jouw naam


Jouw naam
Ik zal jouw naam nooit doorstrepen
Maar hem in tederheid dragen;
Soms droevig, soms blij,
Doorheen al de dagen van dit leven,
Tot we in ’t grote Licht staan;
Jij en ik, zij aan zij.
Martin vanhee
jouw naam

Jouw naam
Ik zal jouw naam nooit doorstrepen
Maar hem in tederheid dragen;
Soms droevig, soms blij,
Doorheen al de dagen van dit leven,
Tot we in ’t grote Licht staan;
Jij en ik, zij aan zij.
Martin vanhee
de zwakheid van de mens

Zwakheid van de mens
Ik creëer een woord
Zal een daad verrichten
Met mijn handen zal ik geven
En mijn mond zal zwijgen
Want wie gehoorzaamd aan het wettelijke gezag
Zal vroeger dan eender wie dan ook
De waarheid mogen aanschouwen
Neem het goud
Het zilver
En draag het tot de armen der mensheden
Om morgen meer rijkdom de kunnen
Verharen dan eender wie dan ook
Want de grootste rijkdom wat een mens bezitten kan
Zit in het hart
Leg een onevenwichtig woord van leugens
Neer en spreek de waarheid
Werp met geen steen
Wanneer jij geen kiezelsteentje
Kunt verdragen
En eerder dan wie dan ook zul jij de kracht bezitten
Om een berg opzij de schuiven
Want wie een steen laat liggen
En een kiezelsteen aanziet als een rijkdom
Zal meer macht verharen dan om het even wie dan ook
Neem uzelf niet als meerwaardiger
Maar aanzie de arme
De minderbedeelde als uw meerdere
En een koningsgewaad zal uw lichaam bekleden
Waar een ander zal mogen lopen in naaktheid
Want wie het woord van de kleine mens aanvaard
Zal bekleed worden met wijsheden
Om dan morgen
Een volwaardig mens de zijn
Moet jij vandaag uw zondige lijf ontdoen
Van elke zonde
Wees niet bang om ze de openbaren
Want God weet dat een mens zwak is
ik ben een boom

Ik ben een boom
Ik voel me bemind
wanneer een vlinder voorbij mij
komt gevlogen,
en even snel een hap uit mijn korst wegkaapt.
Ik voel me gestreeld
wanneer de wind aan mij voorbij komt gewaaid,
en meeneemt een stukje van mijn kruin.
Ik voel me gebonden
wanneer een hand rondom mijn stam
zich een weg baant naar de hoogste
toppen van mijn groengewaad.
Ik voel me verbonden
met de mens wat onder mij schuilt,
wanneer de regen naar omlaag valt,
en een donderslag de stilte
middendoor splijt.
Maar ik voel me ontroerd
als een geliefde zijn hart in tweeën
ziet scheuren wat zij ooit in mijn robuuste lijf had gekerfd,
wanneer ik voel hoe tranen van eenzaamheid
zich vermengen met mijn wortelen.
Ben een boom, een oeroude boom
wat leed trotseerde,
wat koude moest doorstaan.
Ben een boom van duizend jaren,
maar geen jaar was ooit een
jaar zonder een enkele traan.
Ik voel me sterk,
groots.
Ik voel me onovertroffen,
Stoer.
Maar zie ik een mens voorbij waden
dan besef ik hoe klein ik in wezen ben,
want al ben ik nog zo groot,
nog zo sterk,
mijn honderd armen kunnen niet een enkele
pijn voor altijd uitblussen.
’t was in een droom
In een droom was het, zie er staat een wijnstok stram en stijf door vele vruchten dragen, en moe van jaren aan en uitgekleed de worden. Zie daar staat een man van honderd jaren, zomaar wat niets de zien, want blind waren zijn ogen, moe zijn vergezicht, maar onverschrokken bleef hij staan waar een ander heen zal gaan. Hij taste in het duister, luisterde naar het onhoorbare, en liep omwonden als een tijger op de vlucht. Waar het einde naderbij kwam, waar geen einde meer zou zijn, daar is het waar hij heen zou gaan wanneer de wijnstok zijn vruchten verliezen zou. En hij dronk, hij dronk van de wijn, hij dronk totdat hij niet meer rechtop bleef staan. Een nieuw seizoen was den einde, een nieuwe rank werd gedronken. Maar wanneer het jaar voorbij zou zijn zouden de ranken nieuwe vruchten dragen, nieuwe bloesems zouden ontstaan, om daarna de druivenplukker opnieuw verse druiven te laten oogsten. Elk seizoen kent zijn vruchtbaarheid, elk seizoen zijn dood, maar niet een seizoen zal ooit voor altijd blijven stilstaan. En de man neemt nog een vrucht, een nieuwe wijnstok werd geoogst.
Gebogen blijft hij staan leeg geroofd zijn trots, zijn groots gewaad. ’t Was in een droom, zie er staat een els een bedelaar, en ergens gieren banden de nacht heeft zichzelf opnieuw leeggeroofd.
de dichter

