HOOFDSTUK X HET BOEC DER ZIEL
Niet om de ziel te verklaoren, mer om een weinig met heur mede te wandelen.
I. Wat de ziel nie is De ziel en is gheen theorie. Zij en is gheen begrip. Zij en laat zich nie vangen in formules. Men kan veel weten over een mensch en toch niets weten van zijne ziel, omdat de ziel niet woont in gegevens, mer in aanwezigheid.
II. De ziel als landschap De Juliaanse taole beschouwt de ziel niet als een voorwerp, mer als een landschap. Een landschap bezit wegen, velden, verborgen plaatsen, stilten, horizonten en gebieden die men nog nooit bezocht heeft. Zoo ook de ziel. Sommige streken kent men goed. Andere blijven onbekend, zelfs na een leven lang.
III. De binnenste kamer In iedere ziel bevindt zich een kamer waarin men zelden komt. Daar worden bewaard: oude liefden, groote vreugden, verloren stemmen, vergeten gebeden en namen die niet geheel verdwenen zijn. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 29 Slechts nu en dan gaat die deur een weinig open: een geur, een lied, een avondlichte. En plotseling staat men weder in een jaar dat reeds lang voorbij scheen.
IV. De ziel en de wonde De Juliaanse taole beschouwt de wonde niet uitsluitend als beschadiging. Sommige wonden worden vensters. Niet onmiddellijk. Niet zonder pijn. Mer met den tijd. Wie nooit verwond werd, ziet soms minder diep. Wie een wonde droeg, kan soms beter verstaan wat anderen verbergen. Daarom wordt de wonde eerder met eerbied dan met schaamte benaderd.
V. De ziel en den tijd De ziel leeft in een andere tijd dan de klok. In één ogenblik kan een halve eeuw terugkeren. In een lang jaar kan niets geschieden. Daarom denkt de ziel niet in uren. Zij denkt in ontmoetingen, verliezen, weerklanken, liefdes en herinneringen.
VI. De ziel en het geheughen Het geheughen is de tuin van de ziel. Niet alles groeit er. Niet alles blijft er leven. Mer sommige dingen wortelen diep. Een stem. Een wandeling. Een handdruk. Een afscheid. Een glimlach. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 30 En soms bewaart de ziel wat het verstand reeds vergeten heeft.
VII. De ziel en den ander Geen ziel ontstaat alleen. Zelfs de eenzaamste mensch draagt anderen met zich mede. Ouders. Vrienden. Geliefden. Kinderen. Ontmoetingen. Sommigen blijven slechts kort. Anderen blijven levenslang, zelfs wanneer zij vertrokken zijn.
VIII. De beminde In vele zielen woont een beminde. Niet altijd een tegenwoordige. Soms juist een afwezige. De Juliaanse taole acht zulks niet vreemd. Liefde volgt immers niet altijd de kalender. Sommige genegenheden blijven wonen in den stillen hof van het geheughen. Niet luid. Niet eisend. Mer aanwezig.
IX. De vrund Naast de beminde woont vaak den vrund. Een vrund is iemand bij wie men niet behoeft te verbeteren wat men werkelijk is. Vriendschap vraagt geen volmaaktheid. Zij vraagt aanwezigheid. Daarom behoort vriendschap tot de kostbaarste goederen van het Juliaansche land.
X. De ziel en de eenzaamheid BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 31 Iedere ziel moet vroeg of laat door eenzaamheid wandelen. Niet als straf. Mer als gebied. Wie daarvan terugkeert, begrijpt dikwijls beter wat werkelijk van waarde is. Want in de stilte vallen vele bijzaken weg. En blijft slechts over wat wezenlijk is.
XI. De ziel en de verwondering Verwondering houdt de ziel jong. Niet leeftijd. Niet gezondheid. Niet succes. Mer verwondering. De mogelijkheid om stil te staan bij een wolk, een hond, een blad, een regel, een lichtstraal op een ouden muur. Waar verwondering verdwijnt, verhardt de ziel. Waar zij blijft, blijft de bron stromen.
XII. De ziel en de stilte Na verloop van jaren ontdekken vele menschen dat antwoorden minder belangrijk worden en luisteren belangrijker. Stilte wordt dan geen leegte meer, mer gezelschap. Een zachte metgezel die niet oordeelt, niet dringt, niet vraagt, mer eenvoudig aanwezig blijft.
XIII. De ziel en de taole Hier raken wij het hart van dit boec. Waarom ontstaan gedichten? Waarom zoekt een mensch naar woorden? Waarom wordt een taole geboren? Misschien omdat de ziel af en toe iets weet wat nog geen woorden bezit. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 32 Dan begint het zoeken. Dan begint het luisteren. Dan wordt een gedicht geschreven. Niet om iets uit te leggen, mer om iets te ontvangen.
XIV. De ziel en den Hemel Over den Hemel spreekt de Juliaanse taole altijd behoedzaam. Niet uit onzekerheid, mer uit eerbied. Sommige werkelijkheden worden kleiner naarmate men er harder over spreekt. Daarom verschijnt de Hemel meestal als vermoeden, als licht, als genade, als zachte ruimte, als vrede die zich onverwacht aandient. En soms als een ogenblik waarin alles voor een korte tijd op zijn plaats lijkt te vallen.
XV. De laatste wandeling Misschien bestaat het leven uiteindelijk uit wandelen. Niet altijd over wegen, mer door tijden, liefdes, verliezen, verwonderingen, vragen en stilten. En misschien is de laatste wandeling niet een vertrek, mer een thuiskomen. Een thuiskomen in een landschap dat ons reeds lang kende.
XVI. De ziel en de Juliaanse taole Indien men uiteindelijk vraagt wat de Juliaanse taole werkelijk is, zou een antwoord kunnen luiden: zij is een poging om de ziel een woonplaats van woorden te geven. Niet een paleis. Niet een vesting. Mer een huus. BOEC DER JULIAANSE TAOLE • 33 Met een venster. Met een tafel. Met een stoel voor den vrund. Met plaats voor herinnering. Met plaats voor stilte. En met een deur die uitkomt op verre laonen.
XVII. Besluit Ten lange leste komt de Juliaanse taole uit bij hetgeen zij van aanvang af zocht. Niet taal. Niet vorm. Niet zelfs poëzie. Mer ziel. Want woorden vergaon. Klanken vervagen. Beelden veranderen. Mer de ziel blijft zoeken, luisteren en hopen. De ziel en vraagt niet om bezit. Zij vraagt om een thuus. En waar herinnering, stilte, liefde, verwondering en weerklank elkander ontmoeten, daor staat, ergens tusschen aarde en Hemel, het huus der Juliaanse taole. En daor brandt nog licht. BOEC DER JULIAANSE TAOLE •