klompen
Houten pantoffels had hij nog nooit gezien
Ingrid Lenaerts
klompen
frituurWie is het kloppend hart van deze frituur
waar de rijen aanschuiven om een bakje of een zakje ?
Zijn hun gedachten bij het kissende vet
waar de aardappel verdwijnt in helse pijnen
die zij niet horen? Hun hongerige magen knagen
voor de goudgele toverstokjes die verdomd smaken
naar nog en bovenop die toet mayonaise
doet hen watertanden in verwachting van...
Blonde Mia strooit het zout in het rond
ze is grootmoedig gul met haar porties
weet raad voor van alles en nog wat
tussen depotten béarnaise entartaar
worden de kwaaltjes beleden of verbloemd
Des levens wijsheden blijven hier hangen
als lichtvoetige wolken boven de dampen
verdwijnen in de wind als aureooltjes
Met een pint bier valt het wachten mee
zeker met de uitkijk op Mia's decolleté
Hier klopt het hart op volle toeren
Ingrid Lenaerts
de boemanWaar gaat hij heen
met z'n vreemde kleren aan
met ogen als nachtuil
met z'n veel te grote schoenen
speurend bij klaarlichte dag ?
naar zijn prooi?
Heeft hij zijn jagerstas bij ?
Zal hij Lies en Lotte verkleien
tot kermiskonijnen?
Zou hij geen honger hebben
en de konijnen oppeuzelen
als lekkere hapjes
met saus van de angst.?
Noortje kan niet meer slapen
sinds men de boeman ontbood.
Ingrid Lenaerts

Stokvis
Dat zij niet gevraagd hebben
Deze vissen om gedroogd te worden
Hun gruwelijk lijf in de lauwe wind
Met de stank der vergankelijkheid
Uitgestelde consumptie
Zwierend aan een touw
Gebonden tussen palen
Hun graf in uitgesteld relais
Mijn walging in zomertijd
Ingrid Lenaerts
na het feest
rommelhoofd
bij de kapper
de kleuren van de zonDaar waar het zonnevuur wordt gestookt
zitten de hemelgoden te schilderen
concurrenten van onze grote abstracten
Ze laten het kleur geel vloeien
uit hun bekers nectar
Ze laten het rood vonken
uit hun liefdespassie
Ze laten wit schitteren
uit hun diamanten juwelen
Het paars staat voor hun woede
stormend als een orkaan
De kleuren van het zonnevuur fonkelen
in een kaleidoscoop van vervoering.
Ingrid Lenaerts
koelte in de morgen
strijdros
opweg naar het paleis der holle vaten.Zij zat te denken de tanden afgezaagd
zodat zij niet bijten kon
de tongriem in zoet geprakt
vastgebonden in gedachten
oogkleppen aan de zijkant
zij leek wel een paard
maar dan ingeblikt op stal
Zij mocht niet op avontuur
mocht geen ziel kwijt
aan haar eigen taal
kritisch aangescherpt
monddood moest zij
luisterend naar de grote meesters
die eisten dat zij zou buigen
om mooi te zijn en te zwijgen
Maar buiten de waard gerekend
onsnapte zij de deuren
strijdvaardig opweg
naar het paleis der holle vaten.
Ingrid Lenaerts

eerste sneeuwvlok
de eerste sneeuwHij herinnert zich nog de eerste sneeuw
hier in dit land lag zijn groot mysterie
onverklaarbaar tot buitensporige belevenis
Hij had er zelfs nooit van kunnen dromen
het kind kende slechts de tropen
verzengende hitte in een steppe
hij keek verwonderd
wou het dragen maar wit
werd water tot zijn groot verdriet
hij wou sneeuw bestendigen
maar het liep door zijn hand
zijn vreugde ging eveneens smelten
lange zoute tranen dropen over zijn wangen
ja toen
Ingrid Lenaerts
een daad van ontkenning
nachtploegSikkelvormig de maan boven mijn hoofd
de duisternis vergezelt me tot de werkvloer
de nacht zit in mijn brede binnenzak
als trouwste metgezel in zomer en winter
eens de klok van tien voorbij
dan begint het werk omden brode
de persen draaien op volle toeren
na twaalven braken de persen
het nieuws heet van de naald
de politieke verzuchtingen het weer
de rechtspraak de geldmarkten
goed en kwaad op papier
de nachtshift zit me op de hielen
het werk is hectisch de inzet groot
de aandacht alles voor "de krant"
tegen vier zit het nieuws op transport
voor de distributie zorgt de buitenwereld
mijn nachttaaak loopt ten einde
bij dag en dauw fiets ik huiswaarts
alles onder een leegje ijs
de kou bijt me in het gezicht
dra gaik onder de wol.
Ingrid Lenaerts
vrieskouBij een heldere nacht ,
sterren hoog aan de duisternis gehecht
verpinken met trots en afstand hun licht
De vrieskou ijlt in een blauwig avontuur
zijn adem kronkelt tussen de takken
in opake stilte sluimert zijn boodschap
de wereld kraakt in zijn bast
zoekt houvast in warmte onder een dak
in een stal waar runderen dicht bij elkaar
hun temperatuur op peil houden
Bij een heldere nacht
vervormt vrieskou de vijver
tot een schuilplaats met kristallen dak
dat sterker wordt in zijn melkwitte bedekking
het ijs is een ware dekmantel
die lang op zich liet wachten
in deze zwakke winter zonder ruggegraat.
Ingrid Lenaerts
schrikkenBij schraal licht zie ik ze lopen
ze lijkt goed aangeschoten waggelend
ze loopt doelloos op en neer
trippelend op hoge hakken met netkousen
een nepbontjas en een dunne flodderjurk.
Wanneer ik haar kruis klampt ze me aan
probeert zich te verkopen
voor een belachelijke prijs
Ik vertel haar dat ze zich vergist
ik doe geen beroep op haar diensten
totaal geen interesse
ze begint te huilen ziet het niet meer zitten
ze vraagt haar te helpen en dringend zegt ze
wat rest me te doen buiten hulp zoeken
Zij is van streek en ik schrok me rot
De ziekenwagen komt er weldra aan.
geen alledaags voorval
waarvan ik even moet bekomen.
Ingrid Lenaerts
ach,zei ze