De dichter
Een dichter maakt mooi
wat lelijk is
Hij weeft met letters een woord aaneen
om zo tranen van blijdschap
van vreugde te laten stromen
Een dichter is een poëet van het
kwaad zich niets aantrekkend
want hij dwaalt door het land van woorden
om zo te allermooiste zinnen te verwerven
Een dichter is een alchimist
van staalgrijs maakt hij blinkende edelmetalen
van koud ijzer maakt hij
gloeiende sieraden
waar menig oog in verstrikt raakt
Hij is een eenzaat
hoeft geen mens rondom zich
want zijn woord is hem alles
daar slaapt hij mee
daar waakt hij mee
en iedere gebeurtenis dracht hij met een gevoelige
snede aan elkaar de weven
Zonder allure komt hij op
Zonder snoeven leest hij zijn verhaal
voor menig slapende
want een dichter word toch zo hou vergeten en misprezen
Maar de dichter laat het aan zijn hart komen
en schrijft gestaag verder aan zijn nieuw verhaal
Hij volgt zijn eigen ritme
zijn eigen algoritme
en begeeft zich op vaarwateren waar anderen
drenkelingen werden
Hij houd zijn hooft rechtop
en loopt eens als een nar
dan weer als een harlekijn
om dan als een koning de worden ontvangen
En elke dag opnieuw laat hij nieuwe woorden
tevoorschijn komen uit zijn magische pen
op het maagdelijk wit van zijn blad
om zo dan morgen misschien een erfenis achter te laten
waar nog menig mens bij stil zal blijven staan.
Om shakti Om shakti Om shakti Om

Om shakti Om shakti Om shakti Om
Pitra shakti Putra shakti Para shakti Om 3x[1]
De kracht van God in de Vader,
de Zoon en de Heilige Geest
*********************************************************
Hoe kleiner het aangebodene hoe groter het zal zijn wanneer het met liefde word gegeven
Ooit werd ik geboren in het diepste duister der onwetendheid maar mijn geestelijk leraar opende mijn ogen met de fakkel der kennis. Ik boog me eerbiedig voor hem neer en sprak sereen de woorden uit.
Ooit werd ik blind geboren, dwaalde ik ontziend door het land waar ooit mijn meester had gebeden en gezwegen dagen aan een stuk, en ik sprak sereen de woorden uit.
Ooit liep ik naakt overheen de plaveisels van wildgroei en stak mij menig keer een toornen in het oog, want onwetend, blind en naakt was ik toen ik daar overheen mijn meester zijn landerijen liep, en dus sprak ik de woorden uit.
Ooit was ik doof, hoorde ik geen geween, nog gekerm van menig omstander wat aan mij voorbij liep, en dus moest ik wel de woorden uitspreken.
Maar daar ik onwetend was, blind en naakt, en daar bovenop ook nog doof wist ik niet waar ik die wijsheid verharen kon, want hoe onwijs ik ook wezen mocht, ik sprak nooit de woorden uit zoals het behoorde.
Dat ontdekte ik na dagen weken en zelfs maanden van dwalen doorheen het woeste landschap waar ooit mijn meester had gezeten, en bad sereen, meester laat mij een steen waarop ik rusten kan, laat mij een waterplas waarin ik mijn gelaat reinigen kan, meester heef mij een kleed zodat ik mij kan ontdoen van mijn naaktheid. Maar er gebeurde niets.
Ik kwam aan bij een grote olijfboom, voelde de aanwezigheid van een oude man, taste in het rond, en raakte zijn gewaad aan, hij sprak, wat kom jij hier zoeken, hier in dit godvergeten land? Waar nog geen schaap zijn kudde volgen kan, waar nog geen herder zijn helhond intomen kan. Wat zoek jij hier tussen het braamgestuikte, en wilde korenroos? Hier vind jij niet het antwoord op je vraag.
En ik liep verder het pad af, wat mij bracht bij een waterrivier van stilstaande beelden, taste en voelde een kilde mijn huid beroeren, en wist dat ik er niet alleen was. Wie is daar, vroeg ik, wie staat mij de begluren? Ik ben het, ik de vlinder wat fladdert van bloem naar bloem, wat zich een weg baant doorheen het struikgewas om nieuwe bloemen de oogsten. Kom volg mij en ik breng jou waar het antwoord op jou zal liggen wachten. Ik volgde gedwee en voelde een snijdende pijn in mijn wang, maar liep gestaag verder het kreupelbos is. Toen hoorde ik, wie bracht jij met je mee? Het was een zware stem maar toch ook vriendelijk wat dit vroeg. Wie ben jij, vroeg die stem, zacht maar op een gebiedende toon. Ik……… ik weet niet wie ik ben, ‘k weet evenmin van waar ik kom, of waarheen ik heenga, ik weet alleen dat ik opzoek ben naar DE woorden die mij zullen laten zien, laten horen, mij zullen kleden en mij wijsheid bijbrengen zal. Maar kind toch, hoe onwijs is dit, om dit de denken, weet je, de wijsheid waar jij naar op zoek bent dat zit in jou. Wees een met uzelf, een met uw geest en ziel en jij vind het antwoord op al je vragen. En spreek dan de woorden uit wat u brengen zal wat u verlangt.
Even bleef ik staan, verbaast en verwonderd, maar niet teleurgesteld, want wat als die stem nu eens gelijk zou hebben, zou dit echt het antwoord zijn op mijn vragen?
En ik knielde neer bij een klein kiezelsteentje, en sprak,
Heer van dit magisch wonder, laat dit steentje een rustplaats zijn waarop ik mijn hoofd neer kan vlijen, en dit ene kleine kiezelsteentje veranderde in een rots waarin ik schuilen kon. Toen knielde ik neer bij een waterplas en sprak de woorden uit,
Heer laat dit waterplasje een beekje zijn waar ik mijn gelaat in reinigen kan, en dit kleine waterplasje veranderde in een rivier waarin ik zwemmen kon en mijn complete lichaam in reinigen kan.
Toen knielde ik bij een klein en broos plantje en sprak,
Heer laat dit ene platje mijn honger stillen, en dit ene plantje werd een geuze boom waaraan honderden vruchten groeiden.
En na elke stap wat ik nam kreeg ik langzaam mijn zicht terug, begon ik langzaam aan de horen, en ik wist, nu krijg ik de wijsheid van mijn meester toegereikt.
Waarom zoeken achter datgene wat in jou zit aan de buitenzijde.
Waarom drachten de horen naar de geluiden die slechts een illusie zijn.
Waarom zoeken achter beelden die toch maar een oase zijn in het vlakke land van menig uitgestorven droomwereld.
Zoek niet buitenshuis wat binnenshuis vindbaar is, geluk is namelijk nog zo groot als het in het klein word aangeboden.
[1] Een gebed voor het eten in de ashram "Shantivanam" in Zuid India waar de dialoog tussen christendom en hindoeïsme door Bede Griffiths (†1993) in praktijk werd gebracht.
't was mooi

