Moppen.

Groetjes.
Mop 1: Wat is dichterbij,vraagt de onderwijzer,'de
maan of Engeland? De maan,meester,antwoord
Janneke. De maan? Hoe kom je daarbij?
De maan kunnen we zien,meester,maar Enge-
land niet.
Mop 2: Een boer bezoekt de stad. 's Avonds belt hij
bij een hotel aan en verzoekt om onderdak.
Stromend water? vraagt de hotelhouder.
Hoe zo? antwoordt de boer.Zie ik er soms uit
als een forel?





















































DAAR HOREN BLOEMEN BIJ.
VOOR ALLES.
ALS GE ZOVER ZIJT.