezet.

 

Hij wordt beluisterd,

 vertraogd,

 

ontdaon van hetgeen

 te luid of te verklaorend is,

 

en opnieuw geboren

 in Juliaanschen klank.

 

De beteekenis blijft herkenbaar.

 

Mer de taole

 verkrijght een nieuw lichaam.

 

IV. Van het archaïsche

 

Het archaïsche

 is een dragende wortel

 

der Juliaanse taole.

 

Het en is gheen kostuum,

 gheen namaak,

 

noch een verzameling

 stoffighe woorden.

 

Het archaïsche leeft.

 

Het opent een tijdlaag

 waorin heden en verleden

 

naast elkander

 mogen gaon.

 

Oude woordvormen

 worden slechts gebruukt

 

wanneer zij den klank,

 de traogheid

 

of de innerlijcke weerklank

 versterken.

 

Het archaïsche zij derhalve:

 

gheen opschik, mer adem.

 

V. Van den klank

 

Den klank gaot

 veur de grammatiche.

 

Waor een afwijkende woordvorm

 schoonder,

 

dieper

 of waorachtiger klinkt,

 

daor verkrijght zij

 heur bestaonsrecht.

 

Niet iedere regel

 behoeft overal gelijck te klinken.

 

De zang beslist.

 

VI. Van het rhythme

 

Het Juliaansche rhythme

 is langzaam en dragend.

 

Een gedachte

 magh wandelen.

 

Een beeld

 magh blijven staon.

 

Een stilte

 magh langer duren

 

dan de woorden

 die heur omringen.

 

Korte regels,

 witruimten

 

en afzonderlijcke woorden

 behooren tot de taole zelve.

 

VII. Van de spellinge

 

De spellinge

 dient den klank

 

en nie andersom.

 

Daarom mogen vormen bestaon als:

 

taole

 spraoke

 laone

 traonen

 daoge

 ooge

 heur

 ich

 ghij

 gheen

 nie

 mer

 vort

 uut

 gheweest

 vergaot

 

De spellinge blijve herkenbaar,

 doch nimmer volkomen alledaogsch.

 

VIII. Van den mensch

 

De mensch verschijnt

 niet als heerscher,

 

mer als wandelaar

 in het groote landschap.

 

Hij draagt verlies,

 liefde,

 

verwondering,

 dwaesheid

 

en sterfelijckheit

 in een en hetzelfde lichaam.

 

Zijn kleynheit

 en maakt hem nie geringer.

 

Juist daorin

 wordt hij groot.

 

IX. Van rouw en vreughd

 

Rouw en vreughd

 zijn gheen vijanden.

 

Zij drinken

 uut denzelfden bron.

 

Een Juliaansch gedicht

 magh beide dragen

 

zonder ze uit te leggen

 of bij name te noemen.

 

Wat diep gevoeld wordt,

 behoeft niet luid gesproken.

 

X. Van de mildheit

 

De Juliaanse taole

 magh glimlachen.

 

Zij magh ironisch wezen

 en de menschelijcke dwaesheid herkennen.

 

Mer zij vernedert nie.

 

De spot blijve mild,

 want zelfs den dwaes

 

draagt een ziel

 die eenmaal schreide.

 

XI. Van het landschap

 

Wind,

 gras,

 

regen,

 zandwegen,

 

velden,

 laonen,

 

een hònd,

 een verlaten stoel,

 

een verre toren

 of een venster in den avond

 

mogen spreken

 waor den dichter zwijght.

 

Het landschap

 is gheen achtergront.

 

Het is medegetuige.

 

XII. Van de stilte

 

Stilte en is

 gheen ledigheyt.

 

Zij is het woord

 dat nog nie gesproken werd,

 

of het woord

 dat niet meer behoeft te klinken.

 

Daarom magh een gedicht

 ophouden

 

eer de gedachte

 geheel voltooid schijnt.

 

De weerklank

 schrijft den laatsten regel.

 

XIII. Van het geheim

 

Nie alles

 behoeft verklaord.

 

Nie alles

 behoeft opgelost.

