petrarca
als mijn bestaan zolang bestand mag zijn
tegen mijn verdriet, mijn bitter lijden,
dat ik beleef hoe, door de kracht der tijden,
vrouwe, geen glans meer in uw ogen schijnt,
hoe uw fijn gouden haar naar zilver gaat,
hoe ge geen guirlandes meer zult dragen
en ik niet waag over mijn leed te klagen
als ik de bleekheid zie van uw gelaat,
dan geeft het liefdesverdriet mij zo’n moed
dat ik de waarheid niet meer zal ontvluchten,
de jaren noem, de dagen en de uren;
al zal ‘t te laat zijn voor verlangen zoet,
dan zal toch niet aan wat ik moet verduren
de troost ontzegd zijn van uw late zuchten.

