299 Dialogen
299 Dialogen
In het eerste deel resten nog 3 dialogen : XII Pension La pepa , XIII Hoe grappig en XIV Op weg
299 Dialogen299 Dialogen
In het eerste deel resten nog 3 dialogen : XII Pension La pepa , XIII Hoe grappig en XIV Op weg
298 XI Vragen over Rome298 XI Vragen over Rome
1 Waar wonen jullie ?
2 Wij wonen in een pension “Pepa”.
3 Geef mij je adres.
4 Neem mijn kaart
5 Mijn adres is gemakkelijker :
6 De Metrostraat
7 Steek de straat over
8 Neem het voetpad langs de winkels
9 Aan de hoek is er een apotheek
10 He, dat is moeilijk
11 Vraag het aan de bewaker
12 Wij steken over
13 Ik dacht het. De disco is gesloten.
14 Kunt u mij eens zeggen, a.u.b.
15 Waar is het pension “La Pepa” ?
16 Volg rechts
17 Zie je dat standbeeld
18 Zie je het park rond het standbeeld
19 Je hebt daar een plein met arcades
20 Het pension is aan het plein
21 Maar, we zijn opzoek naar “La Pepa”
297 X We kopen een appartement297 X We kopen een appartement
1 We kopen een appartement in dit gebouw
2 We gaan kijken
3 Kunnen we het appartement bezoeken
4 Natuurlijk, ga maar, a.u.b.
5 Hier heb je de inkom
6 De keuken is heel mooi
7 Hier heb je de eetkamer
8 Alle meubels zijn nieuw
9 en die deur ?
10 Die gaat naar de gang
11 van de bewoners
12 De kamer van de ouders
13 Deze kamer is veel groter
14 Is ze bewoond ?
15 Ze is van de kinderen
16 Je hoort het; En deze deur ?
17 Dan houd ik er minder van
18 Dat is de deur van de badkamer
19 Hoeveel kost het ?
20 200000 Euro
21 Dan houd ik er minder van
22 Waar gaan we heen ?
23 Waar is de kat ?
24 Ik kijk onder de meubels
25 Kijk in deze woonkamer
26 Ik wil in deze kast kijken
27 En achter deze deur
28 Ik kijk
29 Dat is zo
30 Kijk, zij zit op het bed
31 Die meneer is aan het wandelen
32 Die meneer is aan het zonnebaden
33 Die is aan het lezen
34 Ik houd van deze kast
35 Ik verkies dit bed
36 Deze kasten zijn goedkoop
37 Deze kasten zijn duurder
38 Deze mijnheer is aan het wachten
39 Deze vrouw wacht ook
40 Deze jongens wandelen
41 Deze meisjes winkelen
42 Wij kopen dit appartement
43 Dit huis kopen wij ook
44 Deze flats worden verkocht
45 deze huizen worden ook verkocht
Klein - groot
Links – rechts
Goedkoop - duur
296 Evaluatie296 Evaluatie
Deze week stootten wij op twee nieuwe initiatieven.
Minister Van Deurzen kondigde een actie aan voor Nederlandse taalbeheersing bij kleuters. Hier viel één ding op : de noodzaak aan een éénvormige uitspraak van onze taal. Wanneer wordt er eindelijk werk gemaakt van standaard Nederlands ?
ANWB pakt uit met taalgidsen en taalkits. Die zouden functioneel moeten zijn. Maar de gidsen beginnen met een korte grammatica en daarna pas volgen belangrijke uitdrukkingen op het gebied van eten, drinken, vervoer, medische hulp enz. Hopelijk wordt hierin rekening gehouden met de basiswoordenschat van gesproken Nederlands!
