Zweven in een luchtballon
onder de nietige wereld
kleine huizen als blokkendoosjes
voor dwergen in de avondzon
rivieren als zilveren linten
in het haar van een ballerina
De zon komt dichterbij
als je reisgenoot
Het geluid van de branders
suist ons in de oren
we stijgen naar oneindig
terwijl het land onder onze voeten
een miniatuur wordt
Ik hou de adem in van ontzag
Ingrid Lenaerts
Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
een beetje verward
Wat ze zegt dat klinkt overjaars en duister
niet te ontwarren in zijn context
van heden tot verleden loopt de weg
over zandkuilen en rotsapartijen
Ze kan de werkelijkheid moeilijk inschatten
nu deze als een doolhof geen uitgang biedt.
haar gedachten zijn als vlinders vertrokken
uit haar hoofd naar een ander focuspunt
Haar lichaam weegt als lood van onmacht
Ze lijkt verzeept met gaten in de kennis
als een oude brokkelkaas zonder cohesie.
Om den treure grijpt ze mijn hand
dat ik haar troosten zou in deze dagen.
Ik ben haar zo erg nabij.
Ingrid Lenaerts
in de branding
die haar likkebaarden doet
naar de fatamorgana's
van blauwe meren in de verte.
Te goedgelovig werd zijn beroofd
van onschuld en toewijding
bij het grijze kabbelende water
uit de droom van de nabije oase
vol heerlijke dadelpalmen
Ingrid Lenaerts
ijskoud
Ijskoud
de wind die me striemt
als een zweepslag in het gezicht
Uit het zeegat blaast hij zijn geweld
als een sisssende slang.
Diep in mijn kraag gedoken
handen rood van kou in mijn zakken
om een beetje bescherming
tegen de gure streken
van de najaarskweller.
Ik stap huiswaarts
versnel mijn pas
ben bij jouw warmte
in mijn hoofd
terwijl rode wijn wacht
bij de haard.
Ingrid Lenaerts
binnenzee
Dat mijn binnenzee kolkt als een vulkaan
de lava stroomt over mijn akkers
mijn woede is als orkaan
die de regens op me loslaten
Ik wil me niet laten brandmerken
als vee uit de pampas
door enkele drieste cowboys die mijn woorden
willen verorberen als hamburger
of cornedbeef bij hun taalpakket.
Ze willen me verknechten tot wetten
die ik niet wil onderschrijven
Laat het vrije woord in mij blijvend huizen
van top tot teen in hart en nieren.
Ingrid Lenaerts
Wind zit in de bomen
schudt hun takken
laat hun blaren warrelen
Wind waart over het water
dat hij rimpelt tot klotsend golven
tegen de kademuur in de haven
Donker duister drijft hij de wolken
als jakhalzen die huilen
over de verlaten loodsen
Wind speelt in zijn haar
duwt in de rug
versnelt de pas naar het huis
aan het kopje koffie dat geurt
in gedachten
Ingrid Lenaerts
elfje
Een elfje ligt te slapen
broos en breekbaar
op haar goudbrokaten vleugels.
Haar zomer eindigde hier
op dit breekpunt
van bos en rivier
Ze lijkt net het dochterje
van vele prinsesssen
uit mijn sprookjestijd
Wanneer ze weer kwik zal zijn
zal ze haar vleugels spreiden
voor de grote reis
zoals een trekvogel
zijn winterschuilplaats
aandoet
Ik fluister haar goede vaart toe
Even glimlacht ze.
Ingrid Lenaerts
schuchter
Schuchter als ze was
durfe ze nauwelijks buitenshuis
Ze meed elke confrontatie
als een kind dat een ommetje zoekt
voor de boze wolf
Ze kon de lente van het leven niet aan
het jonge groen bereikte haar niet
De zomer klopte bij haar aan
vol overtuiging met gloed en warmte
Ze bloosde als de rijpe kersen
maar durfde ze niet te proeven
Stil en teruggetrokken bleef ze zitten
in haar kastanjebolster
die de herfst haar bood
Nu de winter haar bezoeken zal
wacht ze nog altijd
op de openbaring
Ingrid Lenaerts
bruisend van energie
kristalhelder water druipt over de rots
in kleine en grote slingers
bruisende almacht die dalwaarts dondert
tot de grote bergrivier dat het water stuwt
immer verder in een lange reis
bij het meer waar de bergen zich weerspiegelen
Ingrid Lenaerts
kathedraal
In het zonlicht dat warrelend rondwaalt in de middagdrukte
tussen de zware steunberen en voeten van de muren
wisselt de lange schaduw haar gedaante van uur tot uur
de grote toren met zijn rijzige galmgaten triomfeert
over de stad die zindert van de zomerwarmte
de beiaard speelt zijn mooiste lied als een feest
de wereld huppelt nu veel lichter op zijn zolen
Het portaal in vlamgothiek nodigt de bezoeker uit
Heiligen, bijbelfiguren,Maria en Jozef en zelfs God de vader
elk doet er zijn ding vredig naast elkaar in het dagelijks leven
Eens voorbij de portiek nodigt de kerk uit tot stilte
In haar schot is het heerlijk koel verwachtend de rust
Het orgel vleugelt zijn sonore klanken langs het raam
kaarsen blakeren hun grilligheid op de pilaren en stoelen
De gelovige bidt hier de waarnemer observeert
de tijd maakt zich klein en ingetogen
alvorens hij buiten weer spoorslags vertrekt
Ingrid Lenaerts
ontheemd
Liefde gaf je grote wandelschoenen
een geografische kennis voor oriëntering
liefde liet je de brede paden verkennen
in een landschap bij avondvol modderkuilen
Dan mocht je delen van wat het bed bood
tussen de flitsende lakens tropische nachten
van spel en uitdaging der hemelgoden
tot de zon haar licht door de vensters zaaide
Liefde gaf je het huis der vreemden
waar alles anders was en bleef
onverstoord door de dagen ontheemd zijn
die zich vermenigvuldigden als een rijke kroost.
Ingrid Lenaerts
samenvatting
Om zo maar een collega samen te vatten van dag tot dag
In een wereld van administratie die je persoon beknot
Daar woorden te plaatsen niet als in een duistere grot
Maar de dingen recht voor de raap af te vuren als een slag
Dan spreekt hij voor u ongewassen zijn mening uit
Hij heet niet moeilijk te zijn maar heeft zowat zijn rotvast idee
Dan valt hij niet af te leiden, wat hij zegt daar doe je het mee.
Hij verspeelt weinig klanken zit de wil nauw op de huid
Al lang is er een hechte band met het begrip dossier
Hij schrijft geduld, regelt regelmaat cijfert constanten
Deze ingrediënten zijn bijna elke dag zijn verwanten
Toch laat hij zijn gedachten tochten op een luchtige kier
Af en toe zit hij om een sterke uitspraak niet verlegen
Zijn naam draagt een erotisch beginsel, namelijk de billen
Ik weet niet of hij het zo zou willen, af en toe eens goed gillen
André, mij sleur je niet mee, ik laat mij niet wegvegen.
Ingrid Lenaerts
mascotte
Jij bent de mascotte van elk moment
overal sleep ik je mee door de tijd
Je bent gepind op mijn netvlies, zelfs
gebrand in mijn hoofd als als een tatoo
gechipt in mijn volle verstand kom je
tot leven als pure bron van geluk
De zorgen aan de kant in de zon
zit je me op de huid, altijd mijn lief
Ingrid Lenaerts
leerling tovenaar
De leerling tovenaar in zijn school
heeft het hocuspocus nog niet beet
zijn meester wijst hem terecht vraagt meer inzet
voor het ambacht van de toverkunst
Want om te toveren zegt hij moet er engagement
De leerling tovenaar oefent druk
naar bestvermogen in de kunne
maar het toveren blijft ondermaats
alweer wijst zijn grote Meester
de leerling tovenaar op zijn fouten
Nu levert de leerling-tovenaar
volle inzet nauwkeurig en afgemeten
en zie daar staat plots nog een exempel
Weg de meester .Geen nood geen paniek
Nu ben ik de meester zegt de leerling
Ik leerde toveren.
Ingrid Lenaerts
vleugellam
Vleugellam en uitgedoofd
zoals een jonge vogel na een mislukte vlucht
zo zit ze te turen voor het raam
met de leegte in haar iele hoofd
over nog een nog leger liefdeslandschap
waar de temperatuur onder nul daalde
het ijs dat er kraakt onder staalblauwe lucht
zo hard te moede in eenzaamheid
in zak en as heeft ze het schreien verleerd
ziet geen vooruitgang in de gedachten meer
alsof de stilstand der seizoenen ingetreden is
een verdoving zoals eeuwige duisternis
een zwart gat waarin ze verdwenen is
waar ze nimmer uit ontsnapt
Vleugellam en uitgedoofd
Ingrid Lenaerts
waterkonijn
Ze zeggen dat jullie onze dijken ondermijnen
De jagers op jullie pelsen zetten grote vallen op
want ik benadeel hierbij mijn oom en tante Pierewiet
Ingrid Lenaerts
het grote huis
Aan de zonnekant van het grote huis
waar de dageraad zich het eerst liet zien
de blauwe strepen nacht boven de vijver
plaats ruimden voor de klaarte van de dag
met de treurwilgen als baldakijndragers
voor de eenden die we kweekten
waar de mist over de velden dwaalde
achter de legustrumhaag bij de weiden
daar werden onze sprookjes geboren
onze eigenste sferen en helden
onze kleine verdrietjes en eerste liefdes
aan de zonnekant van het grote huis
waar het nog droomt van die gouden jaren.
Ingrid Lenaerts
afscheid
Nu moeten ze gaan
de blaren van de oude eik
Hun afscheid wordt niet meer uitgesteld
Al weken hangen ze drogend te warrelen
zoals acrobaten aan een tak
in veelkleurige outfit die zij echt niet willen
maar die hen aangemeten wordt
door de boom
door de oude boom
die de wind laat gieren in zijn takken
die zijn plunje laat ontdoen
en naakt de winter in moet
Ook hij heeft geen keuze
Ingrid Lenaerts
wondere wereld
Alle dagen kijk in tegen je aan
ik ben veel te nietig opdat jij me zou zien
maar je dwingt me ongevraagd
je doen en laten te observeren
omdat je in mij de verwondering aansteekt
als een brandende kaars die nooit dooft
als het licht op je wereldhoofd
de zon die je koestert
Ingrid Lenaerts
de graanboot.
Op de rivier
op de gouden rivier
zoals men zei
maar in feite zag ze zwart
vaarden boten
woonboten van binnenschippers
met graan in de buik
het onbegrijpelijke
voor een vierjarige
dat graan dat werd opgezogen
en uit het ruim verhuisde
naar een zolder
De buik raakte leeg
de zolder vol
en ik begreep er niets van.
tenzij het toveren bestond.
Ingrid Lenaerts