’t Was mooi
Nog even speel ik het lied
Nog een strofe brij ik aan het voorafgaande
om dan mijn stil geween te laten
zweven overheen het aardse
Nog een laatste snaar beroer ik
Een laatste zinsnede breng ik aan
om dan voor altijd de verdwijnen
middenin een zee van onbeminde
filosofen en poëten
Nog even laat ik gelden wat ik zogoed kan
Een woord een zin een compleet verhaal
naar voren brengen
Wie weet zal er nog een iemand
staan toekijken, en zeggen met een lach…………..
Hoe mooi dat het wel niet was
Hoeveel stralen er verschenen
toen mijn handen het blad beroerden
en een nieuw lied naar boven wist te slepen
Met vermoeide handen
pijnlijke bewegingen
zo komt nu mijn allerlaatste zinsnede
op dit papier neer de liggen
om morgen bij het ontwaken
de ontdekken
dat ook dit niet van blijvende
aard kon wezen
Vaarwel het gaat je goed
Vaarwel
’t was goed om hier de verblijven
tussen mensen groot en klein
’t was goed om even de horen
al die mooie woorden van respect en
meedogendheid
maar ‘k laat nu achter mij
wat gisteren nog niet bestond
Nog even speel ik het lied
wat gisteren zweeg
Nog even schrijf ik een strofe
na de strofe van lang gelee
Maar daarna zal ik zwijgen
en hopen dat morgen nog een kind zal
mogen weten hoeveel liefde
ik neerschreef op ieder blad steeds weer.



requiem
Daar vierhoog
Nog even zullen mijn handen
jouw handen aanraken
zullen wij als licht en duisternis
zichtbaar maar onaantastbaar zijn
nog even zal ik jou brengen hoog in de lucht
nog even maar zoveel rustiger
t zijn de jaren die van een uitbundige
een rustig iemand maken
t zijn jaren van leven
van zien
t zijn de jaren die verstrijken
die van het leven een zacht wiegend
windvlaagje maken
het zal mooi zijn
liefdevol
het zal tederheid uitstralen
hoopvol zullen wij
nog even de nacht kunnen inkijken
en weten
als morgen komen zal
zal leven groeien in het hart
toch zal ik bij jou de rust der jaren
voelen stromen
want het zijn de jaren die van een uitbundige
een rustig iemand maken
het zijn de jaren die waren
die laten zien
t zijn de jaren die verstrijken
die van het leven een zacht wiegend
windvlaagje maken
dat leven zoveel meer inhoud in zich
meedraagt dan een stormwind
dat leven als een requiem is dat leeft
in ieders mensenhart
dat zijn de jaren van leven
die dit laten zien
en nog even zal ik bij jou komen
daar vierhoog
maar zoveel rustiger zal ons samenzijn zijn
laat liefde bloeien

laat liefde bloeien
Hij sprak met een serene stem
laat elk kind tot mij komen
en wees licht
laat het kind in Mijn armen rusten
zodat er hen geen leed word aangedaan
want geen kind is geschapen om menselijke dwalingen
de moeten aanvaarden
Hij sprak met een glasheldere stem
waar menig regendruppel door bevroor
en geen zonestraal meer kon breken de duisternis
wat er onder de mensheid heerste
en Hij zei
laat ons samen knielen
aan de olijfboom
laat ons samen bidden tot mijn Vader
en vragen om vergiffenis
Hij zal jou van elke zonde ontdoen
als jij uw medemens hun kleed afwerpen zal
wat duisternis herbergt
en jij geen kwaad meer zaaien zal
waar ooit liefde bloeide
en als bij wonder zal het kruid verdwijnen
om plaats te maken voor miljoenen liefdesplanten
Hij sprak dit uit met een stem
van een engel
zo zuiver
zo puur
dat menig rivier bevroor
en er in elk menselijk hart een tuin
ontstond van
zomerse rozen
laat het kind tot Mij komen
leg een bed van rozenblaadjes neer
waarop zij hun onschuldig lijfje op de rusten kunnen leggen
en zing elk hun eigen lied
want morgen zijn ze groot
en moeten zij voor hun eigen kinderen
een wereld weten de creëren
waar haat en nijd geen plekje word toegediend
tot u kom ik

Tot U kom ik
U zoek ik in het zwart
Van de duisternis
Op u wil ik bouwen het huis
Waarin ik schuilen kan
U zoek ik onder een steen
Aan het water
In u wil ik mijn voedsel vinden
Voor mijn hongerige ziel
U streel ik als het vacht van een hermelijn
Onder het waken aan de zijde van mijn
Dode lichaam
Bij U wil ik ontwaken
Wanneer mijn leven den einde zal zijn
U vraag ik nu nederig
Mag ik uw kind zijn
Om elke nacht in vrede de kunnen slapen
En in vrede de kunnen ontwaken
Zegen mij
O Heer
Doop mij met het water
Waarin UW lichaam zich reinigen zal
Laat mij drinken van UW bron
En eten van UW brood
Om zo de kunnen heropleven
In een gloednieuw bestaan op aard
alsof het zo moet zijn