295 IX Het nieuw appartement295 IX Het nieuw appartement
1 C. en A. staan te praten in de straat.22 Mama. Mama.
23 Zij is niet thuis
24 Ik weet het niet
25 Ik denk van wel
26 Ik zal zien. Mama!
27 Neen, zij is niet thuis
28 Niemand
29 Ja, er is iemand : de kat
30 Zij is aan het zonnebaden
31 Ja, zij is aan het zonnebaden
32 Neen, ik houd niet van de zon
33 Ik verkies de schauw
34 Is er geen lift? Rechts?
35 Zeker vrouw
36 Houd je van het appartement ?
37 Ja, meisje erg38 Is uw moeder thuis ?
39 Ik weet het niet
40 Mama
41 Er is niemand
42 Neen, neen, er is niemand
43 Ja, de kat is er
44 Heb je bloemen ?
45 Ja, het terras staat er vol van
294 VIII Opreis294 VIII Op reis
1 Taxi!
2 Waar gaan we naartoe ?
3 We gaan naar het station.
4 De trein vertrekt om half negen
5 Het is acht uur
6 Hier is het station
7 Hoeveel is het ?
8 Achttien Euro
9 Hebt u wisselgeld ?
10 Neen mijnheer.
11 O, ik heb twintig Euro.
12 Als ’t u belieft.
13 Achttien en zeven, vijfentwintig
14 Mijnheer
15 Ja, mijnheer
16 Hoeveel valiezen hebt u ?
17 Wij hebben er drie.
18 Een mandje
19 en drie pakjes
20 Wij hebben nog voldoende tijd
21 Kom kinderen. Naar boven.
22 Hier zijn onze zitplaatsen
23 Oef, wat is het warm!
24 Heb je een zakdoek, P.
25 Geef hem aan papa
26 Dank u, zoon
27 Hoeveel kinderen hebben jullie ?
28 Wij hebben twee zonen
29 en een dochter
30 Ik heb een zoon en zes kleinkinderen
31 kleinzoon
32 Hoe laat is het ?
33 Het is negen uur.
34 De mijnheer heeft drie valiezen
35 De mevrouw heeft drie zonen
36 Hier hebben we onze zitplaatsen.
37 Hebben jullie het warm, kinderen ?
38 Ik, neen.
39 Ik heb het niet warm.
40 Heb je een zakdoek, P.
41 Hoeveel kinderen hebt u ?
42 Wij hebben twee zonen en een dochter.
43 Ik heb een zoon en zes kleinkinderen
44 Wat grappig. De zonen hebben zwart haar.
45 Ja, en dochters zijn blond.
Tijd
betalen
familie - stamboom
293 VII De oma en de nichtjes293 VII De oma en de nichtjes
1 Dit zijn foto’s van een uitstap.
2 Wij zijn in de bergen.
3 De bergen zijn hoog
4 En er is sneeuw
5 Waar ben jij ?
6 Ik sta in het midden
7 Ben jij dat ?
8 Ja, dat ben ik
9 Ja, oma, dat ben ik
10 Je bent goed met je hoed
11 De foto’s zijn goed, eh, oma
12 Ben jij de fotograag
13 Ja
14 Je bent een goede fotograaf
15 Ja … mijn hoed is blauw
16 Op deze plaats is er groen
17 Hoe? Wat zeg je ?
18 Welke kleur hebben de bomen, oma ?
19 De bomen zijn groen
20 Als ze groen zijn
21 Goed man, goed
22 Dat is Manuel
23 Wie is Manuel
24 Hij is mijn broer
25 Dat is hij
26 O ja, dat is hij
27 Juffrouw
28 zeg
29 Het bier is warm
30 Mijn horchata is goed fris
31 Pardon, wat is de horchata
32 Dat is een verfrissing
33 Is uw horchata fris ?
34 Ja, zij is goed fris
35 Is de koffie goed ?
36 Ja, hij is goed
37 omdat hij fris is
38 Dat is sympathieker vandaag
39 Neen, het is altijd sympathiek
40 Ik ben Ana
41 Ik ben nu in Malaga
42 Ik ben student
43 Maar ik ben met vakantie nu
44 Is de koffie van Colombia goed
45 Ja, hij is goed, want hij is koud
Hoog - laag
Familieverbanden
Kleuren
Dranken
292 VI Winkelen292 VI Winkelen
1 Goede avond, heren.
2 Wat verlangt u ?
3 Schoenen voor heren a.u.b.
4 Hebt u iets gezien ?
5 Graag zwarte schoenen … goedkoop
6 Wij zullen eens kijken
7 Zwarte schoenen van arriba
8 van honderd Euro (pesetas)
