Berghuthoppen in Tirol tussen schnaps en alpenweiden
Wandelen in de berglucht heeft iets verkwikkends. Het maakt je wakker en
brengt je dicht bij de natuur, weg van alle zorgen. Je zou er zowaar
van gaan zingen. Zeker na een lekker glaasje schnaps.
Luie bergwandelaars kunnen ook naar boven met de skilift,
die in Alpbachtal het hele jaar door werken.
Geen cream-colored ponies gezien daar in de bergen, wat ze in The sound of music ook mogen beweren. Wel een hoop koeien, natuurlijk, die er grazen op de met weelderige alpenweiden bezaaide bergflanken van Tirol. We trokken vier dagen door het Alpbachtal en het Zillertal, in het westen van de regio. Twee heel verschillende ervaringen.
Wie op zoek gaat naar schattige dorpjes met typische houten chalets is in het Alpbachtal aan het goede adres. In het dorp Alpbach, dat zijn naam heeft geschonken aan het hele dal, werd al in de jaren vijftig van de vorige eeuw beslist dat nieuwe huizen alleen in de houtenchaletstijl opgetrokken mochten worden, waardoor de betonmolens hier geen kans kregen. Het leverde Alpbach een houten uitzicht en de titel 'mooiste dorp van Oostenrijk' op.
'Alles in het Alpbachtal is kleinschalig en dat willen we ook zo houden', legt onze gids, Leo Meixner, uit. 'In de zomer houden de boeren zich bezig met de koeien en de boerderij; in de winter komen de toeristen op de eerste plaats.' Dat beide elkaar in evenwicht houden, illustreert hij met een flatterend rekensommetje: elke inwoner is goed voor één toerist en één koe.
Leo is geboren en getogen in het Alpbachtal, en dat merk je aan zijn passie voor de streek. In een charmant Nederduits nimmt hij ons mit naar Reith, het centraal gelegen stadje in het dal. De mist hangt er melkachtig wit tegen de bergflanken en ontneemt ons het zicht op de Alpen, maar dat laten we niet aan ons hart komen. Na een stevige koude vleesschotel met allerlei varkensbereidingen, waaronder het heerlijk knisperige maar o zo calorierijke Schweinemalz (varkensreuzel), trekken we op pad.
De regio telt drie kloven, waarvan we er de Kaiserklamm uitkiezen. Die enge kloof boort zich een kilometer in de bergwand en was vroeger het toneel van de Holztrift, zeg maar het oogsten van het hout uit de hogerop gelegen bossen. In de winter werden de bomen gekapt, waarna boomstammen langs een traject van houten goten naar beneden gleden en opgestapeld werden langs de rivier. In de zomer vond de eigenlijke 'houtdrift' plaats: met een enkele zwaai werd de stut die de stapel boomstammen op zijn plaats hield, weggehamerd en denderden de boomstammen de rivier in op weg naar het dal. Dat werk was zo gevaarlijk dat alleen ongehuwde mannen dit mochten doen, vertelt Leo erbij. Bij een ongeluk lieten die immers geen vrouw en kinderen achter.
De vorige dagen heeft het hier fel geregend en dat merk je niet alleen aan het wild razende water, ook langs de rotswanden gutst en drupt het water naar beneden en de droppels lekken tot in onze nek. Het pad is smal, maar veilig afgebakend met een afwering van staaldraad, en over de moeilijke passages liggen staproosters. Wie met kinderen door de kloof wil, kan daarvoor veiligheidsharnassen lenen in ruil voor een pand.
Slapen als keizerin Sissi
Na het water is het tijd voor een schnaps. Het robuuste Kaisershaus aan de ingang van de kloof is genoemd naar de Oostenrijkse keizer Frans Jozef, die kwam jagen in de streek. Ook keizerin Sissi kwam een keertje mee. Ze overnachtte bij die gelegenheid in een van de kamers die sinds dat moment - hoe kan het ook anders - tot Sissikamer omgedoopt werd. De kamer is in originele staat bewaard, maar stel u daar geen suikerzoete taferelen bij voor. Een noest bed met rood-wit geblokte beddensprei en dito hoofdkussen, daarmee moest de keizerin het doen. Wie dat wil, kan in de Sissikamer overnachten, al moet je het, net als Sissi destijds, zonder verwarming stellen.
Wandelen kun je naar hartenlust in de bergen rond het Alpbachtal, en wie de klim naar boven niet wil maken, zoekt gewoon een van de skiliften die ook in de zomer blijven werken. Maar het kan wel heel mistig zijn als de wolken laag hangen. In dat geval kun je kiezen voor ander vertier, zoals het Museum Tiroler Bauernhöfe, een lokale versie van Bokrijk, met oude boerderijen van allerlei slag, of het kleine stadje Rattenberg, dat langs de Inn ligt. Wie er verzeild raakt, moet beslist het Augustiner Museum bezoeken, dat in een oud klooster is ondergebracht. Niet zozeer voor zijn kunstcollectie - een verzameling aardige schilderwerkjes en houten beelden - maar om het gebouw op zich. Zo kun je er boven op het gewelf van de kloosterkerk lopen, tussen het grauwgrijze, eeuwenoude stukwerk dat aanvoelt als in een grot. Het lijkt wel speleologie, maar dan vijftien meter boven de grond. Het besef dat onder je voeten het eeuwenoude plafond van een barokke kerk hangt, maakt het zelfs een beetje spannend.