Dit zijn mijn gedachten wat ik loslaat zonder erbij stil te staan of het goed of slecht zal wezen, ik laat gewoon mijn handen vloeiende bewegingen maken over het toetsenbord, en vraag me niet af wat ze aan het verwezenlijken zijn. Word het aanvaard? Word het gelezen? Wat maakt het uit, het is een moment opname van vandaag, een moment wat ik morgen alweer kwijt zou zijn mocht ik dit moment niet vastleggen op dit scherm. Zo creëer ik vele schrijfsels, zo laat ik vele verhalen tot stand komen. Aan jullie nu om de oordelen “niet veroordelen” wat jullie er van vinden.
Geschreven op 5menuutjes
Alsof het zo moest zijn.
Sluipend doorheen het sluikgewas
van het verleden
en ontdekken de veelvuldige schoonheid van
iets wat zo gewoon is
Loeren met kinderogen doorheen het kruingewas
van menig tornenstruik
en toch steeds weer die ene bloem zien bloeien
in het drassige moerasgrond
Spreken met onschuldige uitspraken
om zo het kwaad te laten verdwijnen
En ergens zit er een kikker wezenloos voor zich
uit te staren naar het opkomende licht
Onderaan de balustrade hangt nog een restje nacht
Op het raam kleeft een eerste vonkelende lichtstraal
En ergens achter die muur schreeuwt het eerste leven van die dag
Het lijkt allemaal zo gewoon
zo buitengewoon gewoon dat geen mens erbij stil blijft staan
dat dit allemaal ooit door een hand geschapen werd
Dat er ooit een stem sprak
en er zal licht zijn
Er was licht
Wij draaien aan de schakelaar
duwen op een knopje
en denken dat het zo moet zijn
Wij luisteren naar vreemde stemmen
kijken naar ver van ons bed beelden
en nemen nog een hap van onze boterham
besmeerd met de vruchten der aarde
en denken dat het zo moet zijn
Horen wij wel nog de lokroep van een
spotvogel
Zien wij nog wel het uitkomen van een
eendagsvlieg haar eitje
Voelen wij nog wel de winden
van het zuiderse landschap
Of zijn wij nu echt zo afstotend en doen wij alsof
wij hier heer en meester zijn
op dit stukje land wat als naam aarde meekreeg
Wij kijken naar het beeld achter matglas
aanbeslagen door veelvuldig vergeten boenen
Bewust of onbewust?
Werden wij niet bang om de werkelijkheid onder ogen de komen
Zijn wij niet ons aan het bewust worden van ons klein en nietig lijfje
wat wij elke dag meedragen als een last
En buiten schreeuwt alweer een nieuw leven
het schreeuwt om een beetje aandacht
om een beetje begrip
Maar dat woord vergeten wij nu toch zo snel
als het niet om eigen begrip gaat
En ik,
ik sluip doorheen het sluikgewas
bloeder in het drassige van mijn verleden
en ontdek zoveel schoonheid
wat zovele anderen niet meer kunnen zien
Komt het door het te snel opgroeien
Door het kind de zien verdwijnen
in een oude houden koffer
op zolder achtergelaten
Of komt het omdat wij denken dat alles zo gewoon is
dat het allemaal zo moest wezen.
laat ons samen de stilte delen

