bertus aafjes
want wie bemint, neemt ook de droefheid over
die zich in ’t andere, zo geliefde leven
genesteld heeft als schaduw in ’t lover
bertus aafjeswant wie bemint, neemt ook de droefheid over
die zich in ’t andere, zo geliefde leven
genesteld heeft als schaduw in ’t lover
rutger koplandGa nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een lege
plek voor iemand, om te blijven
roel richelieu van londerselevoorbij de avond heb ik de gebogen tuin gevonden
waar de bomen mager zijn van herfst en van verlangen
ik heb er de kleren van de merel lief
die zwart en eenzaam op het landschap wegen
hier kom ik de zachte gebreken van je leven kleden
met de veren van allen die me verlaten hebben
hier woont de twijfel in mijn handpalm
om overal dichtbij te zijn
het gras is bang
want ik leer struikelen
steve kirchhoff - henri thijs
enkel dit – enkel deze vrijheid
van de dingen in hun wezen,
wat zijzelf niet zijn
maar wel hun gratie.
het geluid van water is niet vloeibaar
maar geluk dat te beurt valt, omdat,
omdat…
de wind is geen kracht, maar
het geluk dat beweegt, de takken
die zweven en buigen, opgezweept
door het geluk, bladeren klimmend,
de roestige hopen naalden en vuil
die composteren, bijeenkoeken,
en vormen en gevolgen voorstellen
van onherstelbare
vreugde.
doe niet maar enkel dit
het geluid van water scherend
over de dingen, een stemmen
van het vitale instrument, nooit gelukt
tenzij in het zijn, in dit tintelen alleen.
geen herkomst, noch aankomst
of vertrek, alleen maar beweging die
niet is, maar die wordt gevoeld, nabij is,
hier is en toch weer niet, een flits,
een steen, een besef van wolken.
ida gerhardtdit wordt ons niet ontnomen: lezen
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
die lezen mogen eenzaam wezen.
zij waren het van kind af aan.
hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen, voortbestaan.
tot wie wij kleinen mogen gaan;
de enigen die ons nooit verstoten.
max verharteen spiegelglad meer
aan de rand van de hemel
graast eenzaam een paard
xVreugde en verdriet
ze stromen uit dezelfde bron
ze behoren allebei
tot de volheid van het leven
ze kunnen mekaar niet ontlopen
wanneer verdriet naar je toekomt
kan je alleen maar aanvaarden
en als je huilen moet
dank dan de hemel
voor het geschenk van je tranen
zij zijn de rivier
waarlangs je verdriet
naar de oerzee kan stromen
weer deel wordt
van de grote kringloop van het leven
zij zijn de sleutel
die je hart opent en bevrijdt
en ruimte schept
voor de vreugde van morgen
huil maar wanneer je verdrietig bent
en dank de hemel
voor het geschenk van je tranen.
jovoeen sneeuwklok en een krokus
na de winterslaap
lokt de tuin
edith oeyenis zij die daar zo staat
een argeloze vrouw
die zoekt naar de
eeuwigheid van blauw
of is zij een twijfelaarster
die luistert naar
het zingen van haar bloed
of mogelijk iemand
die is uitgedanst
en wegvlucht uit de realiteit?
wie het ook mag zijn
waar zij zich ook bevindt
in het licht voor haar
ligt nog toekomst
en in de schaduw
achter haar kijken
verleden dagen haar na.
wislawa szymborskaTrue love. is it normal
is it serious, is it practical?
what does the world get from two people
who exist in a world of their own?
placed on the same pedestal for no good reason,
drawn randomly from millions but convinced
it had to happen this way - in reward for what?
for nothing.
the light descends from nowhere.
why on these two and not on others?
doesn\'t this outrage justice? yes it does.
doesn\'t it disrupt our painstakingly erected principles,
and cast the moral from the peak? yes on both accounts.
look at the happy couple.
couldn\'t they at least try to hide it,
fake a little depression for their friends\' sake?
listen to them laughing - its an insult.
the language they use - deceptively clear.
and their little celebrations, rituals,
the elaborate mutual routines -
it\'s obviously a plot behind the human race\'s back!
it\'s hard even to guess how far things might go
if people start to follow their example.
what could religion and poetry count on?
what would be remembered? what renounced?
who\'d want to stay within bounds?
true love. is it really necessary?
tact and common sense tell us to pass over it in silence,
like a scandal in Life\'s highest circles.
perfectly good children are born without its help.
it couldn\'t populate the planet in a million years,
it comes along so rarely.
let the people who never find true love
keep saying that there\'s no such thing.
their faith will make it easier for them to live and die.
prelude tot valentijn
herman de coninckHoe hield ik platonisch van je gedachten
en onnoemelijk veel van de rest.
je borsten waren zachte
kolfjes naar mijn hand,
twee afgeronde verhalen
met een pointe waarop ik erg was gesteld.
