|
De taalwetten van de jaren dertig (1932) hadden in België voor het eerst vrij precies taalgebieden afgebakend. Daardoor verankerden ze de eentaligheid in Vlaanderen en Wallonië. De Walen of de Franstaligen waren de gangmakers van de eentaligheid in eigen gebied. Voor de Franstaligen was het ondenkbaar dat Wallonië tweetalig zou worden. Die regio was nu eenmaal eentalig Frans en moest dat ook blijven. De Walen wilden van geen tweetalig België weten. Voor Wallonië hielden de Franstaligen daarom resoluut vast aan het territorialiteitsbeginsel (le droit du sol). Dat beginsel bindt het gebruik van een bepaalde taal aan een bepaald territorium. In onderwijs, justitie en bestuur geldt dan de officiële taal van het taalgebied. Het territorialiteitsbeginsel is dus gericht op taalhomogeniteit. Van inwijkelingen wordt verwacht dat ze moeite doen om de gebiedstaal te leren. Dat is nu eenmaal de beste manier om zich vlot in hun nieuwe taalgebied te integreren. Alle Vlamingen (Nederlandstaligen) die ooit naar Wallonië uitgeweken zijn hebben zich daar aangepast aan de plaatselijke situatie en zij hebben de gebiedstaal geleerd. Dat kan men niet zeggen van de Franstaligen die zich zijn komen vestigen in Vlaams-Brabant en in het bijzonder in de zes faciliteiten-gemeenten in de Vlaamse rand rond Brussel. Franstaligen en Nederlandstaligen hebben het territorialiteitsbeginsel nochtans samen vormgegeven. Het staat gebeiteld in de Belgische Grondwet en wordt erkend door de hoogste nationale en internationale rechterlijke instellingen.
Bron: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Administratie Kanselarij en Voorlichting. Verantwoordelijke uitgever: Armand De Troyer. Druk: Die Keure, Brugge. Depotnummer: D/1998/3241/247.
|