
De "
Maretak"
(Viscum album) spreekt in elk geval tot de verbeelding. Deze
halfparasiet vestigt zich op vooral loofbomen hier bij ons (Populier en Appelbomen). Hij doet dus zelf nog wel aan
fotosynthese (heeft bladgroen) maar onttrekt met
zijn wortels, die tot in de bast doordringen van de boom, water en mineralen. In de winter vallen deze struikvormen vooral op in de kruin van de bomen. Dan
bloeit ook de Maretak
als eerste voor de bladeren aan de bomen komen. Van in de tijd van de Germanen (Druïde) speelde hij al een rol in de cultuur. Het was een
symbool van de
geboorte. De gaffelvormige vertakking,
één word twee, leidde daartoe. Later werd dit natuurlijk aan het Kerstfeest verbonden. De
vruchten hebben een pit met daarrond een
taai, wit slijmig vlees. Vooral de
Grote lijster is daarop verzot, ze noemt daarom ook
Turdus "viscivorus" = misteleter. De uitwerpselen van de lijster op een andere tak met de pit en vermengd met mest is natuurlijk ideaal om daar een nieuwe plant te laten groeien. Het
kleverig omhulsel leverden ook een substraat voor de vervaardiging van
lijm waarmee takken werden ingesmeerd om vogels te vangen. Vandaar dat de naam "Vogellijm" ook gebruikt werd. In "bijlage" nog een opname van deze magische plant.