9 De zwarte kosten vierhonderd Euro
10 Verkies je niet van de bruine ?
11 De bruine daar beneden
12 Ik verkies zwarte
13 Jan maar de zwarte zijn duurder
14 de bruine voor alle dagen
15 en de zwarte voor ‘s zondags
16 De twee paren zijn uitstekend
17 Zo zal het zijn, …, de twee paren
18 Neen, neen, dat kost te veel
19 En een paar schoenen
20 Ja, een paar mevrouw
21 Hier heb je ze
22 Hier heb je schoenen
23 witte, blauwe en zwarte
24 Ik verkies de blauwe
25 De blauwe zijn mooier
26 Hoeveel kosten de blauwe ?
27 Ze kosten 25 Euro
28 Hoe verschikkelijk Welke prijzen
29 Heb je dat gehoord ?
30 en een paar vrouwenschoenen
31 De bruine zijn goedkoop
32 Ik verkies zwarte schoenen
33 Die zijn goedkoper
34 Neen, mijnheer, ze kosten … Euro
35 Begrepen, de slippers voor u
36 en de schoenen voor mij
37 Hier heb je goedkope schoenen
38 Goedkope schoenen? Hoe goedkoop ?
39 De schoenen van … Euro
40 De bruine daar beneden
41 Neen, de zwarte van boven
42 Slippers
43 Welke ?
44 De blauwe slippers
45 De blauwe zijn beter
Goed beter best
Goedkoop duur
kleuren
boven beneden
kostprijs
290 IV Groeten, bier, ijsjesIV Groeten, bier en ijsjes
1 Zijn dat …
2 Neen, mijnheer, dat zijn ze niet
3 Ja, dat zijn z
4 Zij zitten op het terras
5 O, ja, dat zijn ze
6 Hoe gaat het ?
7 Oef, wat is het warm
8 Wij zijn in de zomer, vriend
9 Ja, wij zijn in Madrid
10 Hoe gaat het met de kinderen
11 Goed, dank u
12 Zij zijn in Malaga
13 met mijn ouders
14 Ober
15 Wat wenst u meneer ?
16 Een ijsje en twee bieren
17 Een ijsje en twee bieren
18 Waar zijn mijn cerillas
19 Kijk, zij liggen op de grond
20 Een ijsje en twee bieren
21 Zij zijn heel fris,eh
22 Hoe gaat het
23 Goed, dank u
24 Goed,…wat is het warm
25 De kinderen zijn in Malaga
26 bij mijn ouders
27 Jullie zij hier
28 en zij zijn ginder
29 Wat doen jullie
30 Wij schrijven naar mama
31 Met hoeveel zijn jullie, oma
32 Wij zijn met tien
33 Waar zijn de kinderen ?
34 Zij zijn in de tuin
35 Waar zijn jullie ?
36 Wij zijn hier, in de tuin
37 Wij zijn in Malaga
38 Ja, wij zijn met onze grootouders
39 Wat doen jullie ?
40 Wij schrijven naar mama
41 Waar zijn de kinderen ?
42 Zij zijn in de tuin
43 Zijn jullie in de tuin ?
44 Ja, dar zijn we
45 Zijn jullie goed, daar ?
mijnheer
mevrouw
ober
oma
opa
postbode
289 III Telefoon289 III Telefoon
1 telefoongerinkel
2 D Hallo, met …
3 A Hoe maakt u het, mevrouw- mijnheer
4 D Goed, en u
5 A Ik voel mij goed, dank u
6 A Is … thuis ?
7 D Neen, hij (zij) is er niet
8 C Wie klopt er op de deur ?
9 D O, ik hoop dat hij (zij) het is
10 C Ik ben mij aan het klaar maken
)11 D Zij is zich aan het klaar maken
)12 C Waar bent u ?
13 A Ik ben in …
14 C … ?
15 A Ja, ik kwam daar langs
16 C Heb je goed weer ?
17 A Ja, het is super
18 C Gaan we naar het zwembad ?
19 A Ja, … en … gaan ook
20 S Ik wacht
21 A Excuseer
22 We gaan naar het zwembad
23 Daar is …
24 … is er ook
25 Hoe gaat het met ….
26 Hij zwemt
27 Waar is …
28 Ik ben hier
29 Ik leyendo
30 Ben je kwaad
31 Neen, neen, dank u
32 Ik ben moe
33 Ben je klaar ?
34 Een … twee …en … drie
35 Ik ben het aan het leren, eh
36 Ja, ik leer het
37 Hoe maakt u het ?
38 Is … thuis
39 Zij is zich aan het klaar maken
40 Waar ben je ?
41 Ik ben in …
42 Ik ban aan het lezen
43 Ben je klaar ?
44 Ben je kwaad
45 Neen ik ben moe