en sta me toe dat ik ook
onze goeie verhouding vermeld
tussen poëzie en leven:
ik wist dat ik zó met jou naar bed kon
als ik zulk een gedicht had geschreven.
toon tellegenMen moet altijd
enigszins verdrietig zijn,
anders is men verloren,
maar men moet
wel een beetje verloren zijn -
van het reddeloze soort -
anders zou
men alleen maar gelukkig zijn,
toch moet men ook gelukkig zijn,
zo
maar gelukkig kunnen zijn,
in alle staten van geluk,
anders zou
men maar verdrietig zijn,
enigszins verdrietig,
altijd.
edith oeyenHet was de afstand tussen ons
die bevroren leek en
net toen het ijs wou breken
gooide jij de deuren dicht,
geschrokken bleef ik achter
met ijskoude handen zoeken
naar de warmte van jouw hart.
naar mike batt
pablo nerudaEn het was op die leeftijd...de poëzie was
naar me op zoek. ik weet niet, weet niet vanwaar
ze opdook, uit winter of rivier.
ik weet niet hoe of wanneer,
nee, geen stemmen, stemmen waren het niet, geen
woorden, geen stilte,
maar uit een straat werd ik geroepen,
uit de takken van de nacht,
plotseling, te midden van de anderen,
te midden van de felle vuren
of alleen op de terugweg -
daar stond zij zonder gezicht
en raakte me aan.
ik wist niets te zeggen, mijn mond
zag geen kans
iets uit te brengen,
mijn ogen waren blind,
en er sprong iets op in mijn ziel,
koorts of verloren vleugels,
en door die brand te ontcijferen,
smeedde ik
mijn eigen eenzaamheid
en ik schreef de eerste vage regel neer,
vaag, onvast, pure
nonsens,
pure wijsheid
van wie niets weet,
- en ineens
zag ik de hemel
opengaan
en zich mededelen:
planeten,
sidderende landouwen
en het donker doorschoten,
doorzeefd
van pijlen, vuur en bloeseming
de overompelende nacht, het heelal.
en ik, nietig wezen,
van de grote sterrende leegte
dronken,
ik naar gelijkenis en beeld
van het mysterie,
voelde mij zuiver deel
van de afgrond
en ik wentelde mee met de sterren
en mijn hart sloeg op drift in de wind.
rutger koplandWeggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. je blijft
iemand op wie wordt gewacht.
weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. niemand
wacht want je bent er nog.
niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.
bart moeyaertEr zijn plekken
waar ik zonder glimlach
niet meer langs kan.
ooit is daar een grap
verteld, een kus geroofd,
iets voor het eerst gedacht.
ter hoogte van mijn oor,
bijvoorbeeld,
heb jij me op een nacht
beloofd dat eeuwigheid
een leugen is, maar dat het
daarom tussen ons niet
minder lang gaat duren.
meer woorden waren er
niet nodig – een mond
spreekt van zichzelf al mooi
en huid heeft een geheugen.
jij blijft mijn hals, mijn navel,
mijn holte van mijn knie
voor altijd bij.
zonder glimlach kan ik
aan geen plek voorbij.
marc tritsmansDood, laat me niet lachen.
tot oppergod verheven,
werd je ego veel te groot.
terwijl je hebberig naar alle
lijven graait en vergeet waar
het echt om draait. met veel
misbaar verniel je slechts
omhulsel – dat ons toch alleen
gedonder geeft – zodat wat telt
weer alle vrijheid heeft. vuurwerk
dat uiteenspat, als gloeiende
gensters in wachtende harten
ongrijpbaar onderduikt. povere
mislukkeling: precies hetgeen je
hebben wilt ontsnapt je elke keer.
ann tronquode ochtend trok plotsklaps sandalen aan
het licht drapeerde zich door lamellen
en door mijn hoofd
het joeg mijn bloed zigeunerblauw de ijle hoogte in
was het mei geweest, had ik gewacht
had ik toegekeken hoe de avond
Bengaals rood onderging
zouden dagen zich tussen de bladeren haken
en had ik in rust genoten van het neervlijen op het mos
maar het was pril februari
gesmolten sneeuw spoorde nog de schoenenkast
en tot vorige avond rilde kou door mijn slaap
het was een voorjaar dat frontaal aansloeg
me meezoog uit bestofte voorkamers
het soort dat wees naar iets dat moest gebeuren
naar het plukken van vruchten voordat
bloesems groeiden
ik priemde de paarlemoeren lucht
volgde de lijn van vogels
hun gezang was hevig begonnen
ik zocht
stond met naakte voeten op versteende grond
de dood hield bomen nog uitgekleed
en geen lied
geen verlangen
hoe weelderig het uit me sloeg
deed leven uit zijn slapen springen
er gebeurde ondraaglijk niets