Laat ons samen de stilte delen
Wanneer de avond valt, en het geluid sterft langzaam af, dan laat de aarde zich omhullen met een stoffige wolk van duisternis.
Wij kunnen de kracht voelen neerdalen wat de nacht met zich meedraagt, een bijna niet de beschrijven kracht word als een stalen harnas neergeworpen op de aardse gronden en laat alles verdwijnen in het niets.
Het haalt zijn kracht uit de stilte wat tweemaal zoveel kracht in zich heeft en dat geen enkel geluid door laat sijpelen.
Het zoekt zijn kracht in de verkwikkende afkoeling, in het gestaag neerplenzen van dauwdruppels.
Hetzelfde gebeurt er met ons, wij putten kracht uit de duisternis, uit de stilte , en uit het naar binnen sijpelende dauwdruppel geluid.
Daar vinden wij onze rust terug, vinden wij datgene wat de dag ons steeds ontneemt terug en dan sluiten wij ons luiken, onze deuren worden op slot gedaan, want niet een laat de nacht dichterbij komen dan nodig.
Ieder van ons schuwt die stoffige donkere duisternis, bang zijn ze dat zij er in zouden verdwalen, dat zij de weg naar de dag niet meer zouden terug vinden.
En ergens blaft er een hond, hij denkt dat de nacht zich geen meester kan maken van hem, een poes miauwt, een kikker kwaakt, krekels krevelen in het kreupelhout, en ergens zit er een kletsmeier onzin uit de krammen, en zo is zelfs het allerstilste moment nog vervult van geluiden.
En wij sluiten ons af, doen afstand van dit mooie, “mooiste” moment wat een dag in aanbieding heeft.
Wij trekken ons terug achter het raamkozijn, achter aanbeslagen ramen, waardoor geen stipje nachtkoelte doorheen sijpelen kan, wij sluiten buiten werkelijk buiten, en vergeten voor even de aarde rondom ons. Wij vergeten elk ander menselijk wezen, denken niet meer aan het leed wat geleden word twee straten verder, horen het nieuws aan als een monotone herhaling van woorden, woorden die gisteren zo waren, de dag ervoor, en die dag nog eens daarvoor. Wij zitten daar maar als levenlozen elke avond opnieuw voor die sneltreinbeelden, en niet een kan ’s morgens daadwerkelijk herhalen wat de avond voordien de zien was of de horen. Ze trekken een lijn tussen werkelijkheid en non-werkelijkheid, maar ze leggen allen die lijn op de plek waar dat dit voor hen het beste uitkomt.
Maar als de avond zijn stoffige wolk van duisternis laat zakken dan is ieder gelijk voor de ander, wij bidden allen voor onze eigen God, bidden elk ons eigen gebed, prevelen, fluisteren, denken het, en hier en daar misschien iemand die het uitschreeuwt, maar elk in hun eigen taal, met hun eigen woorden.
Om dan na het wezenloos zitten staren naar die sneltreinbeelden ons terug de trekken en afstand de nemen van het drukke bestaan daar achter de gesloten ramen. Wij trekken ons terug uit de actie van het alledaagse tafereel, verlaten het podium, zetten onze maskers af “want voor de nacht kan niemand zijn ware gelaat verbergen. het ware wezen ontwaakt wanneer de slaap zich nestelt in hun geesten, in de vorm van dromen komen hun werkelijke personages naar de oppervlakte drijven. En ergens schreeuwt een vrouw om genade, een slapende ontwaakte middenin zijn droom en liet zijn ware gedaante zegen vierend doorheen de straten dwalen. Een schot word gelost, sirenes loeien, nog is het kwaad aanwezig.
Men staan er niet vaak bij stil, maar een mens herbergt vaak meer kwaad dan liefde in zich dan dat men zouden toegeven. Men zien het niet, want het kwaad is sluw en verbergt zich achter een sluier van leugens. ’t Is maar zo af en toe dat dit gestadige ritme zich openbaart.
Wanneer dit gebeurt dan is dit het moment waarop velen schreeuwen en tieren van woede, van onmacht, van weet ik wat nog veel meer, want het menselijk denken is ondoorgrondelijk.
In die overgang van traag bewust zijn verloopt deze stoornis vaak uitbundiger dan van een doorsnee mens, die persoonlijkheidverwisseling is er niet zomaar opeens het zit er al lang.
Het wakende blijft strijden die innerlijke strijd tegen het kwaad wat woont diep in dat lichaam.
Een mens heeft niet graag toe dat er kwaad schuilt in zijn gedachten kamertje, een mens verbergt het zoveel liever, tot dat het hek van de dam is en zijn geest explodeert, en dan is het te laat.
Het goede blijft aanwezig tot op het laatste moment, het blijft zich naar de voorkant schuiven, en duwt het kwaad achteruit, maar het kwaad is als de duisternis , het haalt ook zijn krachten uit andere bronnen.
Het natuurlijke ritmisch verloop van leven is een gestaag eentonig en monotone klankschaal wat steeds op het zelfde ritme blijft verder slaan, het kwaad daarentegen is de bakermat wat een symbolische kracht uitstraalt, want symbolisch is het omdat geen mens met dit kwaad geboren is, een mens is uit liefde ontstaan, en met liefde vervuld bij het betreden van de aarde.
Maar laat mij besluiten bij wat ik begon, de nacht, bij het stoffige gewaad wat op aarde komt neer de liggen, en men allen onze eigen soort van dagafsluiting beoefenen. Is dit dan geen mooi moment om eens samen de kijken naar de dag wat is voorbij gegaan en onszelf een af de vragen, was elke stap wat ik nam vandaag wel gerechtvaardig, was elke daad een daad uit medemens liefde, of waren ze meer gericht naar mijn ikzuchtige. Word het dan eens niet de tijd dat wij de ware bron van het leven blootleggen, en zich gaan keren in het Goddelijke wezen wat in ons allen aanwezig is vanaf de eerste dag van ons bestaan.
Zouden wij niet beter wanneer de avond zijn opwachting maakt inplaats van voor de buis de zitten starren naar die sneltreinbeelden eens opzoek gaan naar het Goddelijke mysterie, zouden wij dan niet ontdekken dat veel kwaad ontstond door eigen toedoen?
*************************************************************
Ik sliep en droomde dat het leven vreugde was.
Ik ontwaakte en ontdekte het leven als een belangeloze dienst.
Ik maakte mij dienstbaar
en ervaar het als waar geluk.
Rabindranath Tagore
spatje vreugde
Laat een spatje vreugde neerdalen op aarde
He menneer,
mag ik papa zeggen tegen jou,
want ik lig nu toch in uw armen,
en kindjes liggen toch in papa’s armen he?
He menneer mag dat,
want weet je ‘k zou je iets willen vragen.
Papa, nu ik hier bij jou ben
zou jij voor mijn mama en mijn papa daar beneden
willen zorgen,
zou je hun verdriet om mijn nu leeg staand bedje
een beetje willen op uw schouders nemen?
Want ze zijn zo klein,
zo breekbaar,
ben bang dat ze het niet alleen aan
zullen kunnen.
Om nooit meer mijn lieve lach te horen.
Om nooit meer de moeten opstaan
midden in de nacht,
wanneer mijn maagje knorde van de honger.
Om nooit meer mijn kleine handjes rond hun vinger
geklemd de voelen.
Om nooit meer mijn traantjes te moeten afdrogen.
Daarom vraag ik u menneer,
wil jij vanavond hun eens een verhaaltje voorlezen
zoals zij dat steeds deden voor mij.
Wil jij even hun knuffel zijn in de nacht
wanneer zij rusteloos liggen de draaien en de woelen
omdat zij hun verdriet niet kunnen verwerken.
Toe menneer,
mag ik papa zeggen,
laat mijn traantje
van vreugde een zegen zijn
voor mijn mama en papa daar op aard,
zodat hun traantjes van verdriet ook snel een traantje
van vreugde zou kunnen worden.
Dat is al wat ik jou vraag
papa hier in de hemel,
dat zij eveneens mogen gelukkig zijn
net zoals ik nu.
Want ’t is goed vertoeven hier op die zachte
wind zijn adem,
’t is goed verblijven in uw huisje klein,
maar dat weten zij niet,
dus laat hen een teken van mijn vreugde
zien bij het ontwaken
morgen vroeg.


