badeend
Ingrid Lenaerts
badeend
eenvoudEenvoud
dagdagelijks het licht
de zon niet te vergeten
haar warmte op mijn rug
in de schaduw
onder de grote linde
hoe het park te zien
de vijver en de eenden
de taferelen drijven voorbij
op de rimpeling van hun tijd
eenvoud eenmaal andermaal
wordt gewoon herinnering
verankerd goed
Ingrid Lenaerts
nestNesten
waar vogels thuis zijn
zacht als dons
broedplaats voor het ei
het koppel en zijn jongen
tot de laatste uit het nest vliegt
dan het lege nest
het warme nest
waarin ik als kind
mijn hebben en houden vond
mijn onderdak
tot het grote afscheid
alweer een nest teveel
zegt mijn moeder
tot haar grote spijt.
terwijl ze over boord kijkt
vanuit haar hoge boom
Ingrid Lenaerts
thuis zijnThuis zijn zegt het beeld
in mijn lange mantel met rode strepen
als de vrouw van Rik
naast de bedouïnentent in terra cotta
die kaarsen brandt
het portret van tante Xenia dat afbladert
de stenen ganzen die niet snateren
en de bewoners van dit huis
in gedachten verzonken
aan hun nieuwe thuis
met vele vragen
waar wanneer en hoe.
Ingrid Lenaerts
schoorsteenAchteraan het huis
verdoken en ver uit het straatzicht
rookt de schoorsteen
zijn witte pijp
bij blauwe lucht
nu het vriest en kraakt
treurt hij bij regenweer
laat zijn adem neerslaan
roeterig walmen in de wind
Zijn zwarte gedachten
zijn vettig beklijvend.
Ingrid Lenaerts
idylleThuis zijn zegt het beeld
in mijn lange mantel met rode strepen
als de vrouw van Rik
naast de bedouïnentent in terra cotta
die kaarsen brandt
het portret van tante Xenia dat afbladert
de stenen ganzen die niet snateren
en de bewoners van dit huis
in gedachten verzonken
aan hun nieuwe thuis
met vele vragen
waar wanneer en hoe.
Ingrid Lenaerts
dans
boomkruinenBoomkruinen kreunen
bij zware wind hun moeheid
wachten op zuurstof
het lengen der dagen
omkeerbaar de winterslaap
leven in de stam.
Ingrid Lenaerts
zijn taalkoorts de verzoekingZijn taalkoorts ijlt in zijn lijf
lijdt teveel aan vrouwelijkheid
te zacht te innemend of te week
hij moet zijn taal spieren geven
de ballen van de hengst
die de merrie mint onvoorwaardelijk
niet dat slappe thee gedoe
de twijfel en de angst
hij zal haar dooreen schudden
met de cymbalen naast het oor
de taal der verwonding
de korsten op zijn ware ego
Zal hij dan tevreden zijn
de criticus met de gouden pen
die slechts snep is voor het begrip
van de dichter en zijn dochter
van de taalkoorts die in hen rondwaart
als de gesel der flagellanten?
Aan mode heeft hij het land
gooit spieren ballen en hengsten door het raam
kruipt weer in zijn alterego
tevreden als een spinnende kat
Ingrid Lenaerts
wie de grootste isHet land kan niet praten met het bos
tussenin ligt de rivier die twist zaait
eens bezet ze het land dan tergt ze het bos
ofwel met nattigheid of droogte
ze is oppermachtig in haar heerschappij
en verknecht haar buren
zij deelt de lakens uit
zelfs het rampenplan kan haar verdommen
Wat doe je met zo'n koppig kind
dat een pact sluit met de weermaker
die haar op zijn beurt verkracht?
Lijdzaam toezien wie de grootste is.
Ingrid Lenaerts

winterdagOp die winterdag
dronken we samen glüwein
hartverwarmend stil
Vetganzen -driehoek
snaterde luid geheimtaal
kou zakte hierheen.
Ingrid Lenaerts


Ijskoude wintervrouw
grieft haar scherpe verwijten
in gipsen woorden
witgekalkt tegen mijn verdriet
dat zich niet kennen laat
maar aanwezig is in mijn hart
dit sinds mijn jeugdjaren
Deze wintervrouw bedruipt me
als een ijskegel
soms als azijn bijtend en blijvend
in mijn binnenkamers
Ingrid Lenaerts
heldVan het plebs uit de "Weke"
de volksbuurt van Aksen
met een hart voor warmte
droeg hij zijn naam Stropersbroere
sinds generaties.
Hij schaamde zich niet
een zoon van het volk te zijn
hij was een man met burgerzin
ondanks het feit dat stropen
voorgeschiedenis was
Alleen enkele kakkerige burgertrutten
speelzuchtig licht bevonden
brandmerkten hem als een afstammeling van...
tot hij hen uit een zinkende wagen trok
hen van een gewisse dood redde
De moraal en het toeval,
het zal je kind maar wezen..
Ingrid Lenaerts
ijsmorgenEen ijsmorgen ontspringt
op de berghelling stoken nachtgeesten
hun laatse adem warm verdampend in mist
die schittert in de zon
De ijskegels aan het zadeldak schitteren
de zon verblindt de aarde
met wit en blauw alsof zij ons beloften doet
maar het lijkt een tijdsgeleide voor koude voeten
en rode neuzen
het feest moeten we zelf maken
dat van de warmte in de wanten en in de wollen sokken
een stevige heildronk die ons innerlijk warmt
en laat de kou dan maar buiten onze lichamen
wij zijn gewapend.
Ingrid Lenaerts
Rond KerstmisWe werden weer herinnerd aan het oude verhaal
het kerstgebeuren dat zich telkens herhaalt
en er toch elk jaar springlevend staat
met een stal en een kribbe
Jozef Maria en Jezus
een os en ezel een ster met staart
herders en schapen driekoningen
een kerstboom hulst en marentak
een boodschap van vrede
en telkens willen wij dat feest bestendigen
als onafscheidbaar van december
als een wens een boodschap een droom
niet om zo maar op te bergen
in de rommeldoos daar waar het in verdwijnt
quasi één jaar lang.
Het kerstverhaal beklijft het collectief geheugen
van onze historie en dat is een troost.
Ingrid Lenaerts
gerooktRanzig vet en zwart
de keuken onder roet
sinds honderden jaren
nu museum-roet
in een Schwarzwalderhof
dacht ik synoniem van gezelligheid
te ontmoeten
onder het grote rieten dak
de nestwarmte van de haard
Groot was de ontgoocheling
bij de kale en koude bedoening
al hoestend en proestend
rende ik de museumkeuken uit
werd getroost
met een heerlijke kop chocolade
in de ultramoderne cafetaria.
Ingrid Lenaerts
boven de wolken
Boven de wolken
zoals mildgroene archipels
sparrenbossen toppen eruit
vanaf een hoogte
een kudde zwervende schapen
in het helle zonnelicht
beeld der verwondering
op het netvlies gebrand
in het geheugen gegrift.
Ingrid Lenaerts
ruilwaar