Ingrid Lenaerts
Ingrid Lenaerts
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
inspiratie
Ingrid Lenaerts
gedicht voor vrede.
Ingrid Lenaerts
hij zal
nu ik hier sinds mijn winterslaap lig
treurend om de voorbije zomer
toen ik zong tussen bloemen.
de herfst is gekomen
de bloemen stierven langzaam het seizoen
bomen hebben hun blaren verspeeld
slechts kale takken zijn hun tooi
Mijn onderkomen verdween
ik stak mijn wezen in de aarde
al een hamster op doortocht.
Vandaag zal hij komen
ik weet het,ik voel het aan mijn huid
mijn vleugels zijn weer vederlicht
het leven lacht me toe
zei de wonderbare krekel in dit gedicht.
Ingrid Lenaerts
wondermooi
Herfstlicht als wonder
bij zonsopgang boven zee
zij brandt de dag in.
Ingrid Lenaerts
en wat doe ik ?
En wat doe ik met het noodlot
dat me regelmatig bezoekt
me uitdaagt me naroept ?
om mijn zwakheden te testen
dat joch met schijnbaar witte sokken
toen deze kleur nog deel uitmaakte van geluk.
dat luxepaard dat de betere renstal wou
met heel vers stro
en bakken wortelen
want de beste haver was voor anderen
en dat joch en deze vrouw
die de onrechtvaardigeheid nekte
maar bestraft werd zich in te laten
met grote alwetende sterren.
Het noodlot kan zich meten
met een god in gouden paleizen
ik moet het noodlot niet tarten
want schikgodinnen zijn vals
dragen nep
zo onbetrouwbaar als drijfzand
dat naar de dieperik sleurt
Ingrid Leanerts
beminde afgunstige
die op mij loert
die op mij aast
als een gier boven op rots
Wat bezielt je
mij te willen nekken
mij dood te zwijgen
wat heb ik je dan toch misdaan ?
Je haalt het bloed
uit mijn blik
Je spant de touwen
voo rmijn voet
Je wil me weg
en toch weer in je nabijheid
ik ben je bestaansreden
om je afgunst te voeden
beminde afgunstige
ik draag je veren niet
laat mij dan ook de mijne
Ingrid Lenaerts
man met houten kop
zoals een Trojaans paard
wou me neerslaan
bij de ingang van een tunnel
hij leek wel een beul
die de guillotine bediende
en wat deed ik daar
toen ik uit een zonovergoten weg
een donkere spelonk wou betreden ?
Ik viel uit bed terwijl ik om hulp riep
in de doodse stil van de nacht
Ingrid Lenaerts
met de trein
Door het raam razen velden mee
volgen tot ze buitennissig ademloos zijn
geven het rennen op laten anderen
de klussen klaren in het landschap
het vensterraam blijft altijd open doek
wisselend in duizend varianten
van runderen die onder grijze hemel herkauwen
tractoren die de ploeg door de aarde schuren
kale wilgen die de grachten omzomen
klapperen in hun takken bij noorderwind
de canada's zie je wuiven
hun vertouwde fluisteren hoor je niet
kadans van het rijden overstemt de stilte
ik dommel in een banale hazenslaap.
het landschap verinnerlijkt zich
Ingrid Lenaerts
er dwaalt
Ingrid Lenaerts
man met zeis
Eenzaam zit ze bij het vuur
staart in de vlammen
voelt zich verweg afstandelijk
nietszeggend in een syberische kou
gelaten in de dag
gelaten in de nacht
zij die ooit beminde
met hart en ziel
de zon in kinderogen
de vreugde van het samenzijn
het verlangen naar warmte
het geschenk van alle goede dagen
Haar rest niets meer
dan de sleur der dingen
Eenzaam zit ze bij het vuur
daar wordt aan de deur geklopt
en zie daar staat geraamte en zeis
ik ga mee zegt ze,
ik moet je niet zegt de man
ik ben aan het verkeerde adres
later,veel later kom ik weer.
Ingrid Lenaerts
allerheigenlyriek voor mijn moeder
Ingrid Lenaerts
jachthaven
In de jachthaven
ligt de stilte aan banden
tot een meeuw schel krijst
rimpelend water
onder de bleekblauwe lucht
zwijgzaam drukt de tijd.
het donkert al vlug
het novemberlicht deemstert
waar de poolster pinkt.
inktzwart het water
boten liggen onder dek
in de maneschijn.
Ingrid Lenaerts
beminde tuinen
In landschapstuinen
beminde oorden van droom
ben ik nu de herfst
bladerval voltooit
er het tapijt van kleuren
waaronder ik schuil
tegen winterkou
beschut tegen de ijsprins
die me hier niet vindt
Ingrid Lenaerts
trillend
Trillend als met een oude hand
heeft zij haar loden last neergelegd
in de vriendschap en in het begrip
dat ze in zijn ogen zag.
ze keek in de ogen van haar engel
die haar ware minnaar werd
zonder vragen
Hij was tovenaar van haar liefde
die hij koesterde
lang en gelukkig
hij geloofde dat het mogelijk was
deze schijnbaar oude hand
weer te verjongen.
Ingrid Lenaerts
bloemen van papier
Zoals bloemen van papier
verwaaien in halloweengekte
fragiel en vergankelijk
zo zijn herfststemmingen
wanneer zij de blues roffelen
in haar bezeerde hart
tussen oranje en zwarte gedachten
spookt een heks in haar hoofd
Ze wil niet luisteren
maar deze zwartrok dwingt
tot overgave
kent geen mededogen
met bloemen van papier
Ingrid Lenaerts
laatste avondmaal
Verknoeien wij de tijd
van een zalige liefde?
Dat wat als een hooglied begon
dat wat bloeide als rozen
in een hemelse tuin
dat wat brandde
dat laaiende vuur ?
Bijna gedoofd lijkt de bron
waaruit wij samen dronken
waaruit wij onze dromen putten
het vuur smeult nog na
bij dit laatste avondmaal
Na de passie in kwadraat
werp je me voor de leeuwen
als een afgedankt stuk vlees
Was dit dan het einde
de val van een liefde
zonder ooit weer op te staan?
Ingrid Lenaerts
chrysantentrossen
Chrysantentrossen
pronken in paars bij graven
allerheiligen
ook in geel en roest
prijken ze wachtend als troost
bij heengaan voor altijd
Ingrid Lenaerts
de oude abdij koestert ze
als waar kunstenaar
van kou en warmte
de seizoenen wisselend
in rust en vrede
Ingrid Lenaerts
erfenis
Herfst brengt erfenis
grasperken kleurrijk bezaaid
de winter krijgt ze
de laatste blaren
voor de takken echt kalen
toeren nog in wind
Ingrid Lenaerts