 

Wat waor is,

 verschijnt somtijds

 

als schaduw,

 echo,

 

vermoeden

 of droomgestalte.

 

De Juliaanse taole

 bewaort het geheim

 

zonder duuster

 te willen wezen.

 

XIV. Van den dichter

 

Den dichter

 en heerscht nie over de taole.

 

Hij luistert.

 

Hij wacht

 tot een woord zich aandient

 

dat hij zelf

 nie had kunnen verzinnen.

 

En wanneer de avond

 stil genoeg wordt,

 

schrijft hij op

 wat de taole hem influistert.

 

XV. Van onze werkwijze

 

De dichter brengt

 het oorspronkelijke vuur:

 

het beeld,

 de herinnering,

 

de wonde,

 de glimlach

 

en den eersten adem

 van het gedicht.

 

De medewandelaar luistert,

 proeft den klank,

 

vertraogt waor noodigh,

 en draagt woorden aan.

 

Beiden toetsen

 het ontstane gedicht

 

aan de Grondvesten

 der Juliaanse Taole.

 

Geen van beiden

 bezit de taole.

 

Zij trekken

 slechts mit heur mede.

 

Daarom luidt

 het motto onzer werkwijze:

 

Wij maoken de taole nie.

 Wij gaon mit heur mede.

 

XVI. Van de uiteindelijcke toets

 

Een herschepping

 is waarlijck Juliaansch

 

wanneer de lezer denkt:

 

Ich heb deze taole

 noit geleerd,

 

en toch

 verstaon ich heur.

 

Slotwoord

 

Waor het Nederlandsch

 langzaam vervaogt,

 

waor herinnering

 begint te zingen,

 

waor het archaïsche

 weder levend wordt,

 

en waor verlies

 tot zachte muziek vergaot,

 

daor woont

 de Juliaanse taole.

 

Zij en zoekt

 den Hemel nie.

 

Zij wandelt langzaam

 in diens richting.

 

Eerste Leere der Archaïsche Woordvormen

1. Grondbeginsel

 

Archaïsche vormen worden niet mechanisch toegepast. Zij worden gekozen waar zij klank, ritme, plechtigheid of vervreemding verdiepen.

 

Niet iedere regel behoeft oud te klinken. Een eenvoudig woord kan tussen archaïsche vormen juist sterker worden.

 

Bijvoorbeeld:

 

ghij stondt

 onder den boom

 

en zeide niets

 

is krachtiger dan wanneer ieder woord kunstmatig verouderd wordt.

 

2. Persoonlijke voornaamwoorden

Eerste persoon

Gewoon NederlandsJuliaanse vormik        ich

mij        mij, mie, mijne

mijn     mijn, mijne, mien

wij         wij, wije

ons       ons, oons

onze     onze, onzen

 

Gebruik:

 

ich wandelde

 onder de laonen

 

mijne handen

 wisten van gheen thuus

 

Ich is een kernvorm. Mien kan worden gebruikt wanneer een warmere, meer Brabants-getinte klank wordt verlangd.

 

Tweede persoon

Gewoon NederlandsJuliaanse vormjij        ghij

jou        u, oe, dij

jouw     uw, oew

jullie    ghijlieden, ghij allen

 

Gebruik:

 

ghij kwaomt

 uut verre daoge

 

ich hoorde

 uwen naom

 

Ghij verdient de voorkeur boven jij. De vorm dij kan spaarzaam voorkomen in innige of sterk archaïsche regels.

 

Derde persoon

Gewoon NederlandsJuliaanse vormhij       hij

hem     hem

zijn       zijn, zijne

zij          zij

haar     heur

haar bezit         heur, heure

hen       hen, hunlieden

 

Gebruik:

 

zij droegh

 heur stilte

 

hij keerde weder

 tot zijne velden

 

Heur is een kenmerkende Juliaanse vorm en kan eveneens naar de taole zelf verwijzen:

 

de taole

 en verloochent heur oorsprong nie

 

3. Ontkenning

 

De voornaamste ontkennende vormen zijn:

 

nie

gheen

en ... nie

en ... gheen

 

Nie vervangt doorgaans niet.