stil verdriet

Het verdriet van de aarde
Gisteren keken wij nog in jouw twee helder
blauwe oogjes,
gisteren hoorden wij nog jouw lieve lach weergalmen
doorheen de vroege ochtenduren,
onvermoeibaar leek jij wel de wezen.
Gisteren spraken wij nog over dromen
waar jij als flinke meid jouw eerste stapjes zou gaan
nemen in de grote mensenwereld.
Gisteren fantaseerden wij nog over jouw eerste schooldag,
waar jij dan als een grote meid zou staan zwaaien aan
de schoolpoort waar wij jou dan zouden achterlaten
voor heel even.
Maar ’t zou maar voor even zijn,
voor slechte een kort moment,
want wanneer de schoolbel rinkkelen zou
zouden wij jou weer mogen omarmen,
en zou jij dan trots kunnen vertelen
over jouw eerste schooldag
Maar iets besliste daar anders over,
was het God, de duivel,
of was het de zwakheid van een mens,
niemand kan daar een antwoord op geven,
maar dat wij jou nu,
nu wij jou moesten achterlaten
daar in dat kinderdagverblijf
nooit meer in onze armen zouden kunnen sluiten
dat sijpelt nu langzaam als een snijdend
mes bij ons naar binnen.
Wij hopen dat jij slechts een fractie van een seconde
uit dit toch wel korte leven
het ware kwaad hebt moeten in de ogen kijken,
dat jij niet teveel hebt moeten lijden.
Wij hopen dat jij al lachend bent heengegaan,
want geen enkel kind zou het verdriet
van de aarde mogen de zien krijgen.
Gisteren droomden wij met een glimlach
aan jouw eerste stapjes,
jouw eerste schooldag,
vandaag lijkt elke droom van toen
slechts op een oase.
Want nooit meer zullen wij jou achterlaten
voor even,
vanaf vandaag moesten wij jou afstaan
voor altijd en eeuwig.
Maar wij zullen nooit vergeten
jouw lieve lach,
en jouw twee strakblauwe oogjes.
houden van het leven

Drieënveertig jaren
Ik hou van die merel zijn lied
Van dat kinderlijke stemmetje
Ik hou van een reiger zijn vlucht
Van de spanwijde van een adelaar zijn vleugels
Ik hou van het levende
Van het ritmische geluid der stille waterlopen
Ik hou van kijken naar een zwaluw
Hoog boven mij in de blauwe lucht
Ik hou van het zien spelen
Het babypoesje in het hoge gras
Ik hou gewoon van datgene wat
Een doodgewone betekenis uitstraalt
Van een mus
Een spin
Van een vlieg
Een bij
Van een bloem
Een rozenstruik
Ik geniet het kunnen zien
Van wat ooit bloeide tussen
Hemel en aarde
Hoor het lied der madelieven
Het lied der krekels in het korengewas
Hoor het kriebelende
Het ritselende gras
Hoor het ruizen
Het suizen van de wind zijn zucht
Ik hou van het meer
En zijn miljoenen regentranen
Die drijven een na een aan mij voorbij
Waar ik mijn handen naar uitreik
Waar ik mijn gelaat mee reinigen zal
Waar ik mijn dorst mee lessen zal
Ik hou van het beeld dat bleef hangen
Achter een aangeslagen spiegelglas
Achter een ochtendgloren
Gevangen in een dauwdruppelgestaag
neervallend uitzicht
ik hou van het leven dat mij werd geschonken
nu drieënveertig jaren geleden
masker

