Sterven
EVA WAS EERST
Het Witte Licht: De oudste religie
Religie kan wel eens zijn oorsprong vinden in een geheime kennis, een soort oerreligie die vele duizenden jaren ouder is dan het christendom. Wie de kerngedachten van die oerreligie wil achterhalen, moet zich richten tot de verhalen waarvan men vermoedt dat ze tot de oudste behoren. Of: hoe ouder, hoe dichter bij de bron, hoe minder gevaar men loopt dat de kern werd aangedikt of gewijzigd. Daarbij moeten we er hoe dan ook rekening mee houden dat de ware boodschap eerst gedurende ontelbare jaren op een andere wijze werd doorgegeven dan door het geschreven woord en dat ze dus al van bij de eerste geschreven teksten niet meer puur was. Maar we hebben nu eenmaal geen keuze.
***
De oudste bronnen van religie komen van de Egyptische priesters. Ze bestaan uit volgende kerngedachten:
De ziel van de mens is onsterfelijk. Ze bestaat uit licht. (Hoewel sommigen 'licht' hier vertalen als 'pure energie'.)
En:
Na de dood gaat de zuivere ziel een groot en helder licht tegemoet.
Het Licht maakt alle mensen één. Wie het niet kan vervoegen, staat een triest lot te wachten.
Deze fundamentele wijsheden komen ook naar voor in de ongebreidelde fantasieën die religies uiteindelijk werden. (Eén van die eerste fantasieën ontsproot ongetwijfeld uit de zelfingenomenheid van de farao, die meende dat hij na zijn dood nog kon terugkeren in zijn lichaam.)
De oude Egyptenaren geloofden dus dat de ziel zuiver moest zijn om te kunnen binnentreden in het Licht. De oorspronkelijke titel van het Egyptische boek van de dood was eigenlijk 'Treed binnen in het Licht'. Om de kracht te vinden het Licht te vervoegen, moest de ziel rechtschapen hebben geleefd. De overtuiging groeit dat de Egyptische priesters dit niet uit de lucht hebben gegrepen. Oprechte rechtschapenheid zou namelijk het gevolg zijn van een groeiproces van het bewustzijn. Hoe meer inzicht de mens krijgt in zijn bewustzijn - zijn ziel - hoe krachtiger en meer rechtschapen die ziel zich zal ontwikkelen.
Dat met 'Het Licht' een gemeenschappelijke geesteswereld in het hiernamaals werd bedoeld, mag blijken uit de oeroude religie van de Essenen, die leefden ten tijde van Jezus als een afzonderlijke bevolkingsgroep van de Joden. Het woord ‘essene’ is afkomstig van het Egyptische ‘kashai’ wat 'geheim' betekent en werd vertaald als ‘essaios’ of ‘essene’. Hun religie was gebaseerd op kennis van de eerste Egyptische priesters. Ze geloofden dat de menselijke ziel een onderdeel was van een universele ziel. Die universele ziel omschreven ze als een licht. Dat licht werd in een ver verleden, onder invloed van een kwade macht, versplinterd. Hierdoor raakte in ieder mens een deeltje ervan opgesloten. Pas bij de dood komt dat lichtje vrij, waarna alle kleine lichten weer één groot geheel vormen.
En telkens weer komt de maan om de hoek kijken. Volgens de Babyloniërs (nog vóór er sprake was van Egyptenaren) was de maan ouder dan de zon. Ze noemden haar de lichtboot. Ishtar - wellicht één van de vele namen voor Isis - was een maangodin. Plato dweepte met de maan als geboorteplaats van de mens. Met enige verbeelding past de visie van de oudste beschavingen in deze van de maan als ruimteschip, waar de goden vandaan kwamen, en waar de mens werd geschapen.
Tot de oudste religieuze teksten behoren de Vedas uit het Hindoeïsme. Ze zijn gebaseerd op mondelinge overleveringen die zo geheim waren dat ze eerst niet mochten worden opgetekend. Uit die teksten blijkt dat de maan belangrijker is dan de zon. De ziel gaat na de dood - volgens diezelfde overleveringen - een helder wit licht tegemoet en vindt tijdelijk een verblijf op de maan.
Socrates en Plato - wiens kennis afkomstig was van de Egyptische priesters - zagen 'Het Witte Licht' als onderkomen voor de ziel in het hiernamaals. In hun beroemdste verhaal, de allegorie van de grot, gaat het als volgt: 'Stel je een grot voor waarin mensen sinds hun geboorte vastgeketend zitten. Ze kunnen hun hoofd niet bewegen, waardoor ze hun blik enkel naar voor kunnen richten. Wat ze niet weten, is dat achter hun rug beelden worden geprojecteerd op de muur vóór hen. Alles wat ze te zien krijgen, is voor hen de enig mogelijke werkelijkheid. Op een bepaald ogenblik kan een gevangene zich bevrijden. Hij verlaat de grot en komt terecht in een verblindend licht. Pas dan ervaart hij de echte werkelijkheid. Door de alles overweldigende kracht van het licht, kan hij echter niet meer terugkeren naar de grot.'
De grot kunnen we zien als het lichaam waarin de ziel zit opgesloten. Sterft de mens dan wordt zijn ziel bevrijd en komt ze terecht in een alles verblindend licht, vanwaar het onmogelijk is om terug te keren.
Dat er op het moment van de dood een mysterieuze 'passage' moet zijn waarbij de ziel soms nog in staat is om terug te keren, zal blijken uit een volgende rubriek.
volgende, klik hier
Tip: als u op het gewone internetpijltje 'vorige pagina' klikt, komt u op de juiste plaats in het overzicht terecht in plaats van bovenaan.
