6 mei 2004
Op de eerste zondag van mei komen de aanhangers van de Carlistische Partij voor hun jaarlijkse bijeenkomst samen op de Jurramendi (Montejurra) in Lizarra (Navarra) in de buurt van het klooster van Irache. In 1976 werden tijdens deze tocht nog 2 aanhangers doodgeschoten door fascisten die met naam en toenaam (en ééntje zelfs op foto-mét-revolver) gekend zijn. Het heeft echter tot dit jaar geduurd eer de twee slachtoffers door het Hooggerechtshof erkend werden als "slachtoffers van het terrorisme". Deze "slachtoffers" werden indertijd opgevoerd om het ETA-terrorisme aan te klagen en zeker niet het terrorisme dat aan de basis lag van alle problemen in Baskenland, namelijk het staatsterrorisme.
De grote leider van de Carlisten Carlos Hugo de Borbón Parma, ooit echtgenoot van de Nederlandse prinses Irene, komt zélf al jaren niet meer opdagen.
Het Carlisme leefde in Zuid-Baskenland gedurende de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. De Carlisten verdedigden anti-liberalisme, sociale hulp, vooral aan de landelijke wereld en aan de ‘minsten der mijnen’…
Bij de dood van de Spaanse koning Fernando VII in 1833 kwam het tot een opvolgingsprobleem dat uitmondde in twee "Carlistische Oorlogen" (1833-1839) en 1872-1876). Karl Marx schreef na de Eerste Carlistische Oorlog: "De Carlisten verdedigen de beste juridische Spaanse tradities, die van de Fueros. Het is een vrije en populaire beweging, ter verdediging van de meest liberale en regionale tradities in tegenstelling tot het officiële liberalisme dat de Franse Revolutie wil kopiëren."
Na de val van Estella, op 27 februari 1876, koos troonpretendent Carlos voor de vlucht, richting Noord-Baskenland. 15.000 aanhangers volgden hem. Velen zochten een nieuw bestaan in Zuid-Amerika.