geruite pakjes en rode neuzen op hun lijf
en maar plezier maken en kinderen riepen nog nog
Gust en Gabriël en het speciaal verzoek
Ingrid Lenaerts

het is altijd weer een zilvermeeuwHet is altijd weer een zilvermeeuw
die haar droom vergezelt
wanneer zij naar Dover reist
de witte krijtrotsen als eerste dames
van lengten herinneringen als bakvis
Ze zieter nog Misses Cunningham staan
ze wacht er en ze praat Engels
"My dear child" zegt en ze kust haar wangen
in tijden die hun koffers al pakten naar later
Misses Cunningham is niet meer aan de kaai
in de dokken drijft nu olie en smeurie
hoovercrafts zijn lompe zeekarren
zonder enige verfijning of charme in hun romp.
Dover is niet meer als toen zij werveldanste
blootsvoets van geluk met de zilvermeeuw
voor de vrijheid die Dover uitgooide als een ladder
Ingrid Lenaerts
de wind die neuzen gaat
de stad in vraag
merelsMerels springen rond
na regen pierverkikkerd
maar als de kat loert...
Ingrid Lenaerts
ik schrijf jouIk schrijf jou op zomerwolken
hier ver zoek de laatste tijd
alleen een droevige noot
op de notenbalk van augustus
laat het je niet verstoren
ik schrijf jou toch op zomerwolken
van een nieuw mensenkind
dat nu zijn intrede heeft gedaan
jongen schreeuwt zich gezond
papa en mama trots als pauwen
aaien zijn hoofdje dan zijn neusje
jongen heeft alleen honger zoekt
tot hij de melk vindt zijn grootste troost.
Dit melden je oma en opa.
Ingrid Lenaerts
een beetje chaos
van het bedVan het bed de lakens verdund
tot rafels.zij de huid verdrogen
als gevilde konijnen onder de veranda
waar het tocht en ruikt naar verderf
Van de rimpels van liefde de smaak
naar het verleden alof morgen
alleen nog bestaat uit een zeepbel
die hangt aan hun nog dunnere lippen
Ingrid Lenaerts
Wat de wereld draagt
toekomstToekomst is een greep in de kabbala
duistere onbekende zones
zoals een geblinddoekte rechtsgodin
die zich verwaardigt om te dobbelen
Om de te verdelen buiten in de grot
de roze schoenen uit het rek
zoals jong en jeugd zuurstof
een oude dame in minirok
De toekomst op hoge hakken
denken dat het zo moet zijn
een soort woelwater dan de stille vijver
lijkt een soort koffiedik kijken
Ingrid Lenaerts
huishoudingDe zwabbers,de borstels de emmers
en ook het dweilengarnizoen van
werkpaarden, zij slapen na gebruik
hun welverdiende rust.In het hok
Hun eigenheid op rij,de dwaling
drogend of hangend zelfs hijgend
na het lood in de benen
morgen weer paraat voor de veldslag
Dweil op stok als ruiter en paard
Ingrid Lenaerts
kat en hondKat en hond leven hier in vrede
ze zitten naast elkaar voor de kachel
staren in het tijdloze vuur
terwijl het water ronkt
in een moor gewoontegezind.
zij filosoferen over hun grenzen
doortastend van slaap
terwijl de regen striemt als een gesel
op de verdoemde ramen druipend
van wateroverlast
Ingrid Lenaerts

verwoestingZe woelt met haar beide handen
in de aarde bij de olijfboom haar thuiskomst
ze ziet haar hoeve ruw gehalveerd
verwoest door brand en geweld
leeggeplunderd dat wat overeind bleef
Aan flarden gordijnen wapperend
als spoken in de bijtende wind
ze proeft het zand tussen de lippen
het gruis rolt onder haar voeten
het dak hangt treurend te bengelen
De tuin is een wrede woesternij
de dieren zijn gestolen of gevlucht
tenzij een dode geit met overgesneden keel
haar lijk is druk bezet door gonsende insecten
slachtafval van haar kippen ligt er te grabbel
Ze strekt haar armen ten hemel wanhoop
wat van deze chaos s verder komen moet
ze huilt van ellende bij een brandende zon
Zelfs het drinkwater werd bezoedeld
in dit kleine dorp op een vergeten plaats
waar miserie nog amper vermeld wordt
Ingrid Lenaerts
vooreerstZij zag vooreerst de zee
eerbiedwaardige leeftijd
van zeventig jaren verlangen
haar hele leven had ze gevraagd
alvorens ze sterven zou
de zee te zien
en nu was haar bede verhoord
de zee was van haar
haar lied en liefde
in duizend varianten
het ruisen van en een golfslag
ebbe en vloed
zand en zon duinen op rij
het avontuur onbeschrijfelijk
voor dagen en nachten
haar romance en haar ballade
de weidse luchten zacht en woest
als luchtschepen aan de einder
de boten als dromen
maar nu te zien te grijpen
te betasten
Was het wonder dan geschied
Ze wou hier blijven voor altijd
Ingrid Lenaerts
de regenboog
koolwitje
rozenRozen in regen
ze dragen het rood vurig
hun schreeuw naar de zon
Ingrid Lenaerts

Hazelnoten rijp
de struik buigt onder zijn last
vlug nadert de herfst
Ingrid Lenaerts