Gedicht.


GEDICHT.
Weerloos ligt
de avond in de wintertijd
ingetogen en aandachtig
staar ik naar sneeuwit papier.
In de schemer van mijn dromen
de stilte uit mijn jeugd
langzaam wordt verrukking
het huis
wijd aan de overzijde.
Daar wandel je in twijfel
zoek je de omgeving af.
Ik roep schamele woorden
je hoort ze niet
de verte staat tussen ons.
EDITH OEYEN





































































VOOR WAT ER NOG REST.