Met het Zillertal snijden we een vallei van een heel ander kaliber aan. Dit dal is toeristisch gesproken een van de belangrijkste van heel Oostenrijk. Het is er ook het hele jaar door aardig druk en het kent een volwaardig winter- en zomerprogramma.
Diep in het dal ligt Mayrhofen, eindstation van de stoptrein en ideaal vertrekpunt om straks de bergen in te duiken. Eerst nemen we nog een duik in het openluchtzwembad van het hotel en trekken baantjes met zicht op de witbepoederde bergpieken. Twee dagen voor onze aankomst heeft het opnieuw gesneeuwd, maar de sneeuw zal niet lang blijven liggen, zegt Peter Habeler ons 's avonds. Habeler, een kwieke zestiger die geboren is in het Zillertal, overwon in 1978 samen met zijn kompaan Reinhold Messner als eerste zonder zuurstofflessen de Mount Everest. Nu verdeelt hij zijn tijd tussen Europa en Nepal en zet hij zich in voor de bewustmaking rond de opwarming van de aarde. 'Dat er een klimaatsverandering aan de gang is, kun je in de Alpen zien aan het verdwijnen van de gletsjers', vertrouwt Habeler ons toe. 'Nog niet zo lang geleden waren er in het Zillertal verschillende plaatsen waar je het hele jaar door kon skiën, nu is er nog maar eentje over.'
Bij de gloed van een schnaps maakt hij ons warm voor het klimdoel van morgen: de Berliner Hütte. 'Die berghut is perfect gesitueerd en ligt midden in een dramatisch landschap. Je zult versteld staan van het decor', zegt Habeler.
Het wordt een stevige bergwandeling die start aan het educatieve Naturparkzentrum, waar de jeugd via een 'doe en ontdek'-parcours meer te weten komt over de Alpen. Buiten op het muurtje spannen we onze bergschoenen een laatste keer aan. Het zonnetje prijkt al hoog, maar tegelijk voel je ook de kou die van de bergen afstraalt. Rondom liggen groen begroeide flanken, met daarachter de witte bergtoppen. We wandelen voorbij een boer die zijn koeien naar de almen brengt, waar ze de hele zomer zullen grazen. Half september worden de koeien met bloemen en blinkwerk getooid en daarna terug naar beneden gebracht, het startsein voor de vele oogstfeesten.
Spektakelterras
De vier uur durende wandeling naar de berghut is stevig, maar haalbaar voor iedereen met een basisconditie. Het pad is meestal breed en klauteren komt er nergens aan te pas. Halverwege houden we halt voor nog een schnaps en een Almdüdler, een verfrissende kruidenlimonade van de lokale soort, en dan gaat het recht naar de berghut. Al is 'berghut' misschien een te bescheiden woord voor de Berliner Hütte, een stevig gebouw met plaats voor 180 bedden, opgedeeld in kamers en slaapzalen. De Berliner Hütte is ook de enige berghut in Oostenrijk die als monument is beschermd.
De hut is een stukje geschiedenis en stamt uit de tijd dat het alpinisme door de beau monde als toeristisch tijdverdrijf ontdekt werd. Vooral de 'Berlijnse' club was welgesteld en dat merk je aan de hut. De hal is royaal bemeten en de gelagzaal is opgewerkt met houtsnijwerk en brede lusters. Bij elke stap kraakt en piept het hout gezellig onder je voeten en geeft je een geborgen gevoel. Maar het spektakelstuk is het ruime terras dat uitkijkt op de Hornspitze, een bergtop met drie achter elkaar gelijnde spitsen tot 3.253 meter hoog. Links en rechts rond de Hornspitze schuiven twee gletsjers, die vlak voor de Berliner Hütte samenkomen en afglijden naar het dal.
Ook al hebben de gletsjers zich in de zomer danig teruggetrokken en zien we vooral een spoor van steengruis en smeltwater, het zicht is indrukwekkend. We vieren onze beklimming met een maaltijd van Graukäsesuppe, een soep op basis van Tiroolse kaas, en een stevige lamsbout. En schnaps, natuurlijk.
Op de laatste dag staat nog een andere beklimming naar een berghut op het programma, dit keer hebben we de Rastkogelhütte in het vizier. Het busje brengt ons tot op 2.000 meter hoog, vanwaar een glooiend pad ons door de alpenweide leidt. We wandelen langs lage struikjes, waarvan de taaiheid het harde natuurleven op de berg verraadt. Rondom zien we in een breed panorama de witte kroon van de Alpen, terwijl een zacht briesje voorbijglijdt. Verder weg achter de pieken zit een wolkenpak klaar, maar de wind zit goed en van die wolken zullen we vandaag geen last hebben. Langs alpenklokjes, blauwe gentiaan en smeltende sneeuwresten die ons uitnodigen tot een zomers sneeuwballengevecht, bereiken we de Rastkogelhütte, die iets bescheidener is dan zijn Berlijnse broertje, maar opnieuw over een schitterend terras beschikt. Laat de schnaps maar komen.
Bernd Ritschel
Klaas Debacker
bron; nieuwsblad.be