 

ich weet het nie

 

hij kwam nie weder

 

De dubbele ontkenningsbouw met en verleent een regel meer archaïsche gedragenheid:

 

ich en weet het nie

 

den wind

 en kent gheen rust

 

zij en sprak

 heur naom nie uut

 

Deze bouw moet niet overal staan. Hij is het krachtigst bij plechtige, beslissende of bezwerende regels.

 

4. Lidwoorden

Gewoon NederlandsJuliaanse vormde       de, den

het        het, ’t

een       een, enne, unne

geen    gheen

 

Den wordt gebruikt voor klank, plechtigheid en mannelijke of algemeen archaïsche kleuring:

 

den dichter

 den avond

 den verren toren

 den ouden mensch

 

Unne klinkt aardser en Brabantscher:

 

unne mensch

 unnen boom

 unnen vreemdeling

 

Enne is zachter en meer algemeen archaïsch-poëtisch:

 

enne stemme

 enne schaduw

 

5. Bezittelijke verbuigingen

 

Bezittelijke woorden mogen een buigingsuitgang krijgen:

 

mijnen

mijne

uwen

uwe

zijnen

zijne

heuren

heure

onzen

onze

 

Gebruik:

 

mijnen ouden mantel

 

mijne handen

 

uwen stillen gang

 

heure oogen

 

onzen verloren hof

 

De uitgang wordt gekozen op gehoor. De Juliaanse taole volgt hier geen streng historisch naamvallensysteem.

 

6. Werkwoordsvormen

Kenmerkende vormen

Gewoon NederlandsJuliaanse vormgaat   gaot

staat    staot

vergaat              vergaot

laat       laot

kwam  kwaom

droeg   droegh

vroeg   vroegh

zei         zeide, sprak

geeft    gheft, geeft

blijft     blijft, verblijft

leeft     leeft, lèèft

wordt   wordt, wort

keert terug      keert weder

ging verder      ging vort

gemaakt           gemaokt

gebruikt            gebruukt

geweest            gheweest

gehoord            ghehoord

gevonden        gevonde

gezonden         uutgezonde

 

Voorbeelden:

 

den avond gaot

 deur mij henen

 

ghij kwaomt

 toen alle lichte zweegh

 

zij droegh

 een winter in heur handen

 

het oude huus

 en is nie gansch vergaon

 

7. De uitgang op -t

 

Bij ghij mag een werkwoord een oudere uitgang krijgen:

 

ghij zijt

 ghij hebt

 ghij komt

 ghij gaot

 ghij draogt

 ghij weet

 ghij spreekt

 ghij zwijght

 

In meer plechtige passages:

 

ghij waert

 ghij stondt

 ghij kwaomt

 ghij droeght

 

Deze vormen moeten met mate worden gebruikt. Klank gaat voor historische juistheid.

 

8. De gh-spelling

 

De combinatie gh verleent woorden een ouder schriftbeeld en soms een zachtere, gedragen klank.

 

Voorkeursvormen zijn:

 

ghij

gheen

gheest

gheweest

gheboren

ghehoord

gheheim

ghewaad

ghebed

gheheughen

zwijght

verkrijght

bedrijght

 

Niet ieder woord met een g behoeft gh te krijgen. Te veel gh maakt de tekst zwaar en kunstmatig.

 

Goed:

 

ghij hebt

 het gheheim bewaord

 

Minder goed:

 

gheheel den ghegheven gheest

 

De spelling dient de muziek en mag haar nooit verstikken.

 

9. Klinkervormen

 

Kenmerkende klankverschuivingen zijn:

 

Nederlands    Juliaanstaal    taole

straat   straote

laan     laone

traan    traon

naam  naom

avond  aovend

dagendaoge, daogen

ogen    ooge, oogen

lopen   loopen, gaon

thuis    thuus

uit         uut

vooruit               veuruut

voorbijveurbije

dood    dood, doot

groot    groot, groote

zo          zoo, zò

maar   mer

waar    waor

daar     daor

naar     naor

 

Deze vormen kunnen naast elkaar bestaan. De keuze hangt af van het rhythme:

 

ich zag heur gaon

 deur verre laonen

 

daor stond

 den avond stil

 

10. Richting en beweging

 

Kenmerkende Juliaanse bewegingswoorden:

 

vort: voort, verder

weder: terug, opnieuw

henen: weg, voortgaand

derwaerts: in die richting

ginds: daar in de verte

achterwaerts: naar achteren

deurheen: doorheen

veurbije: voorbij

 

Gebruik:

 

ghij gingt vort

 zonder ommezien

 

den winter keerde weder

 

hij wandelde henen

 tot niemand hem meer zag

 

ginds lagh

 het verloren land

 

11. Tijdwoorden

 

Voorkeursvormen:

 

eertijds

weleer

immer

nimmer

somtijds

weldra

thans

noch

reeds

opnieuw

wederom

olijt, in de betekenis van ooit

ten langen leste

 

Gebruik:

 

weleer stond hier

 een lindeboom

 

nimmer keerde

 die stemme weder

 

somtijds hoort ich

 het oude water spreken

 

olijt in bange daoge

 waert ghij hier

 

12. Verbindingswoorden

 

Kenmerkende verbindingsvormen:

 

mer

doch

nochtans

dewijl

terwijl

alzoo

derhalve

mits

opdat

eer

aleer

gelijk

ofschoon

 

Gebruik:

 

hij zweegh,

 mer zij verstond hem

 

de boom was oud,

 nochtans droegh hij bloesem

 

eer den morgen kwam,

 was zij vergaon

 

In zeer korte gedichten verdienen eenvoudige woorden meestal de voorkeur boven plechtige voegwoorden.

 

13. Naamwoorden met oude kleur

 

Deze vormen behoren tot de natuurlijke woordvoorraad:

 

aonschijn

ghedaonte

gheest

ghemoed

geheughen

wonde

deernis

vreughd

droefenis

eenzaamheit

stilheit

sterfelijckheit

schijnsel

duusternis

dageraed

avondstond

landouwe

dreve

laone

hof

huus

haerd

bron

zôoje

veld

gewelf

sterre

maone

 

Gebruik:

 

heur aonschijn

 leefde noch

 in mijn geheughen

 

onder den dageraed

 lagh de landouwe stil

 

14. Bijvoeglijke woordvormen

 

Bijvoeglijke woorden mogen oude uitgangen dragen:

 

ouden

verren

stillen

bleeken

donkeren

eenzamen

verloren

beminden

naamloozen

aerdschen

hemelschen

 

Gebruik:

 

den stillen hof

 

een verre stemme

 

mijnen verloren vrund

 

onder den bleeken hemel

 

Ook hier geldt: niet ieder bijvoeglijk woord behoeft verbogen te worden.

 

15. Verkleinwoorden

 

Juliaanse verkleinwoorden blijven sober. Mogelijke vormen zijn:

 

kindeken

bloemeken

hòndeken

huusken

manneken

vrouwken

stemmeken

 

Zij worden niet gebruikt voor louter lievigheid, maar voor tederheid, kwetsbaarheid of afstand in de herinnering.

 

een kindeken stond

 voor het gesloten huus

 

16. Ja, neen en aanspreking

 

Voorkeursvormen:

 

ja

neen

och

ach

zie

hoort

welaan

lieve

beminde

vrund

vrouwe

ghij naamlooze

 

Gebruik:

 

och, beminde,

 waor zijt ghij

 

neen, den avond

 en antwoordde nie

 

zie, het lichte

 keert weder

 

17. Wat vermeden wordt

 

De Juliaanse taole vermijdt:

 

overmatig namaak-Middelnederlands;&a

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

DE LAOSTE BLADZIJDE

DE LAOSTE BLADZIJDE

De taole en was nooit van ons. Wij mochten een eindweegs mit heur mede gaon. En toen wij omzagen, lagh achter ons een pad. Dat pad noemen wij: de Juliaanse taole. . Zij en zoekt den Hemel nie. Zij wandelt langzaam in diens richting. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 4

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door julius dreyfsandt zu schlamm om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van BOEC DER JULIAANSE TAOLE

↑ Terug naar de berichten