Met het masker op
Men kijken en wachten, en doen niets meer uit eigenbelang, maar kijken wat de ander van ons verwacht en doen dan datgene waardoor wij zijn aandacht zullen krijgen, want wij zijn bang om alleen te staan. En om erbij de horen laten wij onze eigen interesses opzij liggen, men zijn bang dat de ander zou zeggen, sorry maar dat is niet mijn ding.
Steeds lopen wij in het spoor wat de ander aanlegde, zodat wij zeker zouden zijn dat op het einde van de tocht er iemand met openarmen ons staat op de wachten. Steeds laten wij een ander beslissen over ons uiterlijk, ons manier van spreken, hetgeen wat men doen en laten word zelf door anderen beslist “en dat gebeurt meestal onbewust” want wat de ander doet zal wel correct zijn, zo is ons dat ingefluisterd toen wij nog jong en onervaren waren in dit leven.
Wij zijn bang om een zelfbeeld te creëren, zodat wij na een tijdje ons eigen spiegelbeeld niet meer zullen of kunnen erkennen. Wij leven in een maatschappij waar men meer aan geestliften doen dan aan facetliften, want niet alleen ons uiterlijk verbouwen wij “Daar heeft niet iedereen het lef voor of het geld” maar men verbouwen onze eigen geestenkamer. Onze gedachten laten zich leiden door teveel invloed van buitenaf “reclame op tv is daar een van”
De mens werd een voertuig wat niet door zichzelf nog word bestuurt maar door een ander, wij zijn marionetten in een marionettentheater en het spel word steeds door een ander bepaalt. Hoe het spel afloopt daar hebben wij sowieso al geen greep op want dat lot ligt in de handen van onze schepper maar nu is er ook nog de mens die steeds vaker voor God speelt. Het is tevens steeds gemakkelijker om de bekritiseren dan openlijk toe de geven dat wij verkeerd zijn.
Wij leven nochtans in een tijdperk waar er geen oorzaak meer bestaat, er is nog enkel een nu moment. Nu leven wij, niet gisteren niet morgen maar vandaag, en zelfs dat is niet totaal correct, want het is wij leven nu, nu zit ik hier dit neer de schrijven, niet binnen een half uur, want wat ik dan zal doen dat weet ik nog niet.
Toch zijn er steeds die zeggen, dat en dat deed jij niet naar behoren. Het lijkt nu alsof ik afdwaal maar niets is minder waar. dit is de reden waarom wij steeds kijken en wachten, zo kan er niemand zeggen, dat en dat deed jij verkeerd, en daarom hoor jij hier niet thuis.
Wij lopen met het masker op ons zelf voorbij, zonder dat wij het in de gaden hebben, want wij zijn zo in de weer met het kijken naar hoe een ander zich voord beweegt, hoe een ander zich kleed, wat en ander doet of niet doet, of wat die ander zegt, over met wat is hij bezig? Waar gaat dit gesprek over? Over wie hebben zij het? En ga zo maar verder. En bij elke nieuwe beweging zakt dit masker iets wat dieper overheen ons ware gelaat.
Zouden wij niet beter elk ons eigen gelaat laten zien, en zorgen dat iedereen weet wie hij voor zich heeft staan? Zou het niet beter zijn om uw eigen individueel wezen naar voren te laten komen, zodat niet een mens nog voor onvertogen feiten komen te staan? Zou het niet beter zijn om elk op zijn eigen ritme zichzelf voort de bewegen, zonder dat er daar een of andere competitie moet aan vast hangen? Want zover is het nu reeds gekomen, het spel word niet alleen op het veld gespeelt.
heer van licht en duisternis

Heer van leven en dood
Heer van licht en duisternis,
tot jou went ik mij, nu dit leven
geen tweestemmig koor meer vormen kan.
Tot Jou wil ik nu mijn gebeden richten
om zo tot jou de kunnen komen
met en rein hart en een zuiver geweten.
Niet een vervult van aardse rijkdommen.
Niet een vervult van aardse lusten.
Maar dat van jou Heer.
Ik zal de zeeën doorkruisen.
Waden doorheen het oerwoud.
‘k zal als het moet
blootsvoets lopen over de drassige ondergronden
van het regenwoud,
vraag me wat je wilt
ik doe het.
Maar ik weet,
Jij bent goedhartig
en laat geen mens nutteloos lijden,
Jij bezit meer liefde dan menig mens de samen,
want jij bent gezegend met het heilige water
van de zuiverste bron ooit op aarde.
Heer van klank en stilte,
Gij luistert vol aandacht,
voelt zich nooit de goed om onderding de zijn,
voelt zich nooit oppermachtiger dan al de machten
op aarde samen,
“Al ben jij dit wel”
Ik wil vandaag mijn oor schenken
aan de mens rondom mij.
Ik wil mijn stem lenen aan die spraakloze
daar op de hoek van de straat.
Ik wil de mens zijn handen vullen met al de weelde
wat ik vergaarde in dit bestaan hier op aarde.
En ik zal strijden voor iedereen
die geen strijd meer kunnen strijden.
Heer van verzadiging,
van de dorstlessende,
de hongerstillende,
aan jou zal ik naderbij komen
en vragen, zorg voor de mens wat na mij zal leven.
Nee niet voor mij,
want ik delfde mijn eigen graf reeds
op de eerste dag op aarde.
waar komen wij vandaan kort verhaal

Waar komen wij vandaan?
Vandaag vroeg ik aan de wind,
waarvandaan kom jij?
Maar de wind antwoordde niet,
en blies zichzelf hier vandaan.
Toen vroeg ik aan de regen,
waarvandaan kom jij?
Maar eveneens antwoordde de regen
En viel gestaag op aarde neer.
Toen kwam ik bij een oude eik,
en opnieuw stelde ik diezelfde vraag,
maar ook die eik antwoordde niet,
en liet een blad naar omlaag vallen.
Toen kwam ik bij een beekje en zag ik een steen,
alweer stelde ik mijn vraag,
maar net zoals de wind, de regen, en die eik
zweeg hij, en deed hij alsof hij dood was.
Ik kwam langs een heg, een treurwilg,
een nachtschacht en steeds vroeg ik
waarvandaan komen jullie?
Maar niet een haf mij een antwoord.
Toen zag ik een mus zitten op de nok
van mijn huis en wederom vroeg ik
waarvandaan kom jij?
De mus keek me aan en sjilpte
waarom vraag jij me dat?
Ik vroeg het reeds aan de wind, de regen,
een oude eik, een steen,
en dan nog aan een heg, een treurwilg en aan die nachtschacht
maar niet een gaf mij een antwoord.
De mus keek me wat vreemd aan en sjilpte
hoe kun je nu zo stom zijn om dat aan de wind de vragen,
hij komt op zoveel plaatsen en word om de minuut veranderd,
en de regen, hij valt zo snel omlaag dat hij dat niet kan weten
want elke druppel leeft slechts enkele seconden,
en die eik verliest zovaak zijn kleed dat hij het reeds lang niet meer weten kan
welk kleed hij ooit als eerste aangeboden werd,
en die steen daar is reeds zoveel eeuwen versmeten dat hij zich niet meer
kan herinneren waarvandaan hij komt,
en die heg, die treurwilg, en die nachtschacht bloeien en verwelken
steeds maar weer.
En ik sjilpte het musje,
ik ga gewoon waar de seizoenen mij brengen zal,
ik weet geus niet meer waar ik ooit aan mijn eerste vlucht begon.
Maar mag ik jou eens een vraag stellen sjilpte het musje tegen mij,
Je mag dat, ja
waar kom jij eigenlijk vandaan?
En hier stopt nu mijn verhaal
want zelfs ik wist geen antwoord de geven.
stukgeslagen aarde

De schroothoop van het heelal
‘k stel mij niet de vraag,
wie was het dat het licht ontstak
wie was het dat er regen liet neerdalen op aard?
‘k stel me niet de vraag,
wie zorgde voor dat eerste nestje
wie haf het eerste schaap op aarde zijn voedsel?
‘k vraag me zelfs niet af,
Wie zorgde er voor dat het dag en nacht werd
Wie zorgde ervoor dat er sterren schenen aan de hemel?
Maar ik vraag me af,
wie zijn wij om dit allemaal zomaar naar
onze eigen hand te plaatsen
wie zijn wij dat wij zomaar al het groen laten verbleken
en laten veranderen in grijs betonachtige tinten?
Wie zijn wij dat wij zomaar het recht in eigen handen nemen
over dit ooit zo wonderbaarlijke verschijning ooit?
Wie het eerste zaadje zaaide
wie die eerste boom plande
wie dat eerste rozenknopje liet open bloeien
wie het eerste onkruid vanuit het geelrood en baars haalde
wie het eerste leven liet eten van zijn ooit eerst gezaaide zaadje
daaromtrent stel ik nu geen vragen meer,
maar wel om de mens wat wij zelf creëerden
naar de daden die wij zelf verrichten,
daar heb ik zo mijn vragen omtrent,
want wie zijn wij
dat wij zomaar het recht in eigen handen nemen
en dat ooit zo wonderbaarlijke omtoveren in de
schroothoop van het heelal.
wie zijn wij wat zijn wij

We zijn elk een deel van het complete netwerk
Van het spoor waarop onze trein rijden mag
Van de ene tot de andere halte
Waar wij dan mogen kijken door glazen wanden
Naar al het wonderbaarlijke wat aan ons
Voorbij flitsen zal.
Want het leven duurt niet langer dan een enkele seconde
Van wat nadien een eeuwigheid zal duren
Wie of wat ben ik
Wie ben ik? Wat ben ik?
Weet je, er bestaat een heel mooie
Sage die dit zo mooi verwoord dat
Ik dit graag met jou zou willen delen
Het gaat over een oude man die aan de waterkant zit
en een vlinder
wie ben ik vraagt de man
aan de vlinder
waarop de vlinder antwoord
ben ik jij die denkt dat hij een vlinder is
of ben jij mij die denkt dat hij een mens is
wie zijn wij?
Hebben wij wel het vermogen om die
wetenschap mee de dragen?
Zijn wij niet iets kosmisch?
Iets bovennatuurlijks?
Zijn wij niet het ultraviolette licht
Of gewoon een bliksemschicht midden op een zomerdag
Wat zijn wij?
Zijn wij wel mensen?
Is een stoel wel een stoel en geen tafel?
Het boek misschien een flater
Want wie kan er ons ooit honderd % zekerheid
Geven van de waarheid wat ons word opgedrongen
Er is geen waarheid, geen leugen,
Want wat voor jou een waarheid is
Is voor een ander een leugen
En wat voor diegene een waarheid is
Is dan voor jou alweer en leugen
Het is maar wat jij gelooft of niet
Waarom zijn we hier
Heel eenvoudig
Om de cirkel van het leven niet de doorbreken
Want het leven
De dood maakt deel uit van het grote wonder
En dat is net wat wij alen zijn
Een groot wonder
Net zoals dat zaadje wat in veel te droge grond werd neergesmeten
En toch nog zijn weg naar de oppervlakte wist te vinden
Goddin van het licht

Chandra
O hoe mooi ben jij
Zelfs maan en ster
Beminnen jou
Zelfs geuren en kleuren
Wensen zich aan jouw zijde
Neer de leggen
O hoe mooi ben jij
Met jouw blauwsaffieren
Gelaat
En jouw glanzende
Ogen in het licht
Van ochtendraad
O hoe zacht ben jij
Waarlijk
Moet jou zeggen
Jij bent als het gras
Het deinende landschap
Waarlijk moet het jou bekennen
In jou wens ik herboren
te worden
Wanneer de avond
Aanbreken zal
Jou geef ik als naam
Chandra
Want als de maan sta jij
Daar in het licht
Als sterren verschijnen
Kronkelen hun staarden
En springen zij omlaag
Om aan jou te verschijnen
Als vonkelende kristallen
O hoe mooi ben jij
Jij met dat
Uiterlijk van een nimf
Met het lichaam van een golfbreker
Maar mooi als een
Zeemeermin
Is jouw lichaam wanneer
Jij naakt aan mij verschijnt
En ik herboren wordt in
jouw schoot
jij mijn Chandra
mijn